Hij was minstens zo snel. Hij had het boek op de bank gesmeten en zelf ook zijn zwaard getrokken en kwam op me toe, terwijl ik uit dat gat sprong. Hij bleef staan met gebogen knieën, rechte pols, linkerarm achteruit, de punt van zijn zwaard naar me toe als een volmaakte schermmeester en bekeek me. Er was nog een ruimte van een meter of meer tussen onze zwaarden.
Ik viel hem niet aan. Er is een alles-of-niets tactiek, die door de beste schermmeesters wordt onderwezen, die bestaat uit een onstuimige nadering met arm, pols en lemmet zo ver mogelijk uitgestrekt — alleen maar aanval en geen poging om te pareren. Maar die werkt alleen door volmaakt te timen wanneer je tegenstander een ogenblik verslapt. Anders is het zelfmoord.
Deze keer zou het zelfmoord geweest zijn; hij was zo paraat als een kater met een gekromde rug. Dus taxeerde ik hem terwijl hij mij opnam. Hij was een nogal kleine, nette man met armen die lang waren voor zijn grootte — ik zou al of niet verder kunnen reiken dan hij, vooral omdat zijn rapier van een ouder model was, langer dan Vrouwe Vivamus (maar daardoor langzamer, tenzij hij een veel sterkere pols had) — en hij was meer gekleed voor het Parijs van Richelieu dan voor Karth-Hokesh. Nee, dat is niet eerlijk; de grote zwarte Toren kende geen mode, anders zou ik met mijn namaak Robin Hood uitrusting net zo uit de mode geweest zijn. De Igli’s die we gedood hadden hadden geen kleren gedragen.
Hij was een lelijk eigenwijs mannetje met een vrolijke grijns en de grootste neus ten westen van Jimmy Durante — hij deed me denken aan de neus van mijn eerste sergeant, die was altijd op zijn teentjes getrapt als hij ‘Kokkerd’ werd genoemd. Maar daar hield de gelijkenis op; mijn eerste sergeant glimlachte nooit en had gemene varkensoogjes; deze man had vrolijke, trotse ogen.
‘Ben je Christen?’ vroeg hij.
‘Wat heb jij daarmee te maken?’
‘Niets. Bloed is bloed, hoe dan ook. Als je Christen bent, biecht dan. Als je heiden bent, roep je valse goden dan aan. Ik sta je niet meer dan drie strofen toe. Maar ik ben sentimenteel, ik weet graag wie ik dood.’
‘Ik ben Amerikaan.’
‘Is dat een land? Of een ziekte? En wat doe je in Hoax?’
‘ ‘Hoax’? Hokesh?’
Hij haalde zijn schouders alleen met zijn ogen op, de punt van zijn zwaard bewoog niet. ‘Hoax, Hokesh — een kwestie van aardrijkskunde en accent; dit kasteel heeft eens in de Karpathen gestaan, dus zal het Hokesh heten als je dan vrolijker sterft. Komaan, laten we zingen.’ Hij naderde zo snel en glad dat hij voor me scheen te materialiseren, en onze lemmets klonken tegen elkaar terwijl ik zijn aanval pareerde in de zesde positie en terugstootte, opgevangen werd — remise, reprise, stoot en val aan — de frasering verliep zo glad en duurde zo lang en met zoveel variaties dat een toeschouwer gedacht zou kunnen hebben dat we een Groot Saluut maakten.
Maar ik wist wel beter! Die eerste uitval was bedoeld om me te doden en dat was de bedoeling van ieder van zijn zetten tijdens de frasering. Tegelijkertijd taxeerde hij me, beproefde mijn pols, keek uit naar zwakheden, of ik bang was voor een lage aanval en altijd weer hoog terugstootte of dat ik speelde op ontwapening, ik deed geen enkele uitval, ik kreeg er geen enkele maal de kans voor; ieder onderdeel van de frasering werd me opgelegd, ik pareerde alleen maar, trachtend in leven te blijven.
