‘Dat kan me geen lor schelen! Ik kan moeilijkheden tegemoet treden zonder flauw te vallen —’
‘Dat weet ik, mijn ridder.’
‘Dank je. Maar als ik niet weet waar ik aan toe ben, word ik nerveus. Spreek dus.’
‘Ik zal elke vraag beantwoorden, Heer Omar. Daar ben ik altijd toe bereid geweest.’
‘Maar je weet dat ik niet weet welke vragen ik moet stellen. Misschien hoeft een postduif niet te weten waarom er oorlog wordt gevoerd, maar ik voel me als een mus die in een badmintonspel terechtgekomen is. Begin dus bij het begin.’
‘Zoals je wilt, Heer. Ongeveer zevenduizend jaar geleden —’ Ster zweeg. ‘Omar, wil je — nu — alle wisselwerkingen van de politiek weten van myriaden werelden en twintig universa gedurende tienduizenden jaren die tot de huidige crisis geleid hebben? Ik zal het proberen als jij het zegt, maar zelfs in grote trekken zou het meer tijd kosten dan ons rest voor we door die Poort heen móeten. Jij bent mijn trouwe ridder; mijn leven hangt van jouw moed en bekwaamheid af. Wil je de politieke achtergrond weten van mijn huidige hulpeloosheid, mijn bijna hopeloos hachelijke positie — als jij er niet was! Of zal ik me concentreren op de tactische situatie?’
(Verdomme! Ik hoefde het hele verhaal niet te weten.) ‘Laten we ons maar aan de tactische situatie houden. Voorlopig.’
‘Ik beloof je,’ zei ze plechtig, ‘dat ik je als we het overleven alle bijzonderheden zal vertellen. De situatie is deze: het was mijn bedoeling geweest Nevia per boot over te steken, dan door de bergen naar een Poort achter de Eeuwige Toppen te gaan. Die route is minder riskant, maar lang. ‘Maar nu moeten we ons haasten. We verlaten vanmiddag laat de weg en trekken dan door woest land en na donker zal het nog woester zijn. De Poort daar moeten we voor dageraad bereiken; als we geluk hebben kunnen we slapen. Ik hoop het, omdat deze Poort ons naar een andere wereld brengt via een veel gevaarlijker uitgang.
‘Als we daar eenmaal zijn, in die andere wereld — die wordt Hokesh genoemd, of Karth — in Karth-Hokesh, dan zijn we dicht, veel te dicht bij een hoge, anderhalve kilometer hoge toren en als we die bereiken beginnen onze moeilijkheden pas. Daarin bevindt zich de Nooit-Geborene, de Zielenverslinder —’
‘Ster, probeer je me bang te maken?’
‘Ik zou liever willen dat je nu bang bent, als dat mogelijk zou zijn, dan dat je later overrompeld wordt. Het was mijn bedoeling geweest, Heer, je over ieder gevaar te vertellen als we er aan toe waren, zodat je je op ieder gevaar afzonderlijk kon concentreren. Maar je hebt me anders bevolen.’
‘Misschien had je gelijk. Geef me de afzonderlijke bijzonderheden dan maar als we er aan toe komen en nu alleen de grote lijnen. Dus ik moet de Zielenverslinder bevechten, hè? De naam boezemt me geen vrees in; als hij mijn ziel tracht te verslinden, wordt hij misselijk. Waarmee moet ik hem bevechten? Spuug?’
‘Dat is een manier,’ zei ze ernstig, ‘maar met een beetje geluk zullen we hem — het — helemaal niet hoeven te bevechten. We willen hebben wat het bewaakt.’
‘En wat is dat?’
‘Het Ei van de Feniks.’
‘De Feniks legt geen eieren.’
‘Dat weet ik, Heer. Dat alleen al maakt het zo waardevol.’
‘Maar —’
Ze vervolgde snel. ‘Zo wordt het genoemd. Het is een klein voorwerp, iets groter dan een struisvogelei en zwart. Als ik het niet te pakken krijg, zullen er vele verschrikkelijke dingen gebeuren. Onder meer iets minder belangrijks: dan zal ik sterven. Dat vermeld ik omdat dat voor jou misschien wel belangrijk is — mijn lieveling! — en omdat het gemakkelijker is om dat ene feit te vermelden dan uit te leggen waar het allemaal precies om gaat.’
‘Oké. We stelen het Ei. En dan?’
‘Dan gaan we naar huis. Naar mijn huis. Waarna jij naar het jouwe mag terugkeren. Of bij mij blijven. Of gaan waarheen je wilt, door Twintig Universa en myriaden werelden. Wat de keus ook zal zijn, je krijgt alle schatten die je maar wilt hebben; die zul je verdiend hebben en meer dan dat... zowel als mijn diepgevoelde dank, Heer Held en alles wat je van me hebben wilt.’
