‘Schiet me maar aan, nadat je met de wagenmakers en de hoefsmeden hebt gepraat,’ zei Egwene. ‘We komen niet ver met paarden die dood neervallen en wagens die in elkaar storten.’
‘Zoals u zegt, Moeder,’ zei de ander, niet echt nederig, maar wel in volmaakte aanvaarding.
Het lopen verging hen niet beter dan de vorige avond, en soms gleden ze weg. Ze haakten hun armen in elkaar en liepen langzaam door. Sheriam bood meer steun dan Egwene nodig had, maar ze deed het bijna slinks. De Amyrlin Zetel mocht voor de ogen van zo’n vijftig zusters en honderd dienaren niet op haar achterwerk vallen, maar ze mocht ook niet gezien worden als een gebrekkige vrouw die hulp nodig had.
De meeste Gezetenen die zich met Egwene verbonden hadden, onder wie Sheriam, hadden dat eenvoudig uit angst en uit zelfbehoud gedaan. Ze hadden zusters naar Tar Valon gestuurd om in de Witte Toren zusters om te praten. Nog erger was dat ze dit bovendien voor de Zaal verborgen hadden gehouden uit angst voor Duistervrienden onder de Gezetenen. Als de Zaal hierachter zou komen, zouden ze beslist de rest van hun leven in boetvaardige verbanning moeten doorbrengen. Dus merkten de vrouwen, die gemeend hadden Egwene als een speelpop aan hun touwtjes te laten dansen, dat ze nu een eed van trouw aan haar persoonlijk hadden gezworen. Dat kwam zelden voor, zelfs in de geheime verslagen. Er werd van zusters verwacht dat zij de Amyrlin gehoorzaamden, maar haar trouw zweren was iets heel anders. De meesten leken behoorlijk van streek, hoewel ze inderdaad gehoorzaamden. Er waren er weinig die zo erg waren als Carlinya, maar Egwene had echt Beonins tanden horen klapperen toen ze Egwene en Gezetenen voor het eerst na haar eed terugzag. Morvrin keek telkens verbaasd als haar ogen op Elayne vielen, alsof ze het nog steeds niet echt kon geloven, en Nisao fronste voortdurend. Anaiya had met haar tong geklakt over het geheim, en Mijrelle kromp vaak ineen, hoewel dat meer redenen had dan het zweren van deze eed. Maar Sheriam had zich gewoon geschikt in haar rol van Egwenes Hoedster der Kronieken, en ze deed niet alsof. ‘Mag ik naar voren brengen dat we deze kans aangrijpen om te zien wat deze streken ons aan voedsel en veevoer kunnen bieden, Moeder? Onze voorraden zijn klein.’ Sheriam keek haar ietwat gekweld aan. ‘Vooral thee en zout, hoewel ik betwijfel of we dat hier zullen vinden.’
‘Doe wat je kan,’ zei Egwene sussend. De gedachte dat ze ooit groot ontzag voor Sheriam had gehad en behoorlijk bevreesd was geweest voor haar gramschap, was haar nu vreemd. Het was al even vreemd dat Sheriam eigenlijk gelukkiger scheen nu ze geen Meesteres der Novices meer was en niet langer op alle mogelijke manieren probeerde om haar zin bij Egwene te krijgen, ik heb alle vertrouwen in je, Sheriam.’ De vrouw straalde zowaar door de lof. De zon was nog steeds niet boven de tenten en de wagens in het oosten opgekomen, maar in het kamp was het al een drukte van belang. Min of meer. Het ochtendmaal was gereed en de koks begonnen met schoonmaken, geholpen door een horde novices. Aan de ijver te zien schenen de jonge vrouwen wat warmte te vinden in het schuren van de ketels met sneeuw, maar de koks liepen moeizaam rond en strekten hun rug en stonden stil om uit te blazen of soms hun mantels dichter om zich heen te slaan en somber naar de sneeuw te staren. Bibberende bedienden, die bijna alle kleren droegen die ze bezaten, waren uit zichzelf begonnen om de tenten af te breken en de wagens op te laden zodra zij hun haastige maal op hadden. Nu waren ze druk doende om de tenten weer op te bouwen en kisten uit de wagens te hijsen. Dieren die ingespannen waren, werden nu weggeleid door vermoeide paardenknechten die hun hoofd lieten hangen. Egwene hoorde wat gemopper van mannen die niet in de gaten hadden dat er zusters in de buurt waren, maar de meesten leken te moe om te klagen.
