Выбрать главу

‘Kijk niet zo naar me, Siuan.’ Het was gemakkelijker om boos te zijn dan bang, om haar angst te vermommen als boosheid. Ze zou nóóit meer beteugeld worden! ‘Jij hebt elk voordeel aangegrepen sinds je van de Geloften bevrijd bent. Als je niet gelogen had tot je zwart zag, hadden we nog steeds zonder leger in Salidar gezeten, duimen draaiend en wachtend op een wonder. Jij tenminste wel. Mij zouden ze nooit hebben opgeroepen om Amyrlin te worden zonder jouw leugen over Logain en de Roden. Elaida zou oppermachtig zijn, en over een jaar zou niemand zich meer herinnerd hebben hoe ze de Amyrlin Zetel bemachtigd had. Zij zou beslist de Toren vernietigen. Je weet dat ze alles rond Rhand verkeerd zou aanpakken. Het zou me niet verbazen als ze hem had laten ontvoeren, wanneer ze zich niet om ons had moeten bekommeren. Nou ja, misschien niet ontvoeren, maar ze zou wel iets doen. Waarschijnlijk zouden Aes Sedai vandaag Asha’man bevechten, zonder te bedenken dat Tarmon Gai’don aan de kim gloort!’

‘Ik heb gelogen wanneer dat nodig leek,’ zei Siuan ademloos. ‘Wanneer het juist leek.’ Haar schouders zakten omlaag en het klonk alsof ze misdaden toegaf die ze niet aan zichzelf had willen bekennen. ‘Soms geloof ik dat het voor mij te gemakkelijk is geworden om te beslissen wat nodig en juist is. Ik heb tegen bijna iedereen gelogen. Behalve tegen jou. Maar denk niet dat het nooit in me is opgekomen. Om je naar een beslissing te drijven, of je ervan weg te houden. Dat ik het niet heb gedaan, kwam niet omdat ik jouw vertrouwen wilde behouden.’ Siuans hand strekte zich in het donker smekend uit. ‘Het Licht mag weten wat jouw vertrouwen en vriendschap voor me betekenen, maar dat was het niet. Het was ook niet de wetenschap dat je riemen uit mijn huid zou laten snijden of me zou wegsturen als je er ooit achter kwam. Ik besefte dat ik me tenminste bij iemand aan de Geloften moest houden, of ik zou mijzelf volkomen verliezen. Dus lieg ik met tegen jou of Garet Brin, wat het ook kost. En zodra ik kan, Moeder, zal ik opnieuw de Drie Geloften op de eedstaf zweren.’

‘Waarom?’ vroeg Egwene zacht. Had Siuan overwogen om tegen haar te liegen? Daar zou ze haar inderdaad voor gevild hebben. Maar haar boosheid was weg. ik vergoelijk leugens niet, Siuan. Gewoonlijk niet. Maar soms zijn ze echt nodig.’ Haar tijd bij de Aiel flitste door haar hoofd. ‘Zolang je tenminste bereid bent ervoor te betalen. Ik heb zusters boete zien doen voor kleinere vergrijpen. Jij bent een van de eersten van een nieuw soort Aes Sedai, vrij en ongebonden. Ik geloof je, wanneer je zegt dat je niet tegen mij zult liegen.’ Of tegen heer Brin? Vreemd. ‘Waarom zou je je vrijheid opgeven?’

‘Opgeven?’ Siuan lachte, ik geef niets op.’ Haar rug rechtte zich, en haar stem klonk krachtiger, en toen vuriger. ‘De Geloften maken dat wij meer zijn dan slechts een groep vrouwen die zich met het lot van de wereld bemoeit. Meer dan zeven groepen. Of vijftig groepen. De Geloften houden ons bij elkaar, een vastgelegde reeks overtuigingen die ons allen binden. Het is een dunne draad in elke zuster levend of dood, die haar verbindt met de allereerste zuster die de eedstaf in handen nam. De Geloften maken ons Aes Sedai, niet de Ene Kracht. Elke wilder kan geleiden. Mannen kunnen onze uitspraken van zes verschillende kanten bekijken, maar als een zuster zegt: “Dit is zo,” dan wéten zij dat het waar is, en ze vertrouwen daar op. Vanwege de Geloften. En vanwege de Geloften zal geen koningin vrezen dat zusters haar steden met de grond gelijk zullen maken. De grootste schurk weet zijn leven veilig in de handen van een zuster, tenzij hij haar kwaad wil doen. O, de Witmantels noemen het leugens en sommige mensen hebben vreemde ideeën over wat de Geloften inhouden, maar er zijn slechts weinig plaatsen waar een zuster zich niet kan vertonen zonder dat er naar haar geluisterd wordt, vanwege haar Geloften. De Drie Geloften gaan over wat het is om Aes Sedai te zijn. Ze zijn het hart van een echte Aes Sedai. Gooi dat bij het afval en we zijn als zand dat wordt weggespoeld met het getij. Opgeven? Ik zal iets winnen.’

