Выбрать главу

‘Ik zal haar nooit vergeten. Maar, Baas, zeeziekte is nog niet de helft. Jij denkt dat deze bossen vergeven zijn. Nou, in die bossen waar we heengaan — met knikkende knieën, ik tenminste — in die bossen zitten draken.’

‘Dat weet ik.’

‘Dus dat heeft Zij je verteld? Maar je moet het zien voor je het kunt geloven. De bossen zitten er vol mee. Meer dan er Jansens in Amsterdam zijn. Grote, kleine en de tweetons tiener-maat, die eeuwig en altijd honger hebben. Jij vindt het misschien leuk om door een draak te worden opgegeten; ik niet. Het is vernederend. En afdoend. Ze moesten draken-vergif sproeien, dat moesten ze doen. Het moest bij de wet verboden worden.’

Ster was teruggekomen. ‘Nee, het zou niet bij de wet verboden moeten worden,’ zei ze streng. ‘Rufo, je moet niet te keer gaan over dingen die je niet begrijpt. Het verstoren van het ecologische evenwicht is de grootste fout die een regering zou kunnen maken.’

Rufo hield verder tegenmompelend zijn mond. Ik zei: ‘Mijn enige liefste, wat heb je aan een draak? Leg me dat eens uit.’

‘Ik heb nooit een balans over Nevia opgemaakt, dat is mijn verantwoordelijkheid niet. Maar ik kan me de verschuivingen in het evenwicht voorstellen die het gevolg zouden zijn van een poging om de draken kwijt te raken — wat de Nevianen best zouden kunnen; je hebt gezien dat er met hun technologie niet valt te spotten. Die ratten en zwijnen vernielen de oogst. Ratten helpen de zwijnen in toom te houden door biggen op te eten. Maar voor de oogst zijn ratten nog erger dan zwijnen. Overdag grazen de draken in deze zelfde bossen — draken zijn dagdieren, ratten zijn nachtdieren en gaan op het heetst van de dag hun holen in. De ratten en de zwijnen vreten het struikgewas weg en de draken bijten de onderste takken af. Maar draken lusten ook wel een smakelijk ratje, dus als er een een rattenhol ontdekt spuwt hij er een vlam in, doodt niet altijd de volwassen ratten omdat ze voor ieder nest twee gangen graven, maar hij dood zeker alle kleintjes — en dan graaft de draak zich in en doet zich te goed aan zijn meestgeliefde hapje. Er bestaat al tijden lang een afspraak die neerkomt op een verdrag dat de mensen de draken niet zullen lastig vallen zolang ze op hun eigen terrein blijven en de ratten in toom houden.’

‘Maar waarom zou je de ratten niet doden en dan met de draken afrekenen?’

‘En de zwijnen hun gang laten gaan? Alsjeblieft, Heer Echtgenoot, in deze kwestie weet ik alle antwoorden niet; ik weet alleen maar dat het verstoren van een natuurlijk evenwicht een zaak is die slechts met angst en beven — en een veelzijdige computer — benaderd kan worden. De Nevianen schijnen er zich bij neer te leggen de draken niet lastig te vallen.’

‘Wij gaan ze kennelijk wel lastig vallen. Zal dat het verdrag verbreken?’

‘Het is geen echt verdrag, van de Nevianen is het volkswijsheid en van de draken een voorwaardelijke reflex — of misschien instinct. En we gaan geen draken lastig vallen als we het kunnen vermijden. Heb je de plannen met Rufo besproken? Als we er zijn is er geen tijd meer voor.’

Dus besprak ik met Rufo hoe we draken zouden doden terwijl Ster toeluisterde en haar laatste voorbereidingen beëindigde. ‘Goed,’ zei Rufo somber, ‘het is beter dan rustig zitten afwachten zoals een oester in zijn halve schelp wacht tot hij wordt opgegeten. Waardiger. Ik ben een beter boogschutter dan jij — of althans net zo goed — dus ik zal de achterkant nemen omdat ik vanavond niet zo behendig ben als anders.’

‘Als je maar klaar staat om te ruilen als hij zich omdraait.’

‘Zorg jij maar dat je klaar staat, Baas. Ik zal klaar zijn om de allerbeste reden die er is — mijn geliefde huid.’

Ster was klaar en Rufo had de vouwdoos ingepakt en op zijn rug gebonden terwijl we het een en ander bespraken. Ze bevestigde ronde kousenbanden boven iedere knie van ieder van ons, liet ons toen op de rots zitten met het gezicht naar onze bestemming gekeerd. ‘Die eikenhouten pijl, Rufo.’

