‘Oké, volg me!’ We liepen haastig de hoek om. Na enkele passen bleef ik staan. ‘Wat is er verdorie aan de hand?’
‘Gaat er iets verkeerd, Baas?’
‘Een heleboel.’ Ik keerde me om en snoof. ‘Zo fout als het maar kan. Het Ei is daarboven,’ zei ik wijzend, ‘op misschien tweehonderd meter afstand — volgens die schetsblok-kaart.’
‘Is dat niet goed?’
‘Ik ben er niet zeker van. Want het bevond zich in dezelfde richting en onder dezelfde hoek, naar links, vóór we die hoek omgingen. Dus nu zou het rechts moeten zijn.’
Rufo zei: ‘Kijk eens, Baas, waarom volg je niet gewoon de gangen die je uit je hoofd geleerd hebt? Misschien herinner je je niet ieder klein —’
‘Hou op. Kijk jij vooruit, de gang langs. Ster ga daar op de hoek staan en kijk naar me. Ik ga iets proberen.’
Ze namen hun plaatsen in, Rufo ‘gericht’ en Ster waar ze beide kanten op kon kijken, bij de rechte hoek. Ik liep terug naar het eerste gedeelte van de gang en keerde me toen om. Vlak bij de hoek deed ik mijn ogen dicht en liep door. Na een twaalftal passen bleef ik staan en deed mijn ogen open. ‘Dat bewijst het,’ zei ik tegen Rufo.
‘Wat bewijst het?’
‘Die gang maakt geen hoek.’ Ik wees naar de hoek.
Rufo zag er bekommerd uit. ‘Baas, hoe voel je je?’ Hij trachtte mijn wang te voelen.
Ik trok me terug. ‘Ik heb geen koorts. Gaan jullie allebei met me mee.’ Ik nam ze mee terug de hoek om, liep nog een vijftien meter en bleef toen staan. ‘Rufo, schiet een pijl naar de muur tegenover ons bij de hoek. Richt hem zo dat hij de muur op een hoogte van drie meter raakt.’
Rufo zuchtte, maar deed het. De pijl verhief zich en verdween in de muur. Rufo haalde zijn schouders op. ‘Moet daarboven nogal zacht zijn. Je bent een pijl kwijt, Baas.’
‘Misschien. Neem je plaatsen in en volg me.’ We gingen weer die hoek om en daar lag de gebruikte pijl iets verder op de vloer dan de afstand tussen het afvuren en de hoek. Ik liet Rufo hem oprapen; hij tuurde naar het zegel van de Doral bij de pluim en stopte hem terug in zijn koker. Hij zei niets. We liepen verder.
We bereikten een plek waar treden naar beneden leidden — maar waar de kaart in mijn gedachten opgaande treden vereiste. ‘Pas op de eerste tree,’ riep ik achterom. ‘Voel er met je voet naar en val niet.’
De treden voelden normaal aan voor neergaande treden — behalve dat mijn richtingknobbel me vertelde dat we klommen, en onze plaats van bestemming wijzigde dienovereenkomstig van hoek en afstand. Ik sloot mijn ogen om snel een proef te nemen en merkte dat ik inderdaad klom, alleen werden mijn ogen misleid. Het was net een van die ‘scheve huizen’ in lunaparken waarin een ‘horizontale’ vloer allesbehalve horizontaal is — net zo, maar dan tot de nde macht.
Ik trok de nauwkeurigheid van Sters kaart niet meer in twijfel en volgde het pad in mijn gedachten, wat mijn ogen me ook vertelden. Toen de gang zich in vieren splitste, terwijl mijn geheugen slechts een tweesprong toonde, waarvan een tak dood liep, sloot ik zonder aarzelen mijn ogen en volgde mijn neus — en het Ei bleef waar het in mijn gedachten hoorde.
Maar het Ei kwam niet noodzakelijkerwijs met iedere bocht en hoek dichterbij behalve in die zin dat een rechte lijn niet de kortste afstand tussen twee punten vormt — is dat wel ooit zo? Het pad kronkelde als ingewanden; de architect had een krakeling als liniaal gebruikt. Wat nog erger was, toen we een trap ‘opklommen’ — op een stuk dat volgens de kaart horizontaal was — kreeg een anomalie van de zwaartekracht ons met een hoek van honderdtachtig graden te pakken en gleden we plotseling over het plafond.
Er werd geen schade aangericht, behalve dat het weer van richting veranderde toen we op de grond terecht kwamen en ons van het plafond op de vloer gooide. Zorgvuldig rondkijkend hielp ik Rufo met het verzamelen van zijn pijlen en we gingen weer verder. We kwamen nu dicht bij het hol van de Nooit-Geborene — en het Ei.
