Выбрать главу

Soms vroeg Egwene zich af hoe er zoveel papier kon worden gevonden terwijl al het andere zo moeilijk verkrijgbaar leek. Siuans verslagen vermeldden weinig meer dan bijzonderheden over de tekorten. Niet alleen aan thee en zout, maar ook aan kolen, hoefnagels en ijzer voor de hoefsmeden en wagenmakers, leer en oliedraad voor de tuigmakers, lampolie en kaarsen en honderden andere zaken, zelfs aan zeep. En wat niet opraakte, sleet. Van muilen en laarzen tot tenten. Alles was vastgelegd in Siuans forse handschrift, dat steeds hoekiger werd naar gelang de door haar beschreven nood feller werd gevoeld. Haar verslag van het resterende geld leek wel in pure woede op het papier te zijn gekrast. En er viel nu niets aan te doen. Bij Siuans papieren zaten verschillende stukken van Gezetenen die manieren voorstelden om het geldprobleem op te lossen. Of beter gezegd, die Egwene op de hoogte brachten van wat zij de Zaal wilden voorleggen. Aan al die plannen kleefden echter slechts weinig voordelen, en een heleboel nadelen. Moria Karentanis stelde voor om de soldij in te houden. Volgens Egwene besefte de Zaal allang dat zo’n denkbeeld hun leger zou doen wegsmelten als dauw onder een warme zomerzon. Malind Nachenin legde een smeekbede aan de dichtstbijzijnde edelen voor. Die klonk meer als een eis en zou mogelijk het hele platteland tegen hen in nemen. Dat gold ook voor Salita Toranes’ plan om tol te heffen op de steden en dorpen waar ze doorheen kwamen.

Egwene verfrommelde de drie stukken en hield ze dreigend op voor Siuan. Ze wou dat ze de kelen van de drie zusters zo kon vasthouden. ‘Geloven ze allemaal dat alles naar hun zin moet gaan, waarbij elke werkelijkheid vergeten kan worden? Licht, zij zijn het die zich als kinderen gedragen.’

‘De Toren is er al vaak genoeg in geslaagd om haar wensen in werkelijkheid om te zetten,’ zei Siuan verzoenend. ‘Vergeet niet dat sommigen zouden zeggen dat ook jij geen acht slaat op de werkelijkheid.’ Egwene snoof. Gelukkig maar dat geen enkel voorstel uitgevoerd kon worden zonder haar bekrachtiging, hoe de Zaal ook stemde. Zelfs in haar benarde omstandigheden had ze nog enige macht. Niet veel, maar dat was meer dan helemaal niets. ‘Handelt de Zaal altijd zo zwak, Siuan?’

Siuan knikte en verschoof iets om beter evenwicht te vinden. Geen enkele poot van haar kruk was even lang. ‘Maar het kan nog erger. Dat doet me denken aan het Jaar van de Vier Amyrlins, zo’n honderdvijftig jaar na de stichting van Tar Valon. In die dagen werkte de Toren bijna net wat er nu gebeurt. Iedere hand pakte elke kans aan om het roer te grijpen. Een gedeelte van dat jaar bestonden in Tar Valon twee tegenover elkaar staande Zalen van de Toren. Ongeveer zoals nu. Uiteindelijk liep het met bijna iedereen erg slecht af, waaronder enkele zusters die gemeend hadden de Toren te zullen redden. Sommigen zou het gelukt zijn, als ze niet in drijfzand waren beland. De Toren overleefde het uiteraard. Zoals altijd.’ In drieduizend jaar gebeurde er heel veel dat geschiedenis was geworden. Veel ervan werd in de doofpot gestopt, maar Siuan leek elke bijzonderheid te weten. Ze moest vele jaren in de Toren besteed hebben aan geschiedenis en had zich in vele geheimen verdiept. Van een ding was Egwene zeker. Ze zou Sheins noodlot onder alle omstandigheden proberen te vermijden, maar zoals het nu was, in weinig betere omstandigheden dan Cemaile Sorenthaine, wenste ze ook niet. Lang voor het einde van haar jaren was de belangrijkste beslissing die Cemaile restte, welke jurk ze zou dragen. Ze zou Siuan zeker vragen om haar over het Jaar van de Vier Amyrlins te vertellen, en ze keek er niet naar uit.

