Egwene geloofde niet dat ze haar plaats dicht bij de Amyrlin Zetel jaloers verdedigde. Het Licht mocht weten dat ze geen praatjes rondstrooide, maar Halima had een soort onschuldige nieuwsgierigheid voor alles, of her haar aanging of niet. Genoeg om Siuan elders aan te horen. Iedereen wist nu dat Siuan min of meer haar lot aan Egwene verbonden had. Ze dachten dat dat gepaard ging met gemelijkheid en tegenzin. Siuan Sanche was een figuur die vrolijkheid en soms wat medelijden opwekte; ze was immers zo afgegleden dat ze zichzelf moest binden aan degene die haar vroegere titel droeg. En die vrouw zou niet veel meer dan een speelpop zijn, wanneer de Zaal het gevecht beëindigde over wie aan haar touwtjes mocht trekken. Siuan was menselijk genoeg om enige wrok te koesteren, maar tot dusver was het hun gelukt verborgen te houden dat haar raad helemaal niet met tegenzin werd gegeven. Daarom verdroeg ze het medelijden en de spot zo goed mogelijk, en iedereen geloofde dat zijzelf door het lot evenzeer veranderd was als haar gezicht. Die overtuiging moest standhouden, anders zouden Romanda en Lelaine, en de rest van de Zaal ook, waarschijnlijk manieren weten te vinden om haar – en haar raad – van Egwene te scheiden. De kou buiten was een klap in Egwenes gezicht; hij drong tot onder haar mantel door. Haar nachtgewaad had net zo goed van Halima kunnen zijn, voor alle bescherming die het bood. Ondanks het stevige leer en de goede wol voelden haar voeten aan alsof ze bloot waren. Sliertjes ijzige lucht krulden om haar oren en lachten om de dik gevoerde vacht van haar kap. Omdat ze zo hevig naar haar bed verlangde, moest ze zich zeer inspannen om de barre kou te negeren. Wolken gleden langs de hemel en de maan wierp schaduwen op de glinsterend witte grond, een gladde deken, alleen onderbroken door de donkere vormen van de tenten en de grotere schaduwen van de huifkarren, nu uitgerust met lange houten glijders in plaats van wielen. Veel wagens werden niet meer apart gezet; men liet ze onafgeladen tussen de tenten staan. Niemand wilde de wagenvoerders daar aan het eind van de dag nog om vragen. Niets bewoog, behalve de donkere glijdende schaduwen. De brede, platgetrapte paden door het kamp waren verlaten. De stilte was scherp en zo diep dat het haar bijna speet die te verstoren.
‘Wat is er?’ vroeg ze zacht, met een behoedzame blik op de kleine tent, die gedeeld werd door haar dienaressen Chesa, Meri en Selame. Die was even stil en donker als de andere. De uitputting legde een bijna even dikke deken over het kamp als de sneeuw. ‘Niet weer een openbaring als de Kinne, hoop ik.’ Ze klakte geërgerd met haar tong. Ook zij was afgetobd door de lange vrieskoude dagen in het zadel en te weinig echte slaap, anders had ze dat niet gezegd. ‘Het spijt me, Siuan.’
‘U hoeft zich niet te verontschuldigen, Moeder.’ Ook Siuan hield haar stem gedempt en keek om zich heen of iemand hen vanuit de schaduw gadesloeg. Geen van beiden wenste de Kinne met de Zaal te bespreken. ik weet dat ik het u tevoren had moeten zeggen, maar het scheen zo onbetekenend. Ik had nooit verwacht dat de meisjes zelfs maar een van hen zouden spreken. Er is zoveel te vertellen. Ik moet het belangrijkste uitkiezen.’
Egwene wist met moeite een zucht te onderdrukken. Dat was bijna woord voor woord de verontschuldiging waarmee Siuan al eerder gekomen was. Meermalen. Wat ze bedoelde was dat ze probeerde Egwene ruim twintig jaar ervaring als Aes Sedai in te prenten, waarvan meer dan tien als Amyrlin. En dat allemaal in een paar maanden. Soms voelde Egwene zich als een gans die vetgemest werd voor de markt. ‘Nou, wat is er vannacht belangrijk?’
‘Garet Brin wacht in uw werkkamer, Moeder.’ Siuan had haar stem niet verheven, maar er was iets scherps ingeslopen, wat gebruikelijk was als ze het over Brin had. Ze schudde haar hoofd boos binnen de diepe kap van haar mantel en maakte een geluid als een nijdige kat. ‘De man kwam onder de sneeuw naar binnen, trok me uit mijn veldbed en gaf me nauwelijks tijd om me aan te kleden voor hij mij achter zich op het zadel trok. Hij vertelde me niets; hij smeet me er aan de rand van het kamp af en stuurde me er als een dienstmeid op uit om u te halen!’
