Een gastvrouw klaagde tegen mij dat het sociale leven zo saai was geworden onder de nieuwe regering — kon ik daar niet wat aan doen?
Dat deed ik. Ik ging op zoek naar Ster en vertelde haar de opmerking, waarop we vertrokken en naar een dronkemansartiestenbal gingen — een luau!
Centrum is een dergelijk ratjetoe van culturen, rassen, gebruiken en stijlen, dat er weinig regels zijn. Het voornaamste onveranderlijke gebruik was: leg mij jóuw gebruiken niet op.
De mensen droegen wat ze thuis gewend waren, of ze experimenteerden met andere modes; iedere bijeenkomst leek op een gekostumeerd bal zonder vastgestelde vermommingen.
Een gast kon spiernaakt op een sjiek feest verschijnen zonder dat daar over gepraat werd — en sommigen deden dat ook, een kleine minderheid. Ik bedoel geen niet-menselijken of behaarde mensen; die dragen geen kleren. Ik bedoel mensen die er in New York in Amerikaanse kleren zouden uitzien alsof ze thuis waren — en anderen die zelfs op 1’Île du Levant de aandacht zouden trekken omdat ze helemaal geen haar hebben, zelfs geen wenkbrauwen. Dat is voor hen een bron van trots; het toont hun ‘superioriteit’ over ons behaarde apen, ze zijn er net zo trots op als de arme blanken in Georgia er trots op zijn dat ze geen negers zijn. Daarom verschijnen ze vaker naakt dan andere menselijke rassen. Ik vond hun verschijning verbijsterend, maar je raakt eraan gewend.
Ster droeg buitenshuis kleren, dus ik ook. Ster liet nooit een gelegenheid voorbijgaan om zich op te doffen, een beminnelijke zwakheid die het soms mogelijk maakte haar Keizerlijke status te vergeten. Ze droeg nooit twee maal hetzelfde en probeerde telkens weer wat nieuws — en was teleurgesteld als ik het niet merkte. Sommige dingen die ze uitzocht zouden zelfs op een strand aan de Rivièra hartverlammingen veroorzaakt hebben. Ze vond dat het toilet van een vrouw een fiasco was tenzij de mannen het van haar lichaam wilden rukken.
Eén van Sters meest geslaagde uitrustingen was het eenvoudigste. Rufo was toevallig bij ons en ze kreeg het plotseling in haar hoofd zich te kleden zoals we gekleed waren geweest bij de opsporing van het Ei — en patsboem er waren kostuums beschikbaar, of misschien wel naar maat gemaakt; Neviaanse kleding is bijzonder ongewoon op Centrum. Met dezelfde spoed werden bogen, pijlen en pijlkokers tevoorschijn gebracht en we waren weer Robin Hoods. Ik vond het heerlijk om Vrouwe Vivamus om te gespen; ze had sedert de grote zwarte Toren onaangeraakt aan de muur van mijn studeerkamer gehangen.
Ster stond met haar voeten gespreid, vuisten op de heupen, hoofd achterover met glinsterende ogen en een verhit gezicht. ‘O, dit is enig! Ik voel me heerlijk, ik voel me jóng! Lieveling, beloof me, beloof me plechtig dat we op een keer weer op avontuur zullen uitgaan! Ik krijg er zo schoon genoeg van om verstandig te zijn.’
Ze sprak Engels, omdat de taal van Centrum zich slecht leent voor dergelijke denkbeelden. Het is een mengtaal met import en wijzigingen van duizenden jaren, en heeft geen verbuigingen, is vlak.
‘Mij best,’ gaf ik toe. ‘Wat zeg jij ervan, Rufo? Ga je weer mee over de Roemvolle Weg?’
‘Als ze die geasfalteerd hebben.’
‘Onzin. Je gaat mee, ik ken jou. Waar en wanneer, Ster? Het komt er niet op aan ‘waarheen’ — alleen maar ‘wanneer’. Sla het feest over en laten we nu gaan.’
Plotseling was ze niet vrolijk meer. ‘Lieveling, je weet dat ik dat niet kan. Ik ben nog niet op een derde van mijn opleiding.’
‘Ik had dat Ei kapot moeten slaan, toen ik het vond.’
‘Wees niet boos, lieveling. Laten we naar het feest gaan en pret maken.’
Dat deden we. Reizen op Centrum geschiedt door materialisatie, kunstmatige ‘Poorten’ die geen ‘toverij’ (of misschien juist meer) vereisen; je stelt je bestemming in zoals je op een knopje in een lift drukt, dus in de steden is geen verkeersprobleem — en duizenden andere onaangename dingen zijn er ook niet. Vanavond verkoos Ster nog voor de plaats van bestemming uit te stappen, een eind door een park te lopen en een grootse entree te maken. Ze weet hoe goed een maillot haar lange benen en stevige billen doet uitkomen; ze wiegde met haar heupen als een Hindoevrouw.
