Выбрать главу

Lelaine nam het woord alsof er geen onderbreking geweest was. ‘Het belangrijkste is dat we erachter komen wat de Atha’an Miere willen,’ zei ze beslist. ‘Of wat de jongen doet. Misschien wil hij ook hun koning worden.’ Ze stak haar armen uit en stond Faolain toe haar in de mantel te helpen, wat de jonge vrouw omzichtig deed. ‘U vergeet me niet te melden of u hier gedachten over heeft, Moeder?’ Dat was nog nét een verzoek.

‘Ik zal er goed over nadenken,’ zei Egwene. Wat niet wilde zeggen dat ze zou zeggen wat ze ervan vond. Ze zou graag een glimp van een antwoord hebben. Ze wist dat de Atha’an Miere in Rhand hun voorspelde Coramoor zagen, hoewel de Zaal dat niet wist. Maar wat hij van hen wilde, of zij van hem, kon ze zich in de verste verte niet indenken. Volgens Elayne wisten de leden van het Zeevolk in Ebo Dar er niets over. Dat zeiden ze althans. Egwene had bijna gewild dat er een van het handjevol zusters die van de Atha’an Miere afkomstig waren, in het kamp was. Bijna. Hoe dan ook, die windvindsters zouden beslist moeilijkheden veroorzaken. Op een wenk van Romanda sprong Theodrin alsof ze gestoken was, naar voren met de mantel van de Gezetene. Aan Romanda’s gezicht te zien, was ze niet echt blij met de manier waarop Lelaine zich hersteld had. ‘Vergeet Merilille niet te zeggen dat ik haar wil spreken, Moeder,’ zei ze. En dat was helemaal geen verzoek. Even staarden de twee Gezetenen elkaar aan. Hun onderlinge afkeer deed hun Egwene weer vergeten. Ze vertrokken zonder nog een woord tegen haar te zeggen, en vochten bijna om voorrang te krijgen. Romanda glipte als eerste weg, met Theodrin in haar kielzog. Lelaine ontblootte haar tanden en duwde Faolain zowat voor zich uit de tent uit.

Siuan liet een hartgrondige zucht horen en deed geen poging om haar opluchting te verbergen.

‘Met uw welnemen, Moeder,’ mompelde Egwene spottend. ‘Als het u behaagt, Moeder. Je kunt gaan, dochters.’ Ze liet een lange ademteug ontsnappen en ging weer zitten. De stoel liet haar onverhoeds op de tapijten vallen. Ze krabbelde langzaam overeind en rukte haar rok en stola recht. Het was gelukkig niet in het bijzijn van die twee gebeurd. ‘Ga wat te eten halen, Siuan. En neem het mee terug. We hebben nog een lange dag voor ons.’

‘Sommige valpartijen doen minder pijn dan andere,’ zei Siuan bij zichzelf toen ze vertrok. Het was maar goed dat ze snel wegging, anders had Egwene haar wat laten horen.

Ze was echter algauw terug en ze aten harde broodjes en linzenstamppot, vermengd met harde wortels en flintertjes vlees, waar Egwene maar niet al te goed naar keek. Ze werden slechts enkele malen gestoord. Dan zwegen ze en deden of ze de verslagen doornamen. Chesa kwam het blad weghalen, en verving later de kaarsen, wat ze mopperend deed. Dat was helemaal niets voor haar. ‘Wie had ooit kunnen denken dat Selame ook zou verdwijnen?’ mompelde ze half in zichzelf. ‘Vast en zeker aan de rol met de soldaten. Die Halima heeft een slechte invloed.’

Een magere jonge kerel met een druipneus kwam de afgekoelde kolen in de komforen vervangen – de Amyrlin kreeg meer warmte dan de meesten, maar het was niet veel. Hij struikelde over zijn eigen laarzen en gaapte Egwene aan op een manier die na de wee Gezetenen heel welkom was. Sheriam verscheen met de ongelooflijke vraag of Egwene nog meer voor haar te doen had, en scheen toen te willen blijven. Misschien maakten de paar geheimen die zij kende, haar zenuwachtig; haar ogen schoten beslist verontrust heen en weer. Meer onderbrekingen waren er niet en Egwene vroeg zich af of dat kwam doordat niemand de Amyrlin onnodig durfde lastig vallen of doordat iedereen wist dat de Zaal de echte besluiten nam. ik weet niet wat ik moet denken van het verslag over krijgslieden die uit Kandor zuidwaarts trekken,’ zei Siuan, zodra de tentflap achter Sheriam was dichtgevallen. ‘Er is alleen dit ene verslag, en Grenslanders begeven zich zelden ver van de Verwording af, maar dat weet iedere dwaas, dus het is niet iets dat iemand zou verzinnen.’ Ze las dit niet van het blad voor.

