Выбрать главу

‘Stil!’ fluisterde Ster. ‘Hij is zo weer in orde. Maar stil, als je leven je lief is.’

Enige ogenblikken later gingen we op weg, ikzelf met getrokken zwaard voorop, Ster achter me en Rufo haar als een schaduw volgend met een pijl op zijn boog en paraat. De verandering van maanlicht in zware schaduwen was verblindend en ik kroop voorwaarts voelend naar boomstammen en biddend dat er geen draak op het pad zat dat mijn richtingknobbel aangaf. Ik wist natuurlijk wel dat draken ’s nachts slapen, maar ik stel geen vertrouwen in draken. Misschien stonden de vrijgezellen wel op wacht, net als vrijgezellenbavianen doen. Ik wilde de ereplaats wel aan St. Joris afstaan en genoegen nemen met een plaatsje meer achteraan.

Eén keer hield mijn neus me tegen; een wolkje oude muskus. Ik bleef staan en werd me langzaam bewust van een vorm ter grootte van een makelaarskantoor — een draak die lag te slapen met zijn kop op zijn staart. Ik leidde ze er omheen zonder leven te maken en hopend dat mijn hart niet zo luidruchtig bonsde als het leek.

Mijn ogen waren nu beter aangepast, maakten gebruik van iedere manestraal die omlaag druppelde — en toen gebeurde er wat anders. De grond was bemost en een beetje fosforiserend zoals een rottende boomstam soms is. Niet veel. O, maar heel weinig. Maar het was net als met een donkerekamer-lamp, die bijna niets is als je binnengaat maar later meer dan genoeg licht geeft. Ik kon nu bomen zien en de grond — en draken.

Ik had eerder gedacht, o, wat zijn een paar dozijn draken in een groot bos? Er is veel kans op dat we er geen één zien, net zo als je bijna nooit herten ziet in een bos waar herten voorkomen.

De vent die de parkeervergunning voor de hele nacht pacht in dat bos kan een fortuin maken als hij eenmaal verzonnen heeft hoe hij draken moet laten betalen. Toen we eenmaal goed konden zien was er altijd wel een in de buurt.

Het zijn natuurlijk geen draken. Nee, ze zijn veel lelijker. Het zijn hagedisachtigen, lijken nog het meest op tyrannosaurus rex — een groot achterdeel en zware achterpoten, een zware staart en kortere voorpoten, die ze of gebruiken om te lopen of om hun prooi vast te houden. De kop bestaat voornamelijk uit tanden. Het zijn omnivoren terwijl ik begrepen heb dat t.rex alleen maar vlees at. Daar schiet je niets mee op; de draken eten vlees als ze het te pakken kunnen krijgen, ze geven er de voorkeur aan. Bovendien hebben deze niet-zo-erge-namaak-draken het charmante kunstje geleerd hun eigen rioolgas te verbranden. Maar geen enkele evolutionaire spitsvondigheid kan als vreemd beschouwd worden als je het vergelijkt met de manier waarop octopi de liefde bedrijven.

Eén keer ontvlamde er ver naar links een geweldige straal, met een grommend gebrul, net een heel oude krokodil. Het licht bleef verscheidene seconden schijnen en stierf toen weg. Je moet het mij niet vragen — misschien twee mannetjes die ruzie maakten om een wijfje. We bleven verder gaan, maar ik liep langzamer toen het licht doofde, want zelfs zo weinig was genoeg om invloed te hebben op onze ogen tot ons nachtelijk gezicht zich herstelde.

Ik ben allergisch voor draken — letterlijk, ik bedoel niet alleen dat ik er als de dood voor was. Allergisch op de manier die de arme oude Rufo voor dramamine was, maar meer zoals de invloed die kattenhaar op sommige mensen heeft.

Mijn ogen begonnen te tranen zodra we in dat woud waren, toen begon mijn voorhoofdsholte verstopt te raken en voor we een halve kilometer ver waren wreef ik met mijn linkervuist zo hard mogelijk over mijn bovenlip, met moeite trachtend niezen te voorkomen. Tenslotte kon ik het niet meer inhouden en duwde mijn vingers in mijn neusgaten en beet op mijn lippen en de ingehouden uitbarsting deed mijn trommelvliezen bijna barsten. Het gebeurde terwijl we om de achterkant trokken van een geval ter grootte van een vrachtauto-met-aanhangwagen; ik bleef stokstijf staan en zij ook en we wachtten af. Hij werd niet wakker.

Toen ik weer verder ging, kwam mijn geliefde dichter bij me en greep mijn arm; ik bleef weer staan. Ze greep in haar zak, vond iets zonder leven te maken, wreef het op mijn neus en in mijn neusgaten en beduidde toen met een zacht duwtje dat we verder konden gaan.

Eerst werd mijn neus ijskoud, net als met Vicks, toen verstijfde hij en even later was hij niet meer verstopt.