De gangen begonnen smal en steenachtig te worden, de verkeerde nepbochten werden krap en moeilijk te nemen — en het werd donkerder.
Dat was nog niet het ergste. Ik ben niet bang van het donker en van beklemmende plaatsen; er is een lift in een warenhuis tijdens de uitverkoop voor nodig om mij claustrofobie te geven. Maar ik begon ratten te horen.
Ratten, een heleboel ratten, hollend en piepend in de muren om ons, onder ons, en boven ons. Ik begon te zweten en betreurde het dat ik zoveel water had gedronken. De duisternis en het benauwende werden erger, tot we door een ruwe tunnel in de rotsen kropen, toen schoven we centimeter voor centimeter vooruit op onze buik in volkomen duisternis alsof we door een tunnel Château d’If ontvluchtten... en de ratten liepen nu piepend en met hun tanden klapperend rakelings langs ons heen.
Nee, ik gilde niet. Ster kroop achter me en zij gilde niet en klaagde niet over haar gewonde arm — dus ik kon niet gillen. Iedere keer dat ze iets vooruit kwam, klopte ze me op mijn voet om me te vertellen dat alles met haar in orde was en te rapporteren dat Rufo ook in orde was. We verspilden onze krachten niet met praten.
Ik zag iets vaags, twee spookachtige lichten voor me uit en ik bleef liggen en staarde ernaar en knipperde met mijn ogen en staarde weer. Toen fluisterde ik tegen Ster: ‘Ik zie iets. Verroer je niet, terwijl ik verder ga om te kijken wat het is. Hoor je me?’
‘Ja, Heer Held.’
‘Zeg het ook tegen Rufo.’
Toen deed ik het enige werkelijk moedige dat ik ooit van mijn leven heb gedaan: ik kroop verder. Moed houdt zich op de een of andere manier staande, ook als je zo doodsbang bent dat je sluitspier het niet meer houdt en je geen adem kunt halen en je hart dreigt stil te staan en dat is een exacte beschrijving van dat gewichtige ogenblik voor ex-Soldaat Eerste Klas E.C. Gordon, held van beroep. Ik was er zo goed als zeker van wat die twee flauwe lichten waren en hoe dichter ik erbij kwam hoe zekerder ik ervan werd — ik kon het vervloekte ding ruiken en zijn omtrekken onderscheiden.
Een rat. Niet de gewone rat die in achterbuurten van steden leeft en soms aan baby’s knabbelt, maar een reuzenrat, groot genoeg om dat rattenhol te blokkeren, maar zoveel kleiner dan ik dat hij ruimte had om zich te bewegen als hij me aanviel — ruimte die ik helemaal niet had. Het beste wat ik kon doen was naar voren te friemelen met mijn zwaard voor me uit en te trachten de punt zo te houden dat ik hem ermee kon raken, hem staal kon laten proeven — want als hij die punt kon ontwijken zou ik niets anders hebben dan mijn blote handen en geen ruimte om ze te gebruiken. Dan zou hij me in mijn gezicht vliegen.
Ik slikte zuur speeksel door en ging voetje voor voetje verder. Zijn ogen daalden iets alsof hij in elkaar kromp voor de aanval.
Maar er kwam geen aanval. De lichten werden duidelijker en kwamen verder van elkaar te staan en toen ik nog een halve meter verder drong besefte ik met bevende opluchting dat het geen rattenogen waren, maar iets anders — wat dan ook, het kon me niet schelen wat.
Ik bleef voetje voor voetje verdergaan. Niet alleen bevond het Ei zich in die richting, maar ik wist nog steeds niet wat dit was en dat moest ik toch weten voor ik Ster verder liet gaan.
De ‘ogen’ waren twee speldenprikken in een tapijt dat voor de uitgang van dat rattenhol hing. Ik kon het geborduurde weefsel zien en ik merkte dat ik door een van de slijtgaten heen kon kijken toen ik er dichterbij kwam.
Daar achter lag een grote kamer, de vloer bijna een meter lager dan waar ik me bevond. Aan de andere kant, vijftien meter van me verwijderd, stond een man bij een bank een boek te lezen. Terwijl ik naar hem keek sloeg hij zijn ogen op en wierp een blik in mijn richting. Hij scheen te aarzelen. Ik niet. Het gat was zoveel breder geworden, dat ik erin slaagde een voet onder me te krijgen en ik sprong vooruit met mijn zwaard terwijl ik het gobelin opzijzwaaide. Ik struikelde en kwam in gevechtshouding op mijn voeten terecht.