De voortkruipende lichtstraal die door het rookgat scheen, gaf aan dat de ochtend naar de middag kroop, maar Siuans stapel papieren leek amper dunner. Elke onderbreking zou haar’welkom zijn geweest, zelfs een voortijdige ontdekking. Nou, misschien dat niet. ‘Wat is het volgende, Siuan?’ gromde ze.

Iets van een beweging trof Aran’gars oog, en ze tuurde door de bomen naar het omringende legerkamp, dat de Aes Sedai-tenten in die kring verborgen hield. Een stoet sleewagens trok traag naar het oosten, begeleid door mannen te paard. Het bleke zonlicht glom op wapenrustingen en speerpunten. Ze kon het niet helpen dat ze spottend keek. Speren en paarden! Een achterlijk zootje dat niet sneller kon gaan dan een wandelaar, aangevoerd door een man die niet wist wat er honderd span verder gebeurde. Aes Sedai? Ze kon het hele stel vernietigen, en ze zouden tijdens het sterven niet eens ontdekken wie hen had gedood. Zij zou het uiteraard niet lang overleven. Die gedachte deed haar huiveren. De Grote Heer gaf maar weinigen een tweede kans en ze zou die van haar niet vergooien. Ze wachtte tot de ruiters volkomen in het bos verdwenen waren, en liep weer terug naar het kamp terwijl ze afwezig nadacht over de dromen van vannacht. Achter haar zou de zachte sneeuw tot aan de lentedooi verbergen wat ze daar begraven had, en dat was lang genoeg. Verderop merkten een paar mannen haar eindelijk op en kwamen overeind van hun werk om te kijken wie het was. Ondanks zichzelf glimlachte ze en streek haar rok glad. Het was moeilijk om zich echt te herinneren hoe het leven als man was geweest. Was ze toen echt zo dwaas geweest, zo makkelijk te bewerken? Zelfs voor haar was het moeilijk geweest om ongezien met een lijk door die massa heen te komen, maar ze genoot van de wandeling terug.

De dag strekte zich uit in een schijnbaar eindeloos geploeg door papieren, tot gebeurde wat Egwene wist dat zou gebeuren. Op zekere dagelijkse voorvallen kon je beslist rekenen. Het zou bitter koud zijn, er zou sneeuw zijn, wolken, en grijze luchten en wind. En Lelaine en Romanda zouden op bezoek komen.

Moe van het zitten was Egwene net haar benen aan het strekken toen Lelaine de tent in schreed, met Faolain op de hielen. Kille lucht stroomde mee naar binnen voor de tentflap dichtviel. Lelaine keek met een vaag afkeurende blik om zich heen en plukte haar blauwleren handschoenen af, terwijl ze Faolain toestond haar met boskathuid gevoerde mantel van haar schouders te nemen. Ze was een slanke vrouw, gekleed in diepblauwe zijde, met doordringende ogen, en ze gedroeg zich alsof ze in haar eigen tent was. Na een achteloos gebaar trok Faolain zich met de kleding eerbiedig terug in een hoek. Ze hield zich duidelijk klaar om meteen op een ander handgebaar van de Gezetene te vertrekken. Haar donkere trekken vertoonden iets van berustende nederigheid, wat zo weinig bij haar paste. Lelaines beheerste trekken vertrokken even voor een verrassend warme glimlach naar Siuan. Ze waren ooit, jaren geleden, vriendinnen geweest, en ze had haar zelfs iets aangeboden wat leek op de bescherming die Faolain had aanvaard. Onder de hoede van een Gezetene, met een beschermende arm tegen de spot en beschuldigingen van andere zusters. Lelaine raakte Siuans wang aan en mompelde iets wat vriendelijk klonk. Siuan bloosde, en verrassend genoeg flitste er iets onzekers over haar gezicht. Dit was niet gespeeld, daar was Egwene zeker van. Siuan vond het moeilijk om de echte veranderingen in haarzelf te aanvaarden en nog erger dat ze zich zo makkelijk aanpaste.

Lelaine keek naar de kruk bij de schrijftafel en zag, zoals gewoonlijk, af van zo’n wankele zitplaats. Pas toen erkende ze met het allerkleinste hoofdknikje Egwenes aanwezigheid. ‘We moeten over het Zeevolk spreken, Moeder,’ zei ze op een toon die tegen de Amyrlin Zetel nogal bazig klonk.