Mensen, we waren een sensatie! Er worden op Centrum geen zwaarden gedragen, behalve misschien door bezoekers. Pijlen en bogen zijn ook een rara avis. We waren zo opvallend als een geharnaste ridder op Fifth Avenue.
Ster was zo gelukkig als een kind met nieuw speelgoed. Ik ook. Ik voelde weer wapens over mijn schouders en wilde op draken gaan jagen.
Het was een bal dat veel leek op een bal op Aarde. (Volgens Rufo hebben alle rassen overal dezelfde recreatie: in drommen samenkomen om te dansen, te drinken en te kletsen. Hij beweerde dat herenfuiven en dameskransjes symptomen zijn van een ongezonde beschaving. Ik zal hem niet tegenspreken.) We liepen trots een staatsie-trap af, de muziek hield op, de mensen staarden en snakten naar adem — en Ster genoot ervan een sensatie te zijn. De muzikanten begonnen ongelijk weer te spelen en de gasten keerden terug tot de negatieve beleefdheden die de Keizerin gewoonlijk eiste. Maar we bleven de aandacht trekken. Ik had gedacht dat het verhaal van de Opsporing van het Ei een staatsgeheim was omdat ik er nooit over had horen praten. Maar zelfs als het wel bekend was, zou ik toch verwacht hebben dat de bijzonderheden alleen aan ons drieën bekend waren.
Zo was het niet. Iedereen wist wat die kostuums te betekenen hadden en nog veel meer. Ik stond bij het buffet cognac naar binnen te slaan en een reuzensandwich te eten die ik zelf had verzonnen toen ik aangesproken werd door de zuster van Sheherezade, de mooie. Ze behoorde tot een van de menselijke-maar-anders-dan-wij rassen. Ze was gekleed in robijnen zo groot als je duim en redelijk ondoorschijnende stof. Ze was op blote voeten ongeveer één meter twee-en-zestig, woog misschien vijftig kilo en haar middel kon niet meer dan achtendertig centimeter geweest zijn, wat twee andere maten die dat helemaal niet nodig hadden nog beter deed uitkomen. Ze was een brunette met de scheefste ogen die ik ooit gezien had. Ze zag eruit als een mooie poes en ze keek naar me zoals een kat naar een vogeltje kijkt.
‘Zelf,’ verkondigde ze.
‘Spreek.’
‘Sverlani. Wereld —’ (Naam en code — ik had er nooit van gehoord.) ‘Studente Voedselontwerper, mathematico-sybaritisch.’
‘Omar Gordon. Aarde. Militair.’ Ik liet de identificatie van de Aarde achterwege: ze wist wel wie ik was.
‘Vragen?’
‘Vraag.’
‘Is zwaard?’
‘Is.’
Ze keek ernaar en haar pupillen verwijdden zich. ‘Is-was zwaard vernietigen constructiebewaker Ei?’ (’Is dit hier aanwezige zwaard afgezien van theoretische afwijkingen ontstaan door de overgangen tussen universa, in opeenvolgende ruimte-tijd de directe opvolger van het zwaard dat gebruikt is om de Nooit-geborene te doden?’ De dubbele tijd van het werkwoord, tegenwoordig-verleden, bepaalt en negeert het begrip dat identiteit een onbetekenende abstractie is — is dit het zwaard dat je daadwerkelijk gebruikt hebt in de alledaagse betekenis en houd me niet voor de gek, soldaat, ik ben geen kind meer.)
‘Was-is,’ stemde ik toe. (Ik was er en ik garandeer dat ik het aldoor tot hier toe gevolgd heb, dus het is het nog.’)
Ze hijgde een beetje en haar tepels werden hard. Om elke tepel was het multi-universele patroon geschilderd, of misschien wel getatoeeerd, dat we ‘De Muren van Troje’ noemen — en haar reactie was zo hevig dat Iliums wallen het weer begaven.
‘Aanraken?’ vroeg ze smekend.
‘Aanraken.’
‘Twéémaal aanraken?’ (’Mag ik het alsjeblieft aanraken om het te kunnen voelen? Ik wil het zo heel erg graag! Ik vraag te veel en je hebt het recht te weigeren, maar ik garandeer dat ik het niet zal beschadigen.’) — ze kunnen een heleboel zeggen met een paar woorden, maar het gaat om de manier waarop.