Ik wist binnen drie seconden dat ik een beter schermer tegenover me had dan ik ben, met een pols van staal maar toch zo lenig als een slang in de aanval. Hij was de enige schermer die ik ooit ontmoet heb die de eerste en achtste positie gebruikte — gebruikte bedoel ik, net zo lief als de zesde en de vierde. Iedereen leert ze en mijn eigen leermeester liet ze me net zoveel oefenen als de andere zes — maar de meeste schermers gebruiken ze niet; ze kunnen er wel toe gedwongen worden, onhandig en vlak voordat ze een punt verliezen.
Ik zou geen punt, maar mijn leven verliezen — en ik wist, lang voor het einde van die eerste lange frasering dat het tien tegen één mijn leven was dat ik op het punt stond te verliezen.
En toch begon die idioot bij het eerste gekletter te zingen!
Het bovenstaande was lang genoeg voor minstens dertig bijna geslaagde pogingen om me te doden en bij het laatste woord bevrijdde hij zich net zo glad en onverwacht als hij tot de aanval was overgegaan.
‘Kom, kom, knaap!’ zei hij. ‘Doe mee! Wou je me alleen laten zingen? Wou je sterven als een pias terwijl er dames toekijken? Zing! — en neem op elegante wijze afscheid, waarbij je laatste rijm je doodsgereutel evenaart.’ Hij stampte met zijn rechterlaars een flamencopas. ‘Probeer het! De prijs is toch hetzelfde.’
Ik sloeg mijn ogen niet neer bij het geluid van zijn laars; het is een oud foefje, sommige schermers stampen bij iedere aanval, iedere schijnaanval, met de kans dat het lawaai zijn tegenstander zal doen schrikken, hem uit zijn evenwicht brengt of hem terug doet trekken, wat de ander dan een punt opbrengt. Daar was ik voor de laatste keer ingetrapt nog voor ik me begon te scheren.
Maar zijn woorden brachten me op een idee. Zijn uitvallen waren kort — volledig uitstrekken is mooidoenerij voor schermdegens, veel te gevaarlijk voor het werk in ernst.
Maar ik had me langzaam teruggetrokken met mijn rug tegen de muur. Weldra, als hij weer tot de aanval overging, zou ik een tegen die muur geprikte vlinder zijn of struikelen over iets wat ik niet zag, ondersteboven rollen en gespietst worden als papier in een park. Ik durfde die muur achter me niet te verlaten.
Wat het ergste was, Ster kon nu elk ogenblik uit dat rattenhol achter me tevoorschijn komen en zou gedood kunnen worden terwijl ze opdook, zelfs als ik erin slaagde hem op hetzelfde ogenblik te doden. Maar als ik hem andersom kon dwingen — mijn geliefde was een praktische vrouw; geen ‘sportiviteit’ zou haar stalen lemmet uit zijn rug houden.
Maar de gelukkige inval was dat als ik hem volgde in zijn waanzin, trachtte te rijmen en te zingen, hij me aan de gang zou houden, geamuseerd om te zien wat ik kon presteren voor hij me doodde.
Maar ik kon me niet veroorloven er te lang over te doen. Zonder dat ik het gevoeld had, had hij me in mijn onderarm geprikt. Niets dan een bloedige schram die Ster in een kwestie van minuten kon helen — maar het zou spoedig mijn pols verzwakken en ik kwam erdoor in het nadeel voor de lagere stoten. Bloed maakt je greep glibberig.
‘Eerste strofe,’ kondigde ik aan, terwijl ik vooruit sprong en nauwelijks tot de aanval overging, floret-à-floret. Dat respecteerde hij, viel niet aan, speelde met de punt van mijn lemmet, kleine tegenstoten en parerend zo licht als een veertje. Zo wilde ik het hebben, ik begon in een cirkel te bewegen terwijl ik begon te reciteren — en hij liet me mijn gang gaan:
‘Kom, kom, ouwe jongen!’ zei hij berispend. ‘Niet stelen. Eerlijk duurt te lang. En het rijm en de scandering gaan kreupel. Laat je lied dansend over je lippen komen.’
‘Ik zal het proberen,’ stemde ik toe, me nog steeds op de juiste manier bewegend. ‘Tweede strofe —