en ik viel hem aan.
Het ging niet helemaal op. Hij was, zoals ik gehoopt had, een heel klein beetje verslapt, kennelijk verwachtend dat ik voort zou gaan met schijnaanvallen, elkaar alleen met de punten rakend, terwijl ik reciteerde.
Ik had hem nauwelijks overrompeld maar hij week niet terug, maar pareerde sterk en plotseling bevonden we ons in een onhoudbare toestand, corps-à-corps, forte-à-forte, bijna tête-à-tète.
Hij lachte me in mijn gezicht uit en sprong tegelijk met mij achteruit, zodat we weer en garde stonden. Maar ik voegde er iets aan toe. We hadden alleen met de punt van het zwaard geschermd. De punt is sterker dan de snede maar mijn wapen had beide en iemand die gewend is aan de punt schrikt soms van een houw. Terwijl we uit elkaar gingen tikte ik met mijn lemmet tegen zijn hoofd.
Het was mijn bedoeling het open te splijten. Daar had ik geen tijd voor, er zat geen kracht achter, maar hij kreeg rechts op zijn voorhoofd een snee tot bijna aan zijn wenkbrauw.
‘Touché!’ riep hij. ‘Goed gedaan. En goed gezongen. Laat me de rest horen.’
‘Goed,’ stemde ik toe, voorzichtig tijd trachtend te winnen. Ik wachtte er op dat het bloed in zijn ogen zou lopen. Een schedelwond is de bloederigste vleeswond en ik verwachtte hier heel wat van. En schermen is iets eigenaardigs ; je gebruikt je verstand eigenlijk niet, daar gaat het veel te vlug voor. Je pols denkt en vertelt je voeten en je lichaam wat ze moeten doen met voorbijgaan aan je hersens — alles wat jij denkt is voor later.
Ik vervolgde:
Ik raakte hem in zijn onderarm, zoals hij bij mij had gedaan, maar erger. Ik dacht dat ik hem te pakken had en buitte mijn voordeel uit. Maar hij deed iets waar ik wel van gehoord had, maar wat ik nooit had gezien : hij trok zich snel terug, gooide zijn zwaard op en ving het met zijn andere hand. Dat was niets voor mij — een rechtse schermer vindt het vreselijk het te moeten opnemen tegen een linkshandige; het brengt alles uit zijn evenwicht, terwijl een linkshandige gewend is aan de foefjes van de rechtse meerderheid — en deze zoon van een heks was net zo sterk, net zo vaardig met zijn linkerhand. Nog erger, hij keerde me nu zijn oog toe dat niet vol bloed zat.
Hij raakte me weer, op mijn knieschijf, een brandende pijn, en het maakte me langzamer. In weerwil van zijn wonden, die veel erger waren dan de mijne, wist ik, dat ik het niet veel langer zou kunnen uithouden. We begonnen er ernstig werk van te maken.
Er bestaat een tegenstoot in de tweede positie, wanhopig gevaarlijk, maar schitterend — als je het er goed afbrengt. Ik had er verscheidene wedstrijden en epée mee gewonnen als er niets anders op het spel stond dan een puntenaantal. Het begint uit de zesde positie; eerst pareert je tegenstander. Dan laat je je degen langs de zijne glijden, cirkelt er om heen en dringt tegelijkertijd op tot de punt doel treft. De tekortkoming ervan is, dat het, tenzij het op volmaakte wijze gedaan wordt, te laat is voor pareren en tegenstoot; je loopt met je borst in de punt van zijn zwaard.
Ik probeerde niet er mee te beginnen, niet tegen deze schermmeester; ik dacht er alleen maar aan.
We bleven tijd winnen, allebei uitstekend. Toen deed hij enigszins een stap terug terwijl hij pareerde en gleed bijna uit in zijn eigen bloed.
Mijn pols nam de leiding; ik maakte een kurkentrekkerbeweging met een volmaakte volte naar de tweede positie — en mijn zwaard doorboorde zijn lichaam.
Hij keek verbaasd, hief zijn zwaard als groet en zakte door zijn knieën toen het gevest hem uit de hand viel. Ik moest me met mijn zwaard vooruit bewegen terwijl hij viel en begon het toen uit hem te trekken.
Hij greep het beet. ‘Nee, nee, mijn vriend, laat het daar alsjeblieft. Het houdt de wijn korte tijd onder de kurk. Je logica is scherp en treft mijn hart. Je naam, meneer?’
‘Omar van Gordon.’
‘Een goede naam. Je moet je nooit laten doden door een vreemdeling. Vertel me, Omar van Gordon, ben je in Carcassone geweest?’