Tot dusver was Siuan erin geslaagd om haar wankele greep op het netwerk van ogen-en-oren van de Amyrlin te behouden. Een gestage stroom van verslagen, geruchten en praatjes kwam op haar af en moest bekeken worden voor zij en Egwene beslisten wat aan de Zaal werd doorgegeven. Leanes netwerk zorgde voor een eigen stroom. Het meeste werd doorgegeven – sommige zaken móést de Zaal te horen krijgen, en het was niet zeker of de Ajahs doorgaven wat hun eigen verspieders opstaken – maar het moest allemaal doorgezift worden op wat gevaarlijk kon zijn, of wat kon dienen om de aandacht van het eigenlijke doel af te leiden.

De laatste tijd was er maar weinig goed nieuws geweest. Cairhien had een groot aantal geruchten opgeleverd over Aes Sedai die zich met Rhand hadden verbonden, of erger nog, hem dienden, maar die konden tenminste zonder meer verworpen worden. De Wijzen wilden weinig loslaten over Rhand of wie met hem te maken had, maar volgens hen wachtte Merana op zijn terugkeer. Dat zusters in het Zonnepaleis verbleven, waar de Herrezen Draak zijn eerste troon had staan, was beslist meer dan genoeg zaad voor zulke verhalen. Anderen waren minder gemakkelijk terzijde te schuiven, zelfs al was het moeilijk om er iets uit op te maken. Een drukker in Illian beweerde over bewijs te beschikken dat Rhand eigenhandig Mattin Stepaneos had gedood en het lichaam met de Ene Kracht had vernietigd. Een dokwerker aldaar beweerde weer gezien te hebben hoe de vroegere koning gebonden en gekneveld en gewikkeld in een kleed aan boord was gedragen van een schip, dat in de nacht was weggezeild met de zegen van de kapitein van de Havenwacht. Het eerste was veel waarschijnlijker, maar Egwene hoopte dat geen van de verspieders van de Ajahs dat verhaal had opgepikt. Rhands naam had al een te slechte klank bij de zusters.

En zo ging het maar door. De Seanchanen leken erg weinig tegenstand ondervonden te hebben in Ebo Dar en ze hadden er inmiddels een stevig bruggenhoofd gevestigd. Dat viel te verwachten in een land waar de feitelijke macht van de koningin niet verder reikte dan slechts een paar dagen van haar hoofdstad, maar het was niet hoopgevend. De Shaido schenen overal te zitten, hoewel die berichten altijd kwamen van iemand die het gehoord had van iemand die het gehoord had. De meeste zusters dachten dat het verspreiden van de Shaido Rhands werk was, hoewel de Wijzen dit tegen Sheriam hadden ontkend. Niemand wenste uiteraard in te gaan op de veronderstelde leugens van de Wijzen. Er werden honderden verontschuldigingen gebruikt, maar niemand was bereid hen in Tel’aran’rhiod te ontmoeten, behalve de zusters die Egwene trouw gezworen hadden, en zij moesten onder druk gezet worden. Anaiya noemde die ontmoetingen droogjes ‘tamelijk bondige lesjes in nederigheid’, maar ze leek er niets vermakelijks aan te vinden.

‘Er kunnen nooit zoveel Shaido zijn,’ mompelde Egwene. Er waren geen kruiden gelegd op het tweede laagje kolen, dat vaag gloeiend lag uit te doven, en haar ogen prikten in de dunne rook. Als men geleidde om ervan af te komen, zou dat ook de laatste warmte doen verdwijnen. ‘Een gedeelte moet het werk van rovers zijn.’ Want wie kon een verlaten dorp, waarvan de inwoners waren gevlucht voor vogelvrijen, onderscheiden van een dorp dat door de Shaido was ontvolkt? Vooral als het bericht uit de derde hand kwam. Of de vijfde. ‘Er zijn beslist genoeg rovers om een deel op hun geweten te hebben.’ De meesten noemden zich Draakgezworenen, wat bepaald niet hielp. Ze bewoog haar schouders om een paar spierknopen los te maken.

Ineens besefte ze dat Siuan zo ingespannen in het niets staarde dat ze elk moment van haar kruk kon vallen. ‘Siuan, val je in slaap? We hebben bijna de hele dag gewerkt, maar het is nog steeds licht.’ Er was licht door het rookgat te zien, hoewel het scheen te vervagen. Siuan knipperde met haar ogen. ‘Het spijt me. Er speelt de laatste tijd iets door mijn hoofd, en ik probeer te besluiten of ik het je moet vertellen. Over de Zaal.’