Na meer dan een uur van dit eindeloos durende spookachtige gesluip door hoge bomen en reusachtige gestalten dacht ik dat we ‘buut vrij’ gehaald hadden. De Grot van de Poort moest nu op niet meer dan honderd meter van ons verwijderd liggen en ik kon het hellen van de grond zien waar de ingang zou zijn — en er was maar één draak in de weg en die lag niet eens op ons pad.

Ik haastte me.

En daar had je dat kleine ding, niet groter dan een kleine kangoeroe en ongeveer dezelfde vorm afgezien van melktandjes van tien centimeter lengte. Misschien was hij nog zo jong dat hij ’s nachts nog wakker werd om een plasje te doen, dat weet ik niet. Ik weet alleen maar dat ik vlak langs een boom liep waar hij achter zat en dat ik op zijn staart trapte en dat hij piepte!

Daar had hij volkomen het recht toe. Maar toen brak de hel los. De volwassen draak tussen ons en de grot werd onmiddellijk wakker. Geen grote — zeg veertien meter met de staart inbegrepen.

De goede oude Rufo bond de strijd aan alsof hij eindeloos tijd gehad had om te repeteren. Hij vloog naar de achterkant van het beest met een pijl op zijn gespannen boog, gereed om bliksemsnel te schieten. ‘Laat ‘m zijn staart omhoog houden!’ riep hij uit.

Ik holde naar de voorkant en trachtte het beest in het harnas te jagen door te schreeuwen en met mijn zwaard te zwaaien, terwijl ik me afvroeg hoever die vlammenwerper kon spugen. Er zijn maar vier plaatsen waar je in een Neviaanse draak een pijl kunt plaatsen; de rest is gepantserd als een rhinoceros, maar zwaarder. Die vier zijn zijn bek (als die open staat), zijn ogen (een moeilijk schot: het zijn kleine varkensoogjes), en die plek vlak onder zijn staart waar bijna alle dieren kwetsbaar zijn. Ik had bedacht dat een pijl in dat tere gebied machtig zou bijdragen tot dat ‘jeukende, branderige’ gevoel waar ze het in de kleine advertenties op de achterpagina’s van kranten over hebben, die waarin staat ‘VERMIJD EEN OPERATIE!’

Het was mijn bedoeling dat de draak, niet al te pienter, als hij aan twee kanten tegelijk ondraaglijk geërgerd werd zijn coördinatie volkomen kwijt zou raken en wij op hem in zouden kunnen hakken tot hij volkomen onbruikbaar was of tot hij er misselijk van werd en er vandoor zou gaan. Maar ik moest hem zijn staart omhoog laten steken, om Rufo de kans te geven te schieten. Deze schepsels, topzwaar door hun buidel net als die ouwe t. rex vallen aan met kop en voorpoten omhoog en houden zich dan in evenwicht door hun staart omhoog te steken.

De draak stond met zijn kop heen en weer te zwaaien en ik probeerde de andere kant uit heen en weer te zwaaien om niet geraakt te worden als hij de vlammen aanschakelde — toen ik plotseling mijn eerste lading methaan te pakken kreeg, ik rook het voor het ontvlamde en ik trok me zo snel terug dat ik tegen die baby opbotste waar ik eerst op getrapt had, er overheen viel, op mijn schouders terecht kwam en omverrolde, en dat redde me. Die vlammen schieten zowat zeven meter vooruit. De volwassen draak steigerde en had me nog kunnen verbranden, maar de baby zat in de weg. Hij beet de vlam af — maar Rufo schreeuwde, ‘In de roos!’

De reden waarom ik me op tijd terugtrok was onzuivere adem. Ze zeggen dat ‘zuivere methaan een kleurloos, reukloos gas’ is. Dit spijsverteringsmethaan was niet zuiver; het zat zo vol met zelfgemaakte ketonen en aldehyden dat een plee zonder ongebluste kalk erbij vergeleken naar Chanel No. 11 rook.

Ik geloof, dat het feit dat Ster me die zalf had gegeven voor mijn verstopte neus mijn leven gered heeft. Als mijn neus verstopt is kan ik mijn eigen bovenlip niet eens ruiken.

De strijd werd niet gestaakt terwijl ik dit uitpuzzelde; al het denkwerk deed ik ervoor of erna, niet tijdens. Kort nadat Rufo in de roos geschoten had kreeg het beest een uiterst verontwaardigde blik in zijn ogen, opende zijn bek weer zonder vuur te spugen en trachtte met zijn beide voorpoten zijn achterwerk te bereiken. Dat kon hij niet — voorpoten te kort — maar hij probeerde het wel. Ik had mijn zwaard snel in de schede gestoken toen ik eenmaal de lengte van die vuurstraal gezien had en naar mijn boog gegrepen. Ik had net de tijd één pijl in zijn bek te krijgen — vermoedelijk de linkeramandel.