Egwene keek bedenkelijk. ‘En de Seanchanen?’ Wat het is om Aes Sedai te zijn. Al vanaf haar eerste dag in Tar Valon had ze gewerkt om Aes Sedai te worden, maar ze had nooit echt nagedacht over wat een vrouw tot Aes Sedai maakte.

Opnieuw lachte Siuan, al was het ditmaal droog en wat vermoeid. Ze schudde haar hoofd, en duisternis of niet, ze zag er vermoeid uit.

‘Ik weet het niet, Moeder. Het Licht helpe me, ik weet het niet. Maar we hebben de Trollok-oorlogen, de Witmantels, Artur Haviksvleugel en alles daartussenin overleefd. We zullen een manier vinden om met die Seanchanen af te rekenen. Zonder onszelf te vernietigen.’ Egwene was daar niet zo zeker van. Vele zusters in het kamp dachten dat de Seanchanen zo’n groot gevaar vormden dat het beleg van Elaida moest wachten. Alsof wachten Elaida niet nog vaster op de Amyrlin Zetel zou plaatsen. Vele anderen dachten dat als de Witte Toren weer één was, wat dat ook zou kosten, de Seanchanen zouden verdwijnen. Maar in leven blijven verloor iets van zijn glans als het overleven aan een halsband was, en die van Elaida zou weinig minder knellen dan die van de Seanchanen. Echt Aes Sedai zijn betekende wat.

‘Het is niet nodig om afstand te houden van Garet Brin,’ zei Siuan opeens. ‘Natuurlijk is die man een bezoeking. Als hij niet telt als boetedoening voor mijn leugens, zou een geseling dat ook niet doen. Er komt een dag dat ik hem elke ochtend een draai om zijn oren ga geven, en ’s avonds twee, maar je kunt hem alles zeggen. Het zou helpen als hij het begreep. Hij vertrouwt jóu, en zijn maag speelt op doordat hij zich afvraagt of je weet wat je doet. Hij laat het niet merken, maar ik kan het zien.’

Opeens klikten er stukjes in Egwenes geest in elkaar, als een herbergpuzzel die paste. Schokkende stukjes. Siuan was verliefd op de man! Dat was de enige verklaring. Er was geen andere uitleg mogelijk. Alles wat ze over die twee wist, veranderde. En niet altijd ten goede. Een verliefde vrouw bewaarde haar hersens in een kast als de betrokken man in de buurt was. Zoals ze van zichzelf maar al te goed besefte. Waar was Gawein trouwens? Ging het goed met hem? Zou hij het wel warm hebben? Genoeg! Of te veel, in het licht van wat ze moest zeggen. Ze gebruikte haar beste Amyrlin-stem, zelfverzekerd en met gezag. ‘Je kunt heer Brin een draai om zijn oren geven, Siuan, of hem in je bed noden, maar je zult oppassen als je in zijn buurt bent. Je laat je niets ontvallen wat hij niet mag weten. Hoor je me?’ Siuan schoot geschokt overeind. ‘Het is niet mijn gewoonte om mijn tong als een gescheurd zeil te laten wapperen, Moeder,’ zei ze opgewonden.

‘Ik ben blij dat te horen, Siuan.’ Hoewel ze uiterlijk slechts een paar jaar leken te verschillen, was Siuan oud genoeg om haar moeder te zijn, maar nu voelde Egwene zich alsof het omgekeerd was. Dit kon weleens de eerste keer zijn dat Siuan niet als Aes Sedai maar als vrouw met een man moest omgaan. Hoor mij nu eens. Ik meende een paar jaar van Rhand te houden, bedacht Egwene droogjes, en ben een paar maanden ondersteboven van Gawein, en dan zou ik zomaar alles van mannen weten?

‘Ik denk dat we hier klaar zijn,’ zei ze, een arm door die van Siuan hakend. ‘Bijna. Kom mee.’

Het tentzeil leek weinig beschutting te geven, maar buiten kreeg ze een nieuwe aanval van vlijmende winterkou te verduren. Het maanlicht was zo helder dat je erbij kon lezen, en weerkaatste op de sneeuw, maar het leek een koud schijnsel. Brin was verdwenen alsof hij er nooit geweest was. Leane, haar slanke gestalte gewikkeld in vele lagen wol, verscheen net lang genoeg om te zeggen dat ze niemand gezien had, waarna ze om zich heen kijkend door de nacht weg snelde. Niemand wist van de band tussen Leane en Egwene, en iedereen dacht dat Leane en Siuan elkaar naar het leven stonden. Egwene hield haar mantel zo goed mogelijk met een hand dicht en richtte alle aandacht op het afweren van de ijzige kilte, terwijl ze de andere kant opliepen. De kou afweren en in de gaten houden wie er buiten was. Niemand die nu buiten was, zou dat toevallig zijn. ‘Heer Brin had gelijk,’ zei ze tegen Siuan, ‘dat het beter is als Pelivar en Aratheile die verhalen geloven. Of er op zijn minst niet al te zeker van zijn. Zo onzeker dat ze geen strijd wensen, maar liever praten. Denk je dat ze een bezoek van Aes Sedai verwelkomen? Siuan, luister je?’