De meeste Aes Sedai, van wie de tent weer was opgericht, waren erin verdwenen, maar een behoorlijk aantal gaf nog leiding aan het werk. Anderen haastten zich met een eigen taak over de in de sneeuw uitgelopen paden. In tegenstelling tot de andere mensen toonden zij even weinig vermoeidheid als de zwaardhanden. Zij slaagden er zonder meer in de indruk te wekken dat ze de nodige slaap voor deze mooie voorjaarsdag hadden gekregen. Egwene vermoedde dat het ook een manier was waarop een zuster kracht aan haar zwaardhand ontleende, naast de binding. Als haar zwaardhand niet wilde bekennen dat hij het koud had of v ermoeid of hongerig was, moest zij dat ook verdragen.
Op een zijpad verscheen Morvrin, die zich aan Takima’s arm vasthield. Misschien was het voor steun, hoewel Morvrin zo fors was dat de kleine vrouw nog kleiner leek dan ze feitelijk was. Misschien was het om te voorkomen dat Takima ervandoor ging. Als Morvrin zich eenmaal een taak had gesteld, bleef ze zich erin vastbijten. Egwene keek nadenkend. Het was niet vreemd dat Morvrin een Gezetene van haar Bruine Ajah opzocht, maar Egwene dacht dat Janya of Escaralde dan meer voor de hand zouden liggen. Het tweetal verdween uit het zicht achter een met zeildoek overhuifde wagen op glijders, terwijl Morvrin zich naar haar metgezel boog om in haar oor te praten. Ze kon niet zien of Takima er enige aandacht aan besteedde.
‘Is er iets, Moeder?’
Egwene liet een glimlach verschijnen, die strak aanvoelde. ‘Niet meer dan het gewone, Sheriam. Niet meer dan het gewone.’ Bij de werkkamer van de Amyrlin vertrok Sheriam om de taken uit te voeren die Egwene haar gegeven had. Ze ging naar binnen en merkte dat Selame alles klaar had. Ze zou zeer verbaasd zijn geweest als het anders was. De broodmagere vrouw zette net een dienblad op de schrijftafel. Op het lijfje van haar kleding zat tot aan de mouwen felgekleurd kralenwerk gestikt. Met haar lange, hoog opgetrokken neus leek ze op het eerste gezicht nauwelijks een dienares, maar ze had ervoor gezorgd dat het nodige gedaan was. Twee komforen vol gloeiende kolen hadden iets van de kilte in de lucht verdreven, hoewel de meeste warmte uit het rookgat verdween. De gedroogde kruiden die op de kolen gestrooid waren, verspreidden een aangename geur. Het dienblad van de avond ervoor was weg en kaarsen in de lantaarns waren gesnoten en aangestoken. Niemand liet een tent zo ver open dat het daglicht naar binnen kon vallen.
Siuan was er ook al, en toonde een gejaagde uitdrukking op haar gezicht. Ze had een stapel papieren in haar handen en een inktveeg op haar neus. Haar taak als schrijfster gaf het tweetal nóg een reden om samen gezien te worden, en Sheriam had het helemaal niet erg gevonden om dat werk op te geven. Maar Siuan mopperde wel voortdurend. Voor een vrouw die na haar novicetijd de Toren zelden meer verlaten had, toonde ze een opmerkelijke afkeer van binnen zitten. Nu had ze een gezicht opgezet van een vrouw die geduldig was en dat aan iedereen wilde laten weten.
Ondanks haar opgetrokken neus maakte Selame zoveel knixen dat het aannemen van Egwenes mantel en wanten uitdraaide op een ingewikkelde kleine plechtigheid. De vrouw bleef maar kletsen. Dat de Moeder haar voeten hoog moest leggen om ze rust te geven, dat de Moeder wellicht een reisdeken moest omslaan, en dat ze misschien beter kon blijven voor het geval de Moeder iets anders wilde, tot Egwene haar zowat de tent uitjoeg. De thee smaakte naar munt. Met dit weer! Selame was een verzoeking, en ze kon nauwelijks trouw worden genoemd, maar ze probeerde het goed te doen. Er was echter geen tijd om rond te hangen en van de thee te nippen. Egwene trok haar stola recht en nam plaats achter haar schrijftafel, terwijl ze gedachteloos tegen de stoelpoot schopte zodat de stoel niet onder haar in elkaar klapte, wat vaak gebeurde. Siuan zat op het puntje van een gammele kruk aan de andere kant van de tafel, en de thee werd koud. Ze spraken niet over plannen, of Garet Brin, of hoop. Wat gedaan had kunnen worden, was inmiddels gedaan. Verslagen en moeilijkheden stapelden zich tijdens de reis op, en hun vermoeidheid verhinderde pogingen om die af te handelen. Maar nu ze waren gestopt, moest alles doorgeploegd worden. Een leger dat hen opwachtte, veranderde daar niets aan.