Dat was verkwikkend. Echt ‘Amerikaans’. Ik informeerde naar de gebruiken van haar stam en ontdekte dat ze hoewel strikt waar het het huwelijk betrof, anderszins veel door de vingers zagen. Ik zou nooit in aanmerking komen als schoonzoon, maar het raam stond open al was de deur dan op slot.
Dus piepte ik ‘m. Ik pleegde zelfonderzoek en moest nieuwsgierigheid bekennen die net zo ziekelijk was als die van alle vrouwen die me voorstellen hadden gedaan alleen omdat ik Sters gemaal was. De lieve kleine Zhai-ee was een van hen die geen kleren dragen. Die had ze altijd aan; van de punt van haar neus tot aan haar kleine teentjes was ze bedekt door zacht, glad, grijs bont, dat opmerkelijk op chinchilla leek. Prachtig!
Ik had het hart niet, ze was een veel te aardig kind. Maar deze verleiding bekende ik aan Ster — en Ster liet vriendelijk doorschemeren dat ik zaagsel in mijn hoofd moest hebben; Zhai-ee was zelfs onder haar eigen volk, welks leden beschouwd werden als zeer talentvolle aanbidders van Eros, een opmerkelijk artieste.
Ik bleef ‘m piepen. Bij een stoeipartijtje met zo’n lief kind zou liefde, althans een beetje liefde betrokken moeten zijn en het was geen liefde, alleen maar die mooie pels — en de angst dat een stoeipartijtje met Zhai-ee liefde zou kunnen worden — ze kon niet met me trouwen, zelfs al zou Ster me vrij laten.
Of me niet zou vrij laten — Centrum heeft geen wet tegen polygamie. Er zijn godsdiensten die wetten hebben voor en tegen zus en zo maar deze mengelmoes van beschavingen heeft talloze godsdiensten en die heffen elkaar op zoals tegenstrijdige gebruiken. Culturologisten stellen een ‘wet’ van godsdienstvrijheid waarvan ze zeggen dat die onveranderlijk is: godsdienstvrijheid in een cultureel geheel is omgekeerd evenredig aan de kracht van de sterkste godsdienst. Dit wordt geacht een geval van algemene onveranderlijkheid te zijn, dat alle vrijheden voortkomen uit culturele tegenstrijdigheden omdat een gebruik waar geen neutraliserend gebruik tegenover staat verplichtend is en altijd als een ‘natuurwet’ beschouwd wordt.
Rufo was het daar niet mee eens; hij zei dat zijn collega’s vergelijