Ik denk dat we arriveerden toen de wacht werd afgelost op de plek die bekend staat als een Poort — en als we met onze zwaarden in de schede gearriveerd waren zouden we verslagen zijn. Zoals de zaken stonden hadden we er al een hoop gedood voor de meesten wisten dat er een gevecht aan de gang was. Ze waren totaal verslagen, gedemoraliseerd, en we slachtten de rest af, met inbegrip van hen die trachten ‘m te smeren. Karate en vele serieuze vormen van gevecht (boksen is niet serieus, dat is niets dat aan regels gebonden is) — werken allemaal op dezelfde manier: alles of niets, met hart en ziel tot de aanval overgaan zonder angst. Dit zijn niet zozeer bekwaamheden als een geesteshouding.
Ik had tijd om wijlen onze vijanden te onderzoeken; er lag er een met zijn gezicht naar me toe met zijn buik open. ‘Igli’s’ zou ik ze willen noemen, maar dan het goedkope model. Geen schoonheid en geen navels en niet veel hersens — vermoedelijk geconstrueerd om één ding te doen: vechten en trachten in leven te blijven. Wat ook een beschrijving van ons is — maar wij deden het sneller.
Ik werd misselijk van naar ze te kijken dus keek ik naar de lucht. Geen verbetering — het was geen fatsoenlijke lucht en ik kon hem maar niet scherp krijgen. Hij krioelde en de kleuren waren verkeerd, ze vloekten als sommige abstracte schilderijen. Ik keek weer naar onze slachtoffers, die er bijna plezierig uitzagen vergeleken bij die ‘lucht’.
Terwijl Rufo mij behandelde sjorde Ster zich in haar maillot en trok haar laarzen aan. ‘Kan ik rechtop gaan zitten om mijn jasje aan te trekken?’ vroeg ze.
‘Nee,’ zei ik. ‘Misschien denken ze dat we dood zijn.’ Rufo en ik hielpen haar zich verder aan te kleden zonder dat een van ons boven de barrikade van lijken uit kwam. Ik ben er zeker van dat we haar arm pijn deden maar ze zei alleen maar: ‘Bevestig mijn zwaard voor mijn linkerhand. Wat nu, Omar?’
‘Waar zijn de kousenbanden?’
‘Die heb ik. Maar ik ben er niet zeker van dat ze zullen werken. Dit is een zeer merkwaardige plaats.’
‘Zelfvertrouwen,’ zei ik tegen haar. ‘Dat heb je een paar minuten geleden tegen mij gezegd. Laat die hersentjes van je geloven dat je het doen kunt.’ We stelden ons en onze bagage, die nu vermeerderd was met drie ‘geweren’ plus vuistwapens van hetzelfde soort, op en richtten toen de eikenhouten pijl op de Anderhalve-Kilometer Hoge Toren. Die overheerste een hele kant van het landschap, het was meer een berg dan een gebouw, zwart en monsterachtig.
‘Klaar?’ vroeg Ster. ‘Nu moeten jullie beiden ook geloven!’ Ze krabbelde met haar vinger in het zand. ‘Vooruit!’
We gingen. Toen we eenmaal in de lucht waren realiseerde ik me wat een open doel we vormden — maar op de grond vormden we ook een doel voor iedereen die in de toren zat en als we waren gaan lopen was het nog erger geweest.
‘Vlugger!’ schreeuwde ik Ster in het oor. ‘Zorg dat we sneller gaan!’
Dat gebeurde. De wind snerpte langs onze oren en we steigerden en doken en slipten terwijl we over die wisselingen in de zwaartekracht vlogen, waar Ster me voor gewaarschuwd had — en misschien was dat onze redding; we vormden een zigzaggend doel. Maar als we de hele wacht te pakken hadden gekregen was het mogelijk dat niemand in de Toren wist dat we er waren.
De grond onder ons was grijs-zwarte woestijn omgeven door een ringmuur van bergen net als een maankrater, en de Toren nam de plaats in van de bergtop in de krater. Ik waagde nog een blik naar de lucht en trachtte het te begrijpen. Geen zon. Geen sterren. Geen zwarte of blauwe lucht — het licht kwam overal vandaan en de lucht bestond uit strepen en kokende vormen en schaduwgaten in alle kleuren.
‘Wat is dit in Godsnaam voor een planeet?’ vroeg ik.
‘Het is geen planeet,’ schreeuwde ze terug. ‘Het is een plaats in een ander soort universum. Het is ongeschikt voor bewoning.’
