‘Kun je dat?’
‘Ik weet het niet. Het is uit de Sleutel van Salomo en het is een toverformule. Het hangt ervan af of ik me die kan herinneren — en of zulke dingen werken in dit universum.’
‘Zelfvertrouwen! Zelfvertrouwen! Natuurlijk kun je het.’
‘Ik weet niet eens meer hoe het begint. Lieveling, kun je hypnotiseren? Rufo kan het niet — mij althans niet.’
‘Ik weet er niets van af.’
‘Je moet precies doen wat ik met jou doe voor een taalles. Me in de ogen kijken, zacht spreken en me zeggen dat ik me de woorden moet herinneren. Misschien is het beter dat je eerst het touw klaar legt.’
Dat deden we en ik gebruikte dertig meter in plaats van drie voor de ankerlip van de haak, volgens het meer-is-beter-principe. Ster ging achterover liggen en ik begon tegen haar te praten, zachtjes (en zonder overtuiging), maar steeds weer hetzelfde.
Ster sloot haar ogen en scheen te slapen. Plotseling begon ze in een vreemde taal te mompelen.
‘Hé, Baas! Het verdomde ding is zo hard als een steen en zo stijf als een hark!’
Ik zei tegen Ster dat ze moest ontwaken en we gleden zo snel mogelijk naar een lagere verdieping, biddend dat het touw niet ineens slap zou worden. We verplaatsten het touw niet; ik liet Ster gewoon nog een stuk stijf laten worden, toen daalde ik af, overtuigde me ervan dat we de goede opening te pakken hadden, drie rijen naar beneden en veertien opzij, toen gleed Ster naar beneden en ik ving haar in mijn armen op; Rufo liet de bagage, voornamelijk wapens, zakken en volgde. We waren in de Toren en we waren nog niet langer op de planeet — correctie: de ‘plaats’ — nog niet langer op de plaats genaamd Karth-Hokesh geweest dan veertig minuten.
Ik bleef staan, vergeleek het gebouw in gedachten met de schetsblok-kaart, stelde de richting en de ligging van het Ei vast en de ‘rode streep’ route, het goede pad er naar toe.
Oké, een paar honderd meter naar binnen, het Ei van de Feniks gappen en wegwezen! Mijn borst deed geen pijn meer.
XV
‘Baas,’ zei Rufo, ‘kijk eens over de vlakte.’
‘Waarnaar?’
‘Naar niets,’ antwoordde hij. ‘Die lijken zijn verdwenen. Die zou je vast en zeker moeten kunnen zien tegen dat zwarte zand, terwijl er nog geen struik in je gezichtsveld staat.’
Ik keek niet. ‘Dat is een probleem voor iemand anders, verdomme. Wij hebben wel wat anders te doen. Ster, kun je schieten met je linkerhand? Eén van die pistool-gevallen?’
‘Jazeker, Heer.’
‘Jij blijft drie meter achter me en schiet op alles wat zich beweegt. Rufo, jij volgt Ster met je boog paraat en een pijl erop. Mik op alles wat je ziet. Hang een van die geweren aan je schouder — maak een lus van een stuk touw.’ Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘We zullen het meeste van dit spul moeten achterlaten. Ster, jij kunt geen boog spannen, laat die dus achter, als is hij ook nog zo mooi en je pijlenkoker ook. Rufo kan mijn koker bij de zijne hangen; we gebruiken dezelfde pijlen. Ik vind het beroerd om mijn boog achter te laten, ik ben er zo aan gewend. Maar het moet. Verdomme.’
‘Ik zal hem wel dragen, mijn Held.’
‘Nee, alle rommel die we niet gebruiken kunnen moeten we afdanken.’ Ik maakte mijn veldfles los, nam een flinke slok en gaf hem door. ‘Maken jullie hem leeg en gooi hem weg.’ Terwijl Rufo dronk, hing Ster mijn boog om. ‘Heer Echtgenoot? Op deze manier weegt hij niets en zit hij de arm waarmee ik schiet niet in de weg. Dus?’
‘Nou ja — als je er last van krijgt, snij het koord dan door en vergeet hem verder. Drink volop en dan gaan we.’ Ik tuurde door de gang waarin we ons bevonden — vijf meter breed en net zo hoog, nergens vandaan verlicht en een bocht naar rechts makend, wat overeenkwam met het beeld in mijn gedachten. ‘Klaar? Dicht bij elkaar blijven. Als we het niet kapot kunnen snijden, het neerschieten of met een pijl afmaken, zullen we het begroeten.’ Ik trok mijn zwaard en we gingen in een snel marstempo op weg.
