‘Waar?’ Ik was traag van begrip — te veel tijdzones, te veel denkbeelden, te snel.
‘Thuis. Mijn huis. Nu ook jouw thuis — als je wilt. Ons thuis.’
‘Eh, juist... mijn Keizerin.’
Ze stampvoette. ‘Noem me niet zo!’
‘De juiste aanspreektitel,’ zei Rufo, ‘is ‘Uwe Wijsheid’. Nietwaar, Uwe Wijsheid?’
‘O, Rufo, houd je mond. Ga kleren voor ons halen.’
Hij schudde het hoofd. ‘De oorlog is voorbij en ik ben net gedemobiliseerd. Ga ze zelf maar halen, Oma.’
‘Rufo, je bent onmogelijk.’
‘Ben je boos op me, Oma?’
‘Dat word ik zeker als je me nog langer ‘Oma’ noemt!’ Plotseling overhandigde ze mij het Ei, sloeg haar armen om Rufo heen en gaf hem een kus. ‘Nee, Oma is niet boos op je,’ zei ze zacht. ‘Je bent altijd een ondeugend kind geweest en ik zal nooit echt vergeten dat je eens oesters in mijn bed gestopt hebt. Maar ik geloof dat je er eerlijk aankomt — van je grootmoeder.’ Ze kuste hem nog eens en maakte zijn franje van wit haar in de war. ‘Oma houdt van je. Oma zal altijd van je houden. Op Oma na, vind ik dat je bijna volmaakt bent — ervan afgezien dat je een ondraaglijke, leugenachtige, verwende, ongehoorzame, oneerbiedige kwajongen bent.’
‘Zo is het beter,’ zei hij. ‘Nou je het zegt, zo denk ik precies over jou. Wat wil je aantrekken?’
‘Mmm... haal maar een heleboel tevoorschijn. Het is zo lang geleden dat ik een fatsoenlijke garderobe gehad heb.’ Ze wendde zich weer tot mij. ‘Wat wil jij dragen, mijn Held?’
‘Ik weet het niet. Ik weet niets. Wat jij denkt dat passend is — Uwe Wijsheid.’
‘O, lieveling noem me alsjeblieft nooit zo. Nooit.’ Ze scheen plotseling op het punt in huilen uit te barsten.
‘Goed. Hoe zal ik je dan noemen?’
‘Ster is de naam die jij me gegeven hebt. Als je me anders wilt noemen, zou je me je ‘prinses’ kunnen noemen. Ik ben geen prinses — en ik ben ook geen ‘keizerin’; dat is een slechte vertaling. Maar ik vind het heerlijk om ‘jouw prinses’ te zijn — zoals jij het zegt. Of het kan ook ‘dartel wijfje’ zijn of welke ook van alle namen die je me genoemd hebt.’ Ze keek heel kalm naar me op. ‘Net als eerst. Voor altijd.’
‘Ik zal het proberen... mijn prinses.’
‘Mijn Held.’
‘Maar er schijnt zoveel te zijn dat ik niet weet.’
Ze ging van Engels naar Neviaans over. ‘Heer Echtgenoot, ik wil je alles vertellen. Ik heb er naar gehunkerd het je te kunnen vertellen. En mijn Heer zal alles horen. Maar ik was doodsbang dat mijn Heer, als het hem te vroeg verteld werd, zou weigeren me te vergezellen. Niet naar de Zwarte Toren, maar hier naar toe. Ons thuis.’
‘Misschien heb je er wijs aan gedaan,’ antwoordde ik in dezelfde taal. ‘Maar nu ben ik hier, Vrouwe Echtgenote — mijn prinses. Dus spreek nu. Ik wens het.’
Ze ging weer op Engels over. ‘Ik zal spreken, heus. Maar het zal tijd kosten. Lieveling, wil je nog wat langer geduld hebben? Nadat je al zo lang geduld — zo vreselijk veel geduld — met me gehad hebt?’
‘Oké,’ gaf ik toe. ‘Ik speel wel mee. Maar kijk eens, ik ken de weg niet in deze buurt, ik zal aanwijzingen nodig hebben. Vergeet de vergissing niet die ik met Jocko begaan heb doordat ik de plaatselijke gebruiken niet kende.’
‘Ja, lieve, dat zal ik doen. Maar maak je niet ongerust, de gebruiken zijn hier heel eenvoudig. Primitieve gemeenschappen zijn altijd ingewikkelder dan beschaafde — en deze is niet primitief.’ Toen liet Rufo een grote stapel kleren aan haar voeten vallen. Ze wendde zich, nog met een hand op mijn arm, af en legde met een strakke, bijna bekommerde blik een vinger tegen haar mond. ‘Laat me eens kijken. Wat zal ik aantrekken?’
‘Ingewikkeld’ is een betrekkelijk begrip; ik zal alleen de grote lijnen schetsen.