‘Toch woont er iemand.’ Ik wees op de Toren.
‘Nee, nee, daar woont niemand. Dat is alleen gebouwd om het Ei te bewaken.’
De monsterachtigheid van dat denkbeeld drong toen niet direct tot me door. Ik herinnerde me plotseling dat we hier niets durfden te eten of te drinken — en begon me af te vragen of we de lucht wel konden inademen als het hier allemaal zo giftig was. Mijn borst voelde beklemd en begon te branden. Dus vroeg ik er Ster naar en Rufo begon te kreunen. (Een beetje kreunen kwam hem wel toe; hij had niet overgegeven. Ik geloof tenminste van niet.)
‘O, minstens twaalf uur,’ zei ze. ‘Denk er maar niet aan. Het is van geen belang.’
Waarop mijn borst echt pijn ging doen en ik ook kreunde.
Vlak daarop werden we op de top van de Toren neergezet; Ster kon amper op tijd ‘Amech!’ uitbrengen om er niet voorbij te vliegen.
De top was vlak, scheen uit zwart glas te bestaan en was ongeveer tweehonderd meter in het vierkant — en er was helemaal niets om een touw aan te bevestigen. Ik had minstens op een ventilatiepijp gerekend.
Het Ei van de Feniks bevond zich op ongeveer honderd meter recht naar beneden. Ik had twee plannen bedacht voor als we ooit de Toren bereikten. Er waren drie openingen (uit honderden) die met goede paden naar het Ei leidden — en naar de Nooit-Geborene, de Zielenverslinder, de M.P. die het bewaakte. Een was er op de begane grond en die nam ik helemaal niet in aanmerking. Een tweede was een honderd meter van de grond af en daar had ik ernstig over gedacht: een pijl afschieten met een dunne lijn er aan zodat het touw over een uitsteeksel boven dat gat terecht kwam; dan dat gebruiken om het sterke touw daar te krijgen en dan langs het touw omhoog-geen moeilijkheid voor een kampioen alpinist, wat ik niet, maar Rufo wel was.
Maar de grote Toren bleek geen uitsteeksels te hebben, echt moderne eenvoud van ontwerp — te ver doorgevoerd. Het derde plan was ons, als we de top konden bereiken, aan een touw neer te laten naar de derde geen-namaak-ingang die zich bijna ter hoogte van het Ei bevond. Dus daar waren we dan, alles in orde — en niets om iets aan vast te binden.
Gedachten achteraf zijn geweldig — waarom had ik Ster ons niet recht in dat gat in de muur laten vliegen?
Nou, die gekke pijl had wel erg fijn ingesteld moeten zijn; we hadden in het verkeerde gat terecht kunnen komen. Maar het belangrijkste was dat ik er niet aan gedacht had.
Ster zat haar gewonde arm te verzorgen. Ik zei: ‘Liefje, kun je ons langzaam en voorzichtig een paar verdiepingen lager vliegen, naar dat gat dat we hebben moeten?’
Ze keek met een betrokken gezicht op. ‘Nee.’
‘O. Dat is jammer.’
‘Ik vind het naar om het je te zeggen — maar op die snelle vlucht zijn de kousenbanden doorgebrand. Die deugen nergens voor voor ik ze weer kan opladen. Geen dingen die ik hier kan krijgen. Groene bijvoet, hazenbloed — dat soort dingen.’
‘Baas,’ zei Rufo, ‘als we nu eens de hele top van de Toren als paal gebruikten om het touw aan te binden?’ ‘Hoe bedoel je dat?’
‘We hebben een heleboel touw.’
Het was een bruikbaar idee — met het touw om de hele Toren heenlopen terwijl iemand anders het bittere einde vasthield, het dan aan elkaar binden en afdalen langs wat er overbleef. Dat deden we — en we kwamen maar een meter of dertig tekort terwijl het een touw van duizend meter was.
Ster zat naar ons te kijken. Toen ik moest toegeven dat dertig meter te kort net zo beroerd was als helemaal geen touw zei ze nadenkend: ‘Ik vraag me af of Aarons Staf zou helpen?’
‘Vast wel, als hij boven op deze uit zijn krachten gegroeide pingpong tafel stond. Wat is Aarons Staf?’
‘Die maakt stijve dingen slap en slappe dingen stijf. Nee, nee, dat niet. Nou ja, dat ook, maar wat ik bedoel is dit touw over het dak leggen en het aan de andere kant een meter of drie laten afhangen. Dan dat eind en het stuk wat er overheen ligt zo hard als staal maken — een soort haak.’