Egwene onderdrukte met kracht een groeiend gevoel van hoop. Er waren te veel teleurstellingen geweest, en wat Brin midden in de nacht hierheen voerde, zou waarschijnlijk eerder een mogelijke ramp zijn dan wat ze zo vurig wenste. Hoe ver was het nog naar de Andoraanse grens? ‘Laten we zien wat hij wil.’
Ze begaf zich naar de tent die iedereen de werkkamer van de Amyrlin noemde, en hield haar mantel stevig dicht. Ze rilde niet, maar hitte of kou verdwenen niet als je niet toestond dat die je raakten. Je kon het negeren tot een zonnesteek je hersenen kookte of vorst je handen en voeten deed wegrotten. Ze dacht na over wat Siuan gezegd had.
‘Je sliep dus niet in je eigen tent?’ vroeg ze voorzichtig. De verbintenis van Siuan met Brin was die van een bediende, op een zeer vreemde manier, maar Egwene hoopte dat Siuans koppige trots er niet toe leidde dat hij daar misbruik van maakte. Ze kon het zich niet voorstellen, niet van hem en niet van haar, maar nog maar kortgeleden had ze zich ook niet kunnen voorstellen dat Siuan ook maar iets van dit alles zou hebben geslikt. Ze begreep nog steeds niet waarom. Siuan snoof luid en trapte op haar rok en viel bijna toen ze uitgleed. De door talloze laarzen geplette sneeuw was al snel een ruwe ijsplaat geworden. Egwene zocht zich voorzichtig een eigen weg. Elke dag moesten er gebroken botten worden geheeld door vermoeide zusters. Ze liet haar mantel een beetje los en bood een arm aan, zowel om te steunen als te ondersteunen. Brommend nam Siuan de arm aan. ‘Toen ik zijn tweede stel laarzen en zadel had schoongemaakt, was het te laat om terug te ploeteren door deze ellende. Niet dat hij me meer dan wat dekens in een hoek aanbood, Garet Brin niet! Liet me ze zelf uit een kist pakken terwijl hij wegbeende, het Licht weet waarheen! Mannen zijn een bezoeking, en hij is de ergste!’ Zonder adempauze veranderde ze van onderwerp. ‘U moet die Halima niet in uw tent laten slapen. Nog een stel oren waarmee u voorzichtig moet zijn, en ze luistert veel te graag mee. Bovendien mag u van geluk spreken als u niet een keer binnenkomt en haar een of andere soldaat ziet vermaken.’
‘Ik ben erg blij dat Delana Halima ’s nachts kan missen,’ zei Egwene beslist. ‘Ik heb haar nodig. Tenzij je denkt dat Nisao’s Heling een tweede keer meer uithaalt tegen mijn hoofdpijn.’ Halima’s vingers leken de pijn door haar hoofdhuid naar buiten te trekken; zonder dat zou ze helemaal niet slapen. Nisao’s poging had geen enkel gevolg gehad, en zij was de enige Gele zuster aan wie Egwene het durfde te vragen. ‘Wat de rest betreft...’ Ze liet haar stem nog strenger klinken, ik ben verbaasd dat je nog steeds naar die roddels luistert, dochter. Dat mannen graag naar een vrouw kijken, wil niet zeggen dat ze het uitlokt. Dat zou jij toch moeten weten. Ik heb er verschillende grijnzend naar jou zien kijken.’ Deze toon kwam nu gemakkelijker dan vroeger.
Siuan keek haar verbaasd aan, en betuigde even later grommend haar spijt. Het kon gemeend zijn. Egwene aanvaardde het, hoe dan ook. Heer Brin had geen beste invloed op Siuans buien, en er nu ook nog Halima bij betrekken... Egwene was blij dat ze niet gedwongen was strikter op te treden. Siuan zelf had haar gezegd dat ze onzin niet moest pikken, en dat kon ze zich bij Siuan al helemaal niet veroorloven.
Arm in arm sjokten ze zwijgend verder. De kou deed hun adem misten en drong door tot in hun botten. De sneeuw was een bezoeking én een les. Ze kon Siuan nog steeds horen doordraven over wat zij de Wet van de Onbedoelde Gevolgen noemde, die sterker was dan elke geschreven wet. Of je daden nou wel of niet de gevolgen hebben die je voor ogen stonden, er zullen minstens drie onverwachte gevolgen zijn, waarvan er meestal een onplezierig is. De eerste lichte regenbuien hadden verbazing gewekt, al had Egwene de Zaal ingelicht over de vondst en het gebruik van de Schaal der Winden. Dat was bijna alles wat ze had durven doorgeven van wat Elayne haar in Tel’aran’rhiod had verteld. Te veel van de gebeurtenissen in Ebo Dar zouden haar hier onderuit hebben gehaald, en zoals het nu ging, was het al moeilijk genoeg. Bij de eerste druppels was iedereen in vreugde uitgebarsten. Ze hadden hun reis die middag vroeg beëindigd, en er waren vreugdevuren ontstoken. Er was gefeest in de motregen met dankwoorden van de zusters en feestdansen van de bedienden en de soldaten. Er hadden trouwens ook Aes Sedai meegedanst.