Centrum is de hoofdplaneet van de Twintig Universa. Maar Ster was geen ‘Keizerin’ en het is geen Keizerrijk. Ik zal haar verder ‘Ster’ noemen, want ze had honderden namen en ik noem het een ‘keizerrijk’ omdat geen enkel ander woord er dicht genoeg bij komt en ik zal het hebben over ‘keizers’ en ‘keizerinnen’ — en over de Keizerin, mijn vrouw. Niemand weet hoeveel universa er zijn. In theorie is het aantal onbegrensd; alle en allerlei mogelijkheden, in onbeperkte aantallen combinaties van ‘natuur’-wetten, iedere groep passend bij zijn eigen universum. Maar dit is slechts theorie en Occams scheermes is veel te bot. Het enige wat bekend is in Twintig Universa is dat er twintig ontdekt zijn, dat ieder zijn eigen wetten heeft en dat de meeste ervan planeten hebben of soms ‘plaatsen’ waar menselijke wezens wonen. Ik zal niet trachten te vertellen wat er elders woont.
De twintig Universa omvatten vele echte keizerrijken. Onze Melkweg in ons universum heeft zijn sterren — keizerrijken — maar onze Melkweg is zo ontzaglijk groot dat ons menselijk geslacht misschien nooit in aanraking met een ander zal komen, behalve door de Poorten, die de verbinding tussen de universa vormen. Sommige planeten hebben geen bekende Poorten. De Aarde heeft er vele en dat is haar enige belang; verder wordt ze als een achterlijke achterbuurt beschouwd.
Zevenduizend jaar geleden werd er een denkbeeld ontwikkeld om opgewassen te zijn tegen politieke problemen die te groot zijn om iets aan te doen. Het begon bescheiden: hoe kon een planeet bestuurd worden zonder hem te vernietigen? Onder de bevolking van deze planeet bevonden zich expert-cybernetici, maar overigens waren ze nauwelijks verder dan wij zijn; ze verbrandden de schuur nog om van de ratten af te komen en ze knelden hun duimen nog altijd in machines. Die experimenteerders kozen een eminente leider en trachtten hem te helpen.
Niemand wist waarom die vent zo’n succes had, maar hij had het en dat was voldoende; ze waren niet zo dol op theorie. Ze gaven hem cybernetische hulpmiddelen, ze zetten alle crises in hun geschiedenis voor hem op de band, alle bekende bijzonderheden, wat er aan gedaan werd en wat de resultaten waren, alles zo geregeld dat hij alles kon raadplegen bijna zoals je je geheugen raadpleegt.
Het werkte. Na een poos leidde hij de hele planeet — het was Centrum, maar dat heette toen nog anders. Hij regeerde niet, hij ontwarde alleen maar moeilijke gevallen.
Ze zetten ook alles, goed en slecht, wat deze eerste ‘Keizer’ deed op de band als richtsnoer voor zijn opvolger.
Het Ei van de Feniks is een cybernetisch archief van alle ervaringen van tweehonderddrie ‘keizers’ en ‘keizerinnen’, van wie de meesten over alle bekende universa ‘geregeerd’ hebben. Net als een vouwdoos is het van binnen groter dan van buiten. In gebruik heeft het meer de grootte van de Pyramide van Cheops.
Overal in de universa wemelt het van legenden over de Feniks : het wezen dat sterft, maar onsterfelijk is en altijd weer verjongd uit zijn as herrijst. Het Ei is zo’n wonder, want het is nu veel meer dan een bibliotheek op de band; het is een beeld, met inbegrip van hun unieke persoonlijkheden, van alle ervaringen van die hele lijn vanaf Zijne Wijsheid IX tot Hare Wijsheid CCIV, mevrouw Omar Gordon.
De functie is niet erfelijk. Onder Sters voorvaderen bevinden zich Wijsheid I en de meesten van de andere Wijsheden — maar er zijn millioenen anderen met evenveel ‘koninklijk’ bloed. Haar kleinzoon Rufo werd niet gekozen hoewel hij dezelfde voorouders heeft. Of misschien heeft hij het afgewezen. Ik heb het hem nooit gevraagd, dat zou hem maar herinnerd hebben aan iets onfatsoenlijks en onwaarschijnlijks dat een van zijn ooms op een keer gedaan had. Bovendien is het niet iets waar je naar vraagt.
Als hij eenmaal aangewezen is omvat de opleiding van de kandidaat alles van de beste manier om pens te koken af tot de hoogste mathematica toe — met inbegrip van alle vormen van man-tegen-man gevechten, want duizenden jaren geleden werd al beseft dat het slachtoffer, hoe goed hij ook bewaakt werd, het langer uit zou houden als hij zelf kon vechten als een nijdige cirkelzaag. Dat kwam ik toevallig te weten doordat ik mijn geliefde een onhandige vraag stelde.