‘Ster, is dit niet uit het boek van Albertus Magnus?’

‘Zoiets,’ zei ze. ‘Mijn formule is betrouwbaarder en de ingrediënten die ik op de kousenbanden gebruik, bederven niet. Alsjeblieft, Heer Echtgenoot, ik moet me concentreren op mijn toverij. Leg de pijl zo neer dat hij naar de grot wijst.’

Dat deed ik. ‘Is het zo nauwkeurig?’ vroeg ze.

‘Als de kaart die je me hebt laten zien nauwkeurig is, dan wel. Hij is precies gericht op wat mijn doel geweest is sinds we de weg verlaten hebben.’

‘Hoe ver weg is het Bos van de Draken?’

‘Eh, luister eens, mijn liefste, als we toch door de lucht gaan, waarom gaan we dan niet rechtstreeks naar de grot en slaan we de draken over?’

Ze zei geduldig: ‘Ik wou dat dat kon. Maar dat woud is van boven zo dicht dat we bij de grot niet recht kunnen dalen, daar is geen ruimte voor. En de dingen die hoog boven in die bomen wonen zijn erger dan draken. Ze —’

‘Alsjeblieft!’ zei Rufo. ‘Ik bén al zeeziek en we zijn nog niet eens van de grond.’

‘Later, Omar, als je het dan nog weten wilt. In ieder geval kunnen we niet het risico lopen ze tegen te komen — en dat zal ook niet gebeuren; ze blijven hoger dan de draken kunnen komen, dat moeten ze wel. Hoe ver is het naar het woud?’

‘Mmm, dertien kilometer volgens die kaart en de afstand die we afgelegd hebben — en dan niet meer dan drie naar de Grot van de Poort.’

‘Goed. Jullie moeten allebei je armen stevig om mijn middel leggen en onze lichamen moeten elkaar zoveel mogelijk raken; het moet op ons allemaal evenveel inwerken.’ Rufo en ik omarmden haar ieder met een arm en sloegen onze handen om haar buik in elkaar. ‘Zo is het goed. Stevig vasthouden.’ Ster schreef getallen op de rots naast de pijl.

Hij zeilde de nacht in en wij er achter aan. Ik begrijp niet hoe je kunt vermijden dit toverij te noemen, omdat ik geen enkele manier weet om Buck Rogers-gordels in elastieken kousenbanden in te bouwen. O, als je dat liever wilt, dan hypnotiseerde Ster ons en gebruikte daarna psi-krachten om ons dertien kilometer ver te dragen. ‘Psi’ is een beter woord dan ‘toverij’; eenlettergrepige woorden zijn sterker dan meerlettergrepige — zie Winston Churchills redevoeringen. Ik begrijp geen van beide woorden, net zomin als ik uit kan leggen waarom ik nooit verdwaal. Ik vind het alleen maar belachelijk dat anderen wel verdwalen.

Als ik in dromen vlieg, doe ik dat op twee manieren: de ene is een zwanenduik en dan schiet ik neer en dwarrel en maak bokkensprongen: de andere is zitten op de Turkse manier net als de Kleine Verlamde Prins en voortzeilen louter door de kracht van je persoonlijkheid.

Wij deden het op de laatste manier, alsof we vlogen in een zweefvliegtuig zonder zweefvliegtuig. Het was een prachtige nacht om te vliegen (alle nachten in Nevia zijn prachtig; ze hebben me verteld dat het er in het regenseizoen vlak voor de dageraad regent) en de grootste maan verzilverde de grond onder ons. De bossen werden minder dicht en werden bosjes bomen; het woud waar we heen koersten tekende zich zwart af tegen het verschiet, veel hoger en geweldig veel indrukwekkender dan de mooie bossen achter ons. Ver weg naar het westen ving ik een glimp op van de velden van het huis Lerdki.

We waren ongeveer twee minuten in de lucht geweest toen Rufo zei: ‘Neem me niet kwalijk’ en zijn hoofd omkeerde. Hij moet geen zwakke maag hebben; we kregen geen spatje. Het leek wel een boog van een fontein. Dat was het enige incident gedurende een volmaakte vlucht.

Vlak voor we de hoge bomen bereikten zei Ster krachtig: ‘Amech! We bleven hangen als een helikopter en maakten ons gereed voor een loodrechte drie-achtersten-landing. De pijl lag voor ons op de grond, weer volkomen levenloos. Rufo borg hem weer in zijn pijlenkoker. ‘Hoe voel je je?’ vroeg ik. ‘En hoe gaat het met je been?’

Hij slikte. ‘Been gaat goed. De grond gaat op en neer.’