Waarom mijn zwaard en niet een van die dodelijke straalgeweren? Ster had er daar een van en wist er veel meer van af dan ik. Ik wist niet eens hoe je kon zien dat het geladen was, en ik kon ook niet beoordelen hoe lang je op die knop moest drukken. Zij kon schieten, dat bewees haar boogschutterskunst en ze was in het gevecht minstens zo kalm als Rufo of ik.
Ik had de wapens en de manschappen ingedeeld zo goed ik kon. Rufo, in de achterhoede met een voorraad pijlen, kon ze gebruiken als dat nodig was en zijn positie gaf hem de tijd om over te gaan of tot zijn zwaard of het Buck Rogersgeweer als hij dat nodig oordeelde — en dat hoefde ik hem heus niet te vertellen; hij zou het echt wel doen.
Dus ik werd bijgestaan door antieke zowel als ultramoderne wapens op de lange afstand, in handen van mensen die wisten hoe ze te gebruiken en het passende temperament bezaten — dat laatste was het belangrijkste. (Weet je hoeveel mannen in een peloton werkelijk schieten tijdens een gevecht? Misschien zes. Vermoedelijk maar drie. De rest verstijft.)
Maar toch, waarom stak ik mijn zwaard niet in de schede en gebruikte ik niet een van die wonderwapens? Een juist uitgebalanceerd zwaard is het meest veelzijdige wapen voor een handgemeen dat ooit uitgevonden is. Pistolen en geweren zijn allemaal offensief, niet defensief; als je hem snel benadert kan een man met een geweer niet schieten, hij moet je tegenhouden voor je hem bereikt. Benader een man met een lemmet in zijn hand en je wordt gespietst als een kip aan het spit — tenzij je ook een lemmet hebt en het beter kunt gebruiken dan hij.
Een zwaard blijft nooit steken, hoeft nooit opnieuw geladen te worden, staat altijd klaar. De grootste tekortkoming is dat het grote vaardigheid vereist en geduldige, liefdevolle oefening om die vaardigheid te bereiken; je kunt het ongeoefende rekruten niet in een paar weken leren, niet eens in een paar maanden.
Maar voor alles (en dat was de ware reden) gaf de greep van Vrouwe Vivamus en het voelen van haar verlangen om toe te bijten me moed als mijn mond droog was van angst.
Ze (wie ‘ze’ ook mochten zijn) konden ons uit een hinderlaag beschieten, ons vergassen, booby-traps voor ons leggen, van alles. Maar dat konden ze allemaal ook als ik een van die vreemde geweren droeg. Met het zwaard in de hand voelde ik me ontspannen en onbevreesd — en dat was veiliger voor mijn kleine ‘onderdeel’. Als een bevelvoerend officier een konijnenpootje nodig heeft, dan moet hij dat bij zich dragen — en de greep van dat zoete zwaard hielp veel beter dan alle konijnenpootjes in Kansas.
De gang strekte zich voor ons uit, zonder onderbreking, zonder geluid, zonder bedreiging. Spoedig zou de opening naar de buitenwereld niet meer te zien zijn. De grote Toren voelde leeg aan, maar niet levenloos; hij leefde zoals een museum ’s nachts leeft, vol met geesten en oud kwaad. Ik greep mijn zwaard stevig vast, ontspande me toen bewust en boog mijn vingers.
We kwamen bij een scherpe bocht naar links. Ik bleef plotseling staan. ‘Ster, dit stond niet op je kaart.’ Ze antwoordde niet. Ik hield voclass="underline" ‘Nou, het stond er niet op. Of wel?’
‘Ik ben er niet zeker van, Heer.’
‘Nou, ik wel. Hmm —’
‘Baas,’ zei Rufo, ‘ben je er absoluut van overtuigd dat we door het goede gat zijn binnengekomen?’
‘Ik ben ervan overtuigd. Ik kan ongelijk hebben, maar ik ben ervan overtuigd — en als ik ongelijk heb zijn we toch ten dode opgeschreven. Mmm — Rufo, pak je boog, zet je hoed erop en steek hem om die hoek waar een staande man om de hoek zou kijken — en doe het op het moment dat ik om de hoek kijk, maar lager.’
Ik ging op mijn buik liggen.
‘Klaar... nu!’ Ik keek heimelijk om de hoek op vijftien centimeter boven de vloer terwijl Rufo hoger probeerde vuur te trekken.
Niets te zien, alleen de lege gang, die nu weer recht was.