‘Nee.’
‘Ga er heen. Een meisje liefhebben, een man doden, een boek schrijven, naar de Maan vliegen — ik heb het allemaal gedaan.’ Hij hijgde en er kwam rose schuim op zijn mond.
‘Ik heb zelfs meegemaakt dat er een huis boven me instortte. Wat een afschuwelijke geestigheid. Wat komt eer er nog op aan, als de kap op je kop kraakt? ‘Kop?’ ‘kip’, kap — kapper! — als de kap je kapper kraakt. Jij hebt mijn kop kaal geknipt.’ Hij snakte naar adem en vervolgde: ‘Het wordt donker. Laten we geschenken wisselen en als vrienden uit elkaar gaan, als je dat wilt. Eerst mijn geschenk, in twee delen: Punt één: Je hebt geluk, je zult niet in bed sterven.’
‘Dat denk ik ook niet.’
‘Toe. Punt twee: Broeder Guillaumes scheermes heeft de barbier nooit geschoren, het is veel te bot. En nu jouw geschenk, mijn oude — en wees snel, ik heb het nodig. Maar eerst — wat was het einde van die limerick?’
Ik vertelde het hem. Hij zei heel zwak, bijna in een doodsgereutel, ‘Heel goed. Blijf pogen. Geef me nu je geschenk, het wordt meer dan tijd.’ Hij trachtte een kruis te slaan.
Dus verleende ik hem absolutie, stond uitgeput op, liep naar de bank en viel er op neer, maakte toen beide zwaarden schoon. Ik veegde eerst de kleine Solingen af en verzorgde toen heel zorgvuldig Vrouwe Vivamus. Ik slaagde erin op te staan en voor hem te salueren met een schoon zwaard. Het was een eer geweest om hem te leren kennen.
Het speet me dat ik zijn naam niet gevraagd had. Hij scheen te denken dat ik die wist.
Ik ging vermoeid zitten en keek naar de gobelin die voor het rattenhol aan de andere kant van de kamer hing en vroeg me af waarom Ster en Rufo niet verschenen waren. Al dat kletterende staal en dat gepraat —
Ik dacht erover erheen te lopen en ze te roepen. Maar ik was voorlopig nog te moe om me te bewegen. Ik zuchtte en sloot mijn ogen —
Door pure jongensachtige vrolijkheid (en zorgeloosheid waar ik al meermalen een standje voor had gehad) had ik een dozijn eieren gebroken. Mijn moeder keek naar de rommel en ik kon zien dat ze op het punt stond in huilen uit te barsten. Dus betrok mijn gezicht ook. Ze verkropte haar tranen, legde zacht haar hand op mijn schouder en zei: ‘Het is niet zo erg, jongen. Zo belangrijk zijn eieren nu ook weer niet.’ Maar ik schaamde me, dus ik rukte me los en ging er vandoor.
Ik holde de heuvel af, me nergens om bekommerend en bijna vliegend — toen was ik me er met een schok van bewust dat ik aan het stuur zat en dat ik de wagen niet in bedwang had. Ik zocht naar het rempedaal, kon het niet vinden en raakte in paniek... toen vond ik het — en voelde het wegzinken met die slapheid die betekent dat er geen druk meer is. Er was iets voor me op de weg en ik kon niet zien. Ik kon mijn hoofd niet eens omdraaien en mijn ogen werden verblind door iets dat er van mijn voorhoofd instroomde. Ik draaide aan het stuur en er gebeurde niets — de stuurstand deed het niet.
Ik hoorde gegil toen we botsten! — en ik werd met een schok in bed wakker en het gillen deed ik zelf. Ik zou te laat op school komen, een ondraaglijke schande. Hoefde niet gedragen, schandelijke foltering, want het schoolplein was leeg; de andere kinderen zaten schoongeboend en deugdzaam op hun plaats en ik kon mijn klas niet vinden. Ik had niet eens tijd gehad om naar de W.C. te gaan en nu stond ik bij mijn lessenaar met mijn broek omlaag om te doen wat ik thuis niet had kunnen doen omdat ik zo’n haast had en alle andere kinderen staken hun vinger op, maar de juffrouw vroeg mij wat. Ik kón niet opstaan om iets op te zeggen; mijn broek was niet alleen omlaag, ik had er helemaal geen aan en als ik opstond zouden ze het zien, de jongens zouden me uitlachen en de meisjes zouden giechelen en de andere kant uitkijken en hun neus in de lucht steken. Maar de ondraaglijke schande was dat ik het antwoord niet wist!