Een paar dagen later gingen de motregens over in stortbuien, en vervolgens in gierende stormen. Het werd snel kouder en kouder, en de stormen werden sneeuwstormen. Egwene had zich vroeger verbeten over hun trage marstempo en de afstand die ze op een dag aflegden, maar diezelfde afstand kostte nu vijf dagen onder een bewolkte hemel, terwijl ze als het sneeuwde helemaal niet verder trokken. Het was makkelijk genoeg om aan drie onverwachte gevolgen te denken, of meer, en daarvan kon de sneeuw weleens het kleinste kwaad zijn. Toen ze de kleine opgelapte tent naderden, die de werkkamer van de Amyrlin werd genoemd, bewoog een schaduw naast een hoge wagen, en Egwenes adem stokte. De schaduw werd een gestalte die haar kap ver genoeg naar achteren schoof om Leanes gezicht te onthullen, waarna ze zich weer in de schaduw terugtrok. ‘Ze houdt een oogje in het zeil en zal ons waarschuwen als er iemand aankomt,’ zei Siuan zacht.
‘Dat is goed,’ mompelde Egwene. Dat had ze wel wat eerder mogen horen. Ze had half en half gevreesd dat het Romanda of Lelaine was! De werkkamer van de Amyrlin was donker, maar heer Brin stond geduldig binnen te wachten. Hij was gehuld in zijn mantel, een schaduw tussen schaduwen. Egwene omhelsde de Bron en geleidde, maar niet om de lantaarn aan de middelste paal of een kaars aan te steken. In plaats daarvan maakte ze een kleine bol van zacht licht die ze liet zweven boven de klaptafel die als schrijftafel diende. Heel klein en zacht, hij zou waarschijnlijk niet worden opgemerkt, en kon zo snel als een gedachte worden gedoofd. Ze kon zich geen ontdekking veroorloven.
Er waren Amyrlins geweest die hadden geregeerd op basis van kracht, Amyrlins die een evenwicht met de Zaal hadden weten te bereiken, en Amyrlins die even weinig macht hadden als zij. In de geheime annalen van de Witte Toren waren zelfs de zeldzame perioden beschreven dat een Amyrlin nog minder macht bezat. Verschillenden hadden zich macht en invloed laten ontglippen en waren van kracht tot zwakte vervallen. In al die drieduizend jaar waren bijzonder weinig Amyrlins erin geslaagd de andere kant op te gaan. Egwene had dolgraag geweten hoe Miriam Copan en de rest van dat handjevol dat gelukt was. Als iemand dat ooit had vastgelegd, waren die bladzijden reeds lang geleden verloren gegaan.
Brin boog eerbiedig. Hij toonde geen verbazing over haar behoedzaamheid. Hij wist wat zij op het spel zette door hem in het geheim te ontmoeten. Zij had veel vertrouwen in deze stevige, grijze man met zijn open, verweerde gezicht, en niet alleen omdat ze geen andere keus had. Zijn zware rood wollen mantel was afgezet met marterbont en aan de zoom geborduurd met de Vlam van Tar Valon. Het was een geschenk van de Zaal geweest, maar hij had de afgelopen weken tientallen keren duidelijk gemaakt dat, wat de Zaal ook dacht – en hij had blind moeten zijn om hun gedachten niet te zien – zij de Amyrlin was, en dat hij de Amyrlin diende. Zeker, hij had het nooit rechtuit gezegd, maar met zorgvuldig verwoorde zinspelingen, die geen twijfel lieten bestaan. Meer verwachten was te veel verwachten. Er waren bijna evenveel onderstromen in het kamp als Aes Sedai, en sommige waren sterk genoeg om hem weg te sleuren. Sommige konden zelfs haar nog dieper in de modder doen zakken, als de Zaal achter deze ontmoeting kwam. Ze vertrouwde hem meer dan wie ook, behalve Siuan en Leane, of Elayne en Nynaeve, misschien meer dan de zusters die haar in het geheim trouw hadden gezworen. Ze had graag de moed gehad om hem nog meer te vertrouwen. De witte lichtbol wierp zwakke, beverige schaduwen. ‘U heeft nieuws, heer Brin?’ vroeg ze, en onderdrukte haar hoop. Ze kon wel tien berichten bedenken die hem deze nacht hier hadden gebracht, elk met eigen strikken en valkuilen. Had Rhand besloten om nog meer kronen toe te voegen aan die van Illian, of hadden de Seanchanen weer een stad ingenomen, of ging de Bond van de Rode Hand plotseling zijn eigen weg in plaats van de Aes Sedai te schaduwen, of...