(De grootste blanco cheque die ooit geschreven is — als ik hem zou kunnen innen.) ‘Ster, je schijnt niet te geloven dat we het zullen overleven.’
Ze slaakte een diepe zucht. ‘Er is weinig kans op, Heer. Ik zeg de waarheid. Mijn flater heeft ons voor een uitermate wanhopig alternatief gesteld.’
‘Juist. Ster, wil je met me trouwen? Vandaag?’
Toen zei ik: ‘Voorzichtig! Niet vallen!’ Ze had geen gevaar gelopen om te vallen; de veiligheidsgordel hield haar vast.
Maar ze zakte er tegen aan. Ik boog me naar haar over en legde mijn arm om haar schouders. ‘Er is niets om om te huilen. Je hoeft alleen maar ja of nee te zeggen — en vechten doe ik toch wel voor je. O, dat ben ik vergeten, ik houd van je. Tenminste, ik denk dat het liefde is. Een raar fladderig gevoel, elke keer dat ik naar je kijk of aan je denk — wat bijna aldoor is.’
‘Ik houd van je, Heer,’ zei ze hees. ‘Ik heb van je gehouden vanaf de eerste keer dat ik je zag. Ja, een ‘raar, fladderig gevoel’ alsof ik van binnen weg zal smelten.’
‘Nou, dat niet precies,’ zei ik. ‘Maar dat is waarschijnlijk een kwestie van tegenovergestelde polen. Fladderig wel. Rillingen en bliksemschichten. Hoe kunnen we in deze buurt trouwen?’
‘Maar, Heer — mijn liefste — je laat me altijd versteld staan. Ik wist wel dat je van me hield. Ik hoopte dat je me dat zou vertellen, voor — nou ja, op tijd. Laat me het eenmaal horen. Ik verwachtte niet dat je me zou vragen met je te trouwen!’
‘Waarom niet? Ik ben een man, jij bent een vrouw. Het is gebruikelijk.’
‘Maar — O, mijn liefste, ik heb het je toch verteld! Het is niet nodig om met me te trouwen. Volgens jouw maatstaven... ben ik een slet.’
‘Slet, heks, je zegt het maar. Wat heb je toch, schat? Dat heb jij gezegd, ik niet. Je hebt me er wel zowat van overtuigd dat de maatstaven die ik heb geleerd barbaars zijn en dat de jouwe de goede zijn. Snuit je neus maar eens — hier, wil je mijn zakdoek hebben?’
Ster veegde haar ogen af en snoot haar neus, maar in plaats van het ja-lieveling dat ik wilde horen zat ze rechtop en glimlachte niet. Ze zei vormelijk: ‘Heer Held, zou je de wijn niet proeven voor je er een heel vat van koopt?’
Ik deed alsof ik het niet begreep.
‘Alsjeblieft, Heer,’ drong ze aan. ‘Ik meen het. Iets verderop is er aan jouw kant een grasveld aan de kant van de weg. Daar kun je me op dit moment mee naar toe nemen en ik zal maar al te graag met je mee gaan.’
Ik rekte me uit en deed alsof ik er naar uitkeek. ‘Het lijkt op klitgras. Jeukerig.’
‘Z-z-zoek je eigen gras dan maar uit! Heer... ik ben bereid en verlangend en niet onknap — maar je zult merken dat ik een zondagsschilder ben vergeleken met artiesten die je nog zult ontmoeten. Ik ben een werkende vrouw. Ik heb geen tijd gehad aan de kwestie de toegewijde studie te geven die hij verdient. Geloof me! Nee, beproef me. Je kunt niet weten of je wel met me wilt trouwen.’
‘Dus je bent een koude en onhandige deern, hè?’
‘Nou... dat heb ik niet gezegd. Ik ben alleen volkomen ongeschoold — maar ik ben wel geestdriftig.’
‘Ja, zoals je tante met de volle slaapkamer — het zit in de familie, dat heb je verteld. Neem nu maar aan dat ik met je wil trouwen in weerwil van je kennelijke fouten.’
‘Maar —’
‘Ster, je praat te veel.’
‘Ja, Heer,’ zei ze deemoedig.
‘We gaan trouwen. Hoe doen we dat? Is de plaatselijke jonker ook vrederechter? Als dat zo is komt er niets van het droit du seigneur; we hebben geen tijd voor beuzelachtigheden.’
‘Iedere jonker is vrederechter,’ gaf Ster nadenkend toe, ‘en sluit huwelijken, hoewel de meeste Nevianen zich daar niet druk over maken. Maar — nou ja, hij zou het droit du seigneur verwachten en, zoals je opmerkte, we hebben geen tijd te verspillen.’