Выбрать главу

‘Kom, kom!’ zei de juffrouw scherp. ‘Je moet de hele klas niet ophouden, E.C. Je hebt Je Huiswerk Niet Gemaakt.’

Nou ja, dat had ik ook niet. Jawel, dat had ik wel, maar ze had ‘Sommen 1-6’ op het bord geschreven en dat had ik opgevat als ‘1 én 6’ — en dit was nummer 4. Maar dat zou Zij nooit geloven; het smoesje was te doorzichtig. We rekenen met getallen, niet met smoesjes.

‘Zo staan de zaken, Easy,’ vervolgde mijn Coach, zijn stem klonk eerder bedroefd dan boos. ‘Lange afstand is allemaal goed en wel, maar je verdient geen cent voor je de doellijn passeert met dat ei onder je arm. Hij wees naar de rugbybal op zijn bureau. ‘Daar ligt-ie. In het begin van het seizoen heb ik hem al laten vergulden en er zwarte letters op laten schilderen, je leek zo goed en ik had zoveel vertrouwen in je — hij was voor jou bedoeld aan het eind van het seizoen, bij een overwinningsfeest.’ Hij kreeg rimpels in zijn voorhoofd en hij sprak alsof hij trachtte rechtvaardig te zijn. ‘Ik zal niet zeggen dat je het alleen had kunnen opknappen. Maar je neemt de dingen te gemakkelijk op, Easy — misschien moest je een andere naam hebben. Als het tegenloopt, zou je je meer moeten inspannen.’ Hij zuchtte. ‘Mijn schuld, ik had harder tegen je moeten optreden. Maar ik heb geprobeerd een vader voor je te zijn. Maar ik wil je wel vertellen dat jij niet de enige verliezer bent — op mijn leeftijd is het niet zo makkelijk om een ander baantje te vinden.’

Ik trok de dekens over mijn hoofd; ik kon het niet verduren om naar hem te kijken. Maar ze konden me niet met rust laten; er begon iemand aan mijn schouders te schudden.

‘Gordon!’

‘Lame met rust!’

‘Word wakker, Gordon, en maak als de bliksem dat je binnenkomt. Je zit in moeilijkheden.’

Dat zat ik zeker, dat wist ik meteen toen ik het kantoor binnenkwam. Ik had de zure smaak van braaksel in mijn mond en ik voelde me verschrikkelijk — alsof er een kudde karbouwen over me heengegaan was en me nu en dan getrapt had. Smerige karbouwen.

De Eerste Sergeant keek niet naar me toen ik binnenkwam; hij liet me eerst staan zweten. Toen hij opkeek nam hij me van het hoofd tot de voeten op voor hij wat zei.

Toen sprak hij langzaam, zodat ieder woord kon inzinken. ‘Afwezig zonder toestemming, inheemse vrouwen schrik aanjagen en beledigen, onbevoegd gebruiken van regeringseigendom... schandelijk gedrag... ongehoorzame en onfatsoenlijke taal... verzetten tegen arrestatie... een M.P. geslagen — Gordon, waarom heb je geen paard gestolen? In deze contreien hangen ze paardendieven op. Dat zou het allemaal veel eenvoudiger maken.’

Hij glimlachte om zijn eigen geestigheid. De oude schooier had zichzelf altijd een geestige vent gevonden. Hij had nog half gelijk ook.

Maar het kon me niets verdommen wat hij zei. Ik besefte somber dat het allemaal een droom geweest was, gewoon weer een van die dromen die ik de laatste tijd zo vaak had, doordat ik uit die afschuwelijke rimboe weg wilde. Zelfs Zij was niet echt geweest. Mijn — hoe heette ze? — zelfs haar naam had ik verzonnen. Ster. Mijn Geluksster — O, Ster, mijn lieveling, je bestaat niet!’

Hij vervolgde: ‘Ik zie dat je je chevrons hebt afgedaan. Nou, dat spaart tijd maar dat is het enige goede. Zonder uniform. Ongeschoren. En je kleren zijn smerig! Gordon, je bent een schande voor het Leger van de Verenigde Staten. Dat weet je toch, hè? En hier kun je je niet uitsmoezen. Geen identiteitsplaatje bij je, geen pas, je hebt een naam genoemd die niet de jouwe was, nou, Evelyn Cyril, mooie jongen, we zullen nu je ware naam gebruiken. Officieel.’

Hij draaide zich om in zijn draaistoel — daar had hij zijn dikke gat nog niet uit gehad sinds hij in Azië was, voor hem geen patrouilles. ‘Er is maar één ding waar ik nieuwsgierig naar ben. Waar heb je dat vandaan gehaald? En wat heeft je in Godsnaam bezield om het te proberen te stelen?’ Hij knikte naar een archiefkast achter zijn bureau.