‘Er ligt een leger ten noorden van ons, Moeder,’ antwoordde hij kalm. Zijn in leer gehulde handen rustten ontspannen op het lange gevest van zijn zwaard. Een leger in het noorden, een beetje meer sneeuw, allemaal hetzelfde. ‘Voornamelijk Andoranen, maar met een flink aantal Morlanders. Mijn voorste verkenners hebben mij nog geen uur geleden het nieuws gebracht. Pelivar voert hen aan, en Arathelle vergezelt hem, de Hoogzetels van twee van de sterkste Huizen van Andor, en ze hebben er ten minste nog twintig bij zich. Het ziet ernaar uit dat ze snel naar het zuiden optrekken. Als u doorreist zoals nu, wat ik zou afraden, zullen we over twee, hoogstens drie dagen op elkaar stuiten.’
Egwene hield haar gezicht in de plooi en onderdrukte haar opluchting. Wat ze gehoopt had, waar ze op gewacht had, waarvan ze was gaan vrezen dat het nooit zou komen. Verrassend genoeg stokte Siuans adem, al sloeg ze een want voor haar mond. Te laat: Brin trok een wenkbrauw op, maar ze herstelde zich snel. Haar gezicht werd zo’n masker van Aes Sedai-kalmte dat je haar jeugdigheid bijna vergat.
‘Heb je bedenkingen om tegen je landgenoten te strijden?’ vroeg ze. ‘Spreek op, man. Hier ben ik je wasvrouw niet.’ Kijk, kijk, een kleine breuk in die kalmte.
‘Zoals u beveelt, Siuan Sedai.’ In Brins stem klonk niets van spot, maar toch kneep Siuan haar lippen op elkaar en ging haar uiterlijke koelheid in rook op. ‘Ik vecht tegen degenen die ik volgens de Moeder dien te bestrijden, natuurlijk.’ Zelfs hier wilde hij niet duidelijker zijn. Mannen leerden voorzichtig te zijn in het bijzijn van Aes Sedai. Net als vrouwen. Egwene dacht dat behoedzaamheid haar tweede natuur was geworden.
‘En als we niet zo doorgaan?’ zei ze. Er waren zoveel plannen gemaakt. Met Siuan, soms met Leane erbij en nog steeds moest elke stap even zorgvuldig gezet worden als op de ijzige paden buiten. ‘Als we hier halt houden?’
Hij aarzelde niet. ‘Als u een manier heeft om ze zonder strijd te overtuigen, is dat goed. Maar morgen zullen ze in de loop van de dag een voortreffelijke plaats bereiken om zich te verdedigen. Hun linkerflank wordt beschermd door de Armahn, en de rechterflank door een groot veenmoeras. Bovendien zullen ze voor zich kleine beken hebben, die onze aanval zouden vertragen. Daar zal Pelivar zijn kamp opslaan om te wachten; hij weet wat hem te doen staat. Arathelle zal haar aandeel leveren als er gepraat wordt, maar ze laat de pieken en de zwaarden aan hem over. We kunnen het niet voor hem bereiken, en met hem in het noorden is die plek voor ons waardeloos.
Als u van plan bent om te vechten, raad ik u aan om naar de rotshoogte te reizen, die we twee dagen geleden zijn overgetrokken. We kunnen makkelijk vóór hen op die plaats zijn, als we bij dageraad vertrekken. En Pelivar zal zich wel tweemaal bedenken voor hij die plaats aanvalt, zelfs als hij drie keer zoveel soldaten had.’ Egwene bewoog haar bijna bevroren tenen in haar sokken en liet zich een geprikkelde zucht ontvallen. Er was een verschil tussen kou niet toestaan om je te raken, en die kou niet voelen. Ze koos haar woorden zorgvuldig en liet zich niet afleiden door de kilte, toen ze vroeg: ‘Zullen zij praten, als hun de kans wordt geboden?’