Ze tekende de goede paden in gloeiend rood, de verkeerde in groen — en er was heel wat meer groen dan rood. De vent die die toren ontworpen heeft had een kronkel in zijn hersens. Bij wat de hoofdingang scheen te zijn liep een pad naar binnen, steeg, vertakte zich en kwam weer in één punt samen, liep vlak langs het Vertrek van het Ei — daalde dan met een omweg weer af en zette je weer buiten, net als een doolhofpuzzel.
Andere routes gingen naar binnen en lieten je verdwalen in doolhoven die niet waren op te lossen door steeds de linkerwand te volgen. Als je dat deed, zou je van honger omkomen. Zelfs de routes die in rood waren aangegeven waren bijzonder ingewikkeld. Tenzij je wist waar het Ei bewaakt werd kon je op de juiste wijze binnentreden en toch het hele jaar en de komende januari besteden aan vruchteloos zoeken.
‘Ster, ben jij wel eens in de Toren geweest?’
‘Nee, Heer. Ik ben in Karth-Hokesh geweest. Maar ver weg in de Grottenheuvels. Ik heb de Toren alleen maar van heel uit de verte gezien.’
‘Iemand moet er toch in geweest zijn. Je — tegenstanders — hebben je deze kaart toch zeker niet gestuurd.’
Ze zei nuchter: ‘Heer, er zijn drieënzestig dappere mannen gestorven om de inlichtingen te verkrijgen die ik je nu aanbied.’
(Dus dit wordt dan de vierenzestigste!) Ik zei: ‘Is er een manier om alleen de rode paden te bestuderen?’
‘Zeker, Heer.’ Ze raakte een schakelaar aan en de groene lijnen verdwenen. De rode paden begonnen alle drie bij een van de drie openingen, een ‘deur’ en twee ‘ramen’.
Ik wees naar de onderste verdieping. ‘Is dit de enige van de dertig of veertig deuren die naar het Ei leidt?’
‘Zo is het.’
‘Dan zullen ze ons vlak achter die deur opwachten om ons neer te slaan.’
‘Dat lijkt heel waarschijnlijk, Heer.’
‘Hmmm...’ Ik wendde me tot Rufo. ‘Rufo, heb je ook lang, sterk, licht touw in je bagage?’
‘Ik heb wel wat, dat Jocko gebruikt om dingen mee op te hijsen. Net zoiets als vislijn, het breekpunt ligt ongeveer bij zevenhonderd kilo.’
‘Goed zo!’
‘Ik dacht wel dat je dat zou willen gebruiken. Is duizend meter genoeg?’
‘Ja. Heb je nog iets lichters?’
‘Wat zijden forellenlijn.’
Binnen een uur hadden we alle voorbereidingen gemaakt die ik verzinnen kon en ik had dat doolhof net zo vast in mijn gedachten als het alfabet. ‘Ster, liefje, we zijn klaar om weg te gaan. Wil je met je toverformule op de proppen komen?’
‘Nee, Heer.’
‘Waarom niet? Het kan beter snel gebeuren.’
‘Omdat ik dat niet kan, mijn lieveling. Deze Poorten zijn geen gewone poorten; er is altijd de kwestie van de juiste tijd. Deze hier zal over ongeveer zeven uur gereed zijn om zich enkele minuten te openen, en kan dan gedurende meerdere weken niet geopend worden.’
Er viel me een bittere gedachte in. ‘Als de kerels waar wij het op gemunt hebben dat weten, zullen ze toeslaan als we eruit komen.’
‘Dat hoop ik niet, Heer Ridder. Als het goed is, verwachten ze ons uit de Grottenheuvels te zien verschijnen, omdat ze weten dat we ergens in die heuvels een Poort hebben — en dat is ook de Poort die ik had willen gebruiken. Maar deze Poort, als ze er überhaupt van afweten, is zo slecht gesitueerd — voor ons — dat ik niet geloof dat ze denken dat we het zullen durven.’
‘Je kikkert me steeds meer op. Heb je nog iets bedacht dat je me kunt vertellen over hetgeen ons te wachten staat? Tanks? Cavalerie? Grote groene griezels met haar uit hun oren?’
Ze keek bekommerd. ‘Alles wat ik zeg zou je misleiden, Heer. We kunnen aannemen dat hun manschappen eerder constructies zullen zijn dan werkelijk levende wezens... wat betekent dat ze elke vorm kunnen hebben. Ook kan alles gezichtsbedrog zijn. Heb ik je over de zwaartekracht verteld?’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Vergeef me, ik ben moe en ik denk niet zo helder. De zwaartekracht wisselt, soms in het wilde weg. Een horizontaal vlak kan een dalende helling lijken en dan snel weer stijgen. Andere dingen... die allemaal gezichtsbedrog kunnen zijn.’