Ik herkende wat erop stond al was het de laatste keer dat ik me herinnerde het gezien te hebben verguld geweest terwijl het nu bedekt was met die speciale zwarte kleverige modder die ze in Z.O. Azië hebben. Ik ging er op af. ‘Dat is van mij!’

‘Nee, nee!’ zei hij scherp. ‘Stoute jongen!’ Hij legde de rugbybal verder achteruit. ‘Stelen maakt het je eigendom niet. Ik heb het onder mijn beheer genomen als bewijsmateriaal. Ik wil je wel mededelen, jij namaakheld, dat de dokter denkt dat hij dood zal gaan.’

‘Wie?’

‘Wat zou het jou ook kunnen schelen wie? Ik wed twee kwartjes tegen een tikal dat je zijn naam niet wist toen je er op los beukte. Je kunt maar niet rechts en links op inboorlingen losbeuken alleen maar omdat je je flink voelt — ze hebben ook rechten, misschien had je dat nog niet gehoord. Je wordt geacht er alleen op los te beuken wanneer en waar je dat bevolen wordt.’

Plotseling glimlachte hij. Daardoor werd hij er niet beter op. Met zijn lange scherpe neus en kleine bloeddoorlopen oogjes realiseerde ik me plotseling hoe veel hij op een rat leek. Maar hij bleef glimlachen en zei: ‘Evelyn, mijn jongen, misschien heb je je chevrons wel te vroeg afgelegd.’

‘Hè?’

‘Ja. Er zou een uitweg uit deze rotzooi kunnen zijn. Ga zitten.’ Hij herhaalde scherp: ‘Ga zitten, zei ik. Als het aan mij lag zou ik je wegens ongeschiktheid uit het leger ontslaan en je verder vergeten — als ik je maar kwijt was. Maar de compagniescommandant denkt er anders over — hij heeft een schitterend idee, waardoor je hele dossier misschien afgesloten kan worden. Er is voor vanavond een overval op touw gezet. Dus —’ Hij boog zich voorover en haalde een fles Four Roses en twee bekers uit zijn bureau, schonk twee borrels in — ‘pak een borrel.’

Iedereen wist van die fles af — iedereen behalve misschien de compagniescommandant. Maar de eerste sergeant had niemand nog ooit een borrel aangeboden — op één keer na toen hij daarna zijn slachtoffer verteld had dat hij voor de krijgsraad zou moeten komen.

‘Nee, dank je.’

‘Vooruit, neem er een. Je zult het nodig hebben. En daarna ga je een douche nemen en zorgen dat je er fatsoenlijk uitziet al ben je dat dan niet, voor je naar de compagniescommandant gaat.’

Ik stond op. Ik wilde die borrel hebben, ik had hem nodig. Ik zou genoegen genomen hebben met het slechtste bocht — en Four Roses is nogal duur — maar ik zou genoegen genomen hebben met dat vuurwater dat die oude — hoe heette hij ook weer? — gebruikt had om mijn trommelvliezen te laten barsten.

Maar met hem wilde ik niet drinken. Ik moest hier helemaal niets drinken. En niets eten —

Ik spuwde hem in zijn gezicht.

Hij keek uiterst geschokt en scheen te smelten. Ik trok mijn zwaard en viel hem aan.

Het werd donker maar ik bleef om me heen slaan waarbij ik soms iets raakte en soms niet.

XVI

Ik werd door iemand aan mijn schouders geschud. ‘Wakker worden!’

‘Laat me met rust!’

‘Je moet wakker worden. Baas, word alsjeblieft wakker.’

‘Ja, mijn Held — alsjeblieft!’

Ik opende mijn ogen, glimlachte tegen haar en trachtte toen om me heen te kijken. Allemaáachtig, wat een janboel! Er midden in stond een zuil van zwart glas, breed en ongeveer anderhalve meter hoog. Er boven op stond het Ei. ‘Is het dat?’

‘Ja,’ gaf Rufo toe. ‘Dat is het!’ Hij zag er gehavend maar vrolijk uit.

‘Ja, mijn Held Ridder,’ bevestigde Ster. ‘Dat is het echte Ei van de Feniks. Ik heb het geverifieerd.’

‘Eh —’ Ik keek om me heen. ‘Waar is de oude Zielenverslinder dan?’

‘Die heb je gedood. Voor we kwamen. Je had je zwaard nog in je hand en het Ei stevig onder je linker arm. Het was erg moeilijk om ze los te krijgen zodat ik je kon behandelen.’ Ik keek omlaag en zag wat ze bedoelde en wendde gauw mijn hoofd af. Ik houd nu eenmaal niet van rood. Om chirurgie uit mijn gedachten te verbannen zei ik tegen Rufo: ‘Waarom zijn jullie zo lang weggebleven?’