Выбрать главу

Ik wilde het liever niet, niet Vrouwe Vivamus. Maar ik ben nu eenmaal als was in de handen van mooie meisjes. ‘Aanraken... tweemaal,’ gaf ik met tegenzin toe. Ik trok mijn zwaard en overhandigde het haar met de stootplaat naar haar toe, op mijn hoede om het te grijpen voor ze iemand in zijn oog of zichzelf in haar voet stak.

Ze nam het behoedzaam aan met opengesperde ogen en open mond, greep het bij de stootplaat in plaats van bij het gevest. Ik moest het haar tonen. Haar hand was veel te klein; haar handen en voeten waren net als haar middel ultraslank. Ze ontdekte het opschrift. ‘Betekent?’

Dum vivimus, vivamus is niet gemakkelijk te vertalen, niet omdat ze het niet zouden begrijpen, maar omdat het is als water naar de zee dragen. Hoe anders zouden ze leven? Maar ik probeerde het. ‘Tweemaal leven aanreiken. Eten. Drinken. Lachen.’

Ze knikte bedachtzaam, stak toen in de lucht met gekromde pols en een uitstekende elleboog. Ik kon het niet verdragen, dus ik nam het haar af, zakte langzaam in een scherm-gevechtsstand, deed een hoge uitval, en herstelde me — een zo elegante beweging dat zelfs grote ruige mannen er voordelig in uitkomen. Daarom leren balletdanseressen schermen.

Ik bracht het saluut en gaf het haar terug, en zorgde toen dat haar rechterelleboog en -pols en linkerarm op hun plaats kwamen — daarom betalen balletdanseressen maar half tarief, het is enig voor de schermmeester. Ze deed een uitval en prikte bijna een gast in zijn linkerbil.

Ik nam het terug, wreef het af en stak het in de schede.

‘Zelf springen over zwaard?’

Ik verslikte me. Als ze de betekenis ervan begreep — of als ik dat deed — werd me op de meest subtiele manier die ik op Centrum ooit had meegemaakt een oneerbaar voorstel gedaan. Gewoonlijk is het recht op de man af. Maar Ster zou de bijzonderheden van onze huwelijksceremonie toch zeker niet rondverteld hebben? Rufo? Ik had het hem niet verteld, maar Ster misschien wel.

Toen ik niet antwoordde, maakte ze het duidelijk en dempte haar stem niet. ‘Zelf nietmaagd nietmoeder nietzwanger vruchtbaar.’

Ik verklaarde zo beleefd als de taal toestaat, en dat is niet erg beleefd, dat ik al een afspraak had. Ze liet het onderwerp varen en keek naar mijn sandwich. ‘Bijten aanraken proeven?’

Dat was een andere kwestie; ik gaf hem haar. Ze nam een flinke hap, kauwde nadenkend en keek aangenaam verrast.

‘Vreemdsoortig. Primitief. Fors. Grote onenigheid. Goede kunst.’ Toen verdween ze, me verbaasd achter latend.

Binnen tien minuten werd de vraag me weer gesteld. Er werden me meer voorstellen gedaan dan op enig ander feest op Centrum en ik ben ervan overtuigd dat het zwaard verantwoordelijk was voor de grote vraag. Op elke bijeenkomst werden me natuurlijk voorstellen gedaan; ik was de gemaal van Hare Wijsheid. Ik had een orang-oetan kunnen zijn en dan waren me nog aanbiedingen gedaan. Sommige behaarden leken op orang-oetans en werden als gezelschap geaccepteerd, maar ik had er ook nog als een kunnen ruiken. En me slechter gedragen. De waarheid was dat vele dames nieuwsgierig waren naar waar de Keizerin mee naar bed ging en het feit dat ik een wilde, of op z’n best een barbaar was, maakte ze nog nieuwsgieriger. Er bestond geen taboe tegen het aanbod op een presenteerblaadje en ik kreeg er heel wat.

Maar ik was nog in de wittebroodsweken. Trouwens, als ik al die voorstellen had aangenomen zou ik op mijn wenkbrauwen gelopen hebben. Maar ik vond het leuk om ze te horen toen ik eenmaal niet meer in elkaar kromp bij de ‘Soda? — of ginger ale?’ — ronduitheid er van; het is goed voor de moraal om gevraagd te worden.

Toen we ons die avond uitkleedden zei ik: ‘Plezier gehad, schat?’

Ster geeuwde en grinnikte: ‘Dat heb ik zeker. En jij ook, oude Padvinder. Waarom heb je dat poesje niet thuisgebracht?’

‘Welk poesje?’

‘Je weet best welk poesje. Dat je schermen leerde.’

Miauw!

‘Nee, nee, lieve. Je had haar moeten laten komen. Ik hoorde haar haar beroep noemen en er is een sterk verband tussen goed koken en goed —’

‘Vrouw, je praat te veel!’

Ze ging van Engels over tot Neviaans. ‘Ja, Heer Echtgenoot. Ik zal geen geluid te berde brengen dat niet ongevraagd aan door liefde gekwelde lippen ontspringt.’

‘Geliefde Vrouwe Echtgenote... waterfee van de Zingende Wateren —’

Neviaans is nuttiger dan het dieventaaltje dat ze op Centrum spreken.

Centrum is een vermaakcentrum en een gemaal van een Wijsheid heeft het er heel prettig. Na ons eerste bezoek aan Sters vissershutje merkte ik op hoe prettig het zou zijn een keer terug te gaan naar die prachtige plek, de Poort waardoor we Nevia waren binnengegaan om wat forellen te vangen.

‘Ik wou dat het op Centrum was.’

‘Dat zal gebeuren.’

‘Ster? Zou je het willen verhuizen? Ik weet dat sommige Poorten, handelspoorten, een grote massa kunnen verwerken maar zelfs dan —’

‘Nee, nee. Maar net zo mooi. Laat eens kijken. Het zal een paar dagen kosten om de vorm vast te stellen en het op te meten en het luchttype te bepalen en zo voort. Waterstromingen en dat soort dingen. Maar intussen — achter die muur is niet veel bijzonders, alleen maar een krachtcentrale en zo. Zeg hier een deur en de plek waar we de vis geroosterd hebben een honderd meter verderop. Kan in een week klaar zijn, anders nemen we een andere architect. Goed?’

‘Ster, dat doe je niet.’

‘Waarom niet, lieveling?’

‘Het hele huis ondersteboven halen om mij een forellenbeek te bezorgen. Te gek om over te praten!’

‘Ik vind van niet.’

‘Nou, dat is het wel. Hoe dan ook, liefje, het gaat er niet om die beek hierheen te verplaatsen, maar daarheen te gaan. Een vakantie.’

Ze zuchtte. ‘Wat zou ik graag met vakantie gaan.’

‘Je bent vandaag ingeprent. Je stem klinkt anders.’

‘Dat gaat wel over, Omar.’

‘Ster, je neemt er te veel achter elkaar. Je put je zelf uit.’

‘Misschien wel. Maar dat moet ik zelf beoordelen, zoals je weet.’

‘Zoals ik niet weet! Je kunt de hele vervloekte schepping beoordelen — zoals je doet en dat weet ik — maar ik, je echtgenoot, zal beoordelen of je je overwerkt en daar een stokje voorsteken.’

‘Lieveling, lieveling!’ Zulke incidenten kwamen te vaak voor.

Ik was niet jaloers op haar. Met dat spook uit mijn barbaars verleden was in Nevia afgerekend, ik werd er niet meer door bezocht.

Centrum is ook geen plaats waar je een dergelijk spook gauw zou tegenkomen. Centrum heeft zoveel huwelijksgebruiken als het beschavingen telt — duizenden. Ze vallen tegen elkaar weg. Sommige mensen daar zijn monogaam door instinct, zoals van zwanen gezegd wordt. Daarom kan dat geen ‘deugd’ worden genoemd. Zoals moed brutaliteit is die geconfronteerd wordt met angst, zo is deugd goed gedrag dat geconfronteerd wordt met verleiding. Als er geen verleiding is, kan er geen deugd zijn. Maar die onverzettelijke monogamisten vormden geen risico. Als iemand door onwetendheid een van die ingetogen dames een oneerbaar voorstel deed, liep hij het risico van een klap in zijn gezicht noch van een mes; ze zou hem afwijzen en rustig doorpraten. Het zou ook niets geven als haar echtgenoot het hoorde; jaloezie komt niet voor bij een automatisch monogaam ras. Niet dat ik het ooit op de proef gesteld heb; voor mij leken ze op — en roken ze naar — bedorven brooddeeg. Waar geen verleiding bestaat is ook geen deugd.

Maar ik had gelegenheden om ‘deugd’ te tonen. Dat katje met de wespentaille had me in verleiding gebracht — en ik hoorde dat ze tot een beschaving behoorde waar vrouwen niet mogen trouwen voor ze bewezen hebben vruchtbaar te zijn, zoals in streken van de Zuidzee en bepaalde plaatsen in Europa; zij brak geen taboes van haar stam. Ik werd nog meer in verleiding gebracht door een andere griet, een liefje met een prachtig figuur, een geweldig gevoel voor humor, en een van de beste danseressen in welk universum dan ook. Ze timmerde niet aan de weg; ze liet me alleen maar weten dat ze het noch te druk had noch ongeïnteresseerd was, waarbij ze dat bargoens bekwaam, indirect gebruikte.