Rufo zei: ‘Baas, als het beweegt, schiet je het neer. Als het spreekt, snijd je het de keel af. Daar heeft het meeste gezichtsbedrog niet van terug. Je hebt geen programma nodig; er is niemand anders dan wij — en alle anderen. Als je dus twijfelt, dood je het. Geen moeilijkheden.’
Ik grinnikte tegen hem. ‘Geen moeilijkheden. Oké, we zullen ons wel zorgen maken als we er zijn. Laten we er dus maar niet meer over praten.’
‘Ja, Heer Echtgenoot,’ viel Ster me bij. ‘We moesten maar liever een paar uur gaan slapen.’
Iets in haar stem was veranderd. Ik keek naar haar en ze zag er ook bijna onmerkbaar anders uit. Ze leek kleiner, zachter, vrouwelijker en meer meegaand dan de Amazone die minder dan twee uur geleden pijlen had afgeschoten op een beest dat honderd keer zo groot was als zij.
‘Een goed idee,’ zei ik langzaam en keek om me heen. Terwijl Ster de doolhoven van de Toren had getekend, had Rufo weer ingepakt wat we niet mee konden nemen en — dat merkte ik nu pas — één slaapzak aan een kant van de grot neergelegd en de andere twee naast elkaar zo ver mogelijk van de eerste verwijderd.
Ik ondervroeg haar stilzwijgend door naar Rufo te kijken en mijn schouders op te halen, wat wilde zeggen: ‘Wat nu?’
Haar beantwoordende blik zei ja noch nee. In plaats daarvan riep ze: ‘Rufo, ga naar bed en geef dat been een kans. Ga er niet op liggen. Ga op je buik liggen of met je gezicht naar de muur.’
Voor het eerst toonde Rufo zijn afkeuring over hetgeen we gedaan hadden. Hij antwoordde kortaf, niet op hetgeen Ster had gezegd maar op hetgeen ze bedoeld had kunnen hebben: ‘Met geld toe zou ik nog niet kijken I’
Ster zei met een stem die zo zacht klonk dat ik haar nauwelijks kon horen: ‘Vergeef hem, Heer Echtgenoot. Hij is een oude man, hij heeft zijn nukken. Als hij eenmaal in bed ligt, zal ik de lichten uitdoen.’
Ik fluisterde: ‘Ster, mijn geliefde, toch is het niet mijn idee van het doorbrengen van je wittebroodsweken.’ Ze keek me onderzoekend aan. ‘Wil jij het zo, Heer liefste?’
‘Ja. Het voorschrift vereist een kroes wijn en een snee brood. Er staat nergens iets over een chaperonne. Het spijt me.’
Ze legde een slanke hand tegen mijn borst en keek naar me op. ‘Ik ben er blij om, Heer.’
‘Meen je dat?’ ik begreep niet waarom ze dat zei.
‘Ja. We hebben allebei slaap nodig. Voor wat morgen brengen zal. Dat jouw sterke arm ons nog vele morgens brengen zal.’
Ik voelde me prettiger en keek glimlachend op haar neer. ‘Oké, mijn prinses. Maar ik betwijfel of ik zal slapen.’
‘O, dat zul je zeker!’
‘Wedden?’
‘Luister naar me, Heer. Morgen... nadat je de overwinning hebt behaald... gaan we snel naar mijn huis. Geen wachten meer, geen moeilijkheden meer. Ik zou graag willen dat je mijn taal spreekt, zodat je je niet vreemd zult voelen. Ik wil dat het direct jouw huis is. Dus? Wil Heer Echtgenoot zich gereed maken om naar bed te gaan? Gaan liggen en mij hem een taalles laten geven? Je zult slapen, dat weet je best.’
‘Nou... het is een pracht-idee. Maar jij hebt zelfs nog meer slaap nodig dan ik.’
‘Neem me niet kwalijk, Heer, maar dat is niet waar. Na vier uur slaap heb ik weer een veerkrachtige gang en kan ik weer zingen.’
‘Nou dan...’
Vijf minuten later lag ik uitgestrekt te staren in de mooiste ogen van alle werelden en luisterde naar haar geliefde stem die zacht tot me sprak in een taal die mij vreemd was...
XIV
Rufo schudde me bij mijn schouder. ‘Ontbijt, Baas!’ Hij stopte me een broodje in mijn hand en een kan bier in de andere. ‘Dat is genoeg om op te vechten en de lunch is ingepakt. Ik heb schone kleren neergelegd en je wapens en ik zal je aankleden zodra je klaar bent. Maar haast je wel. Over een paar minuten moeten we opkomen.’ Hij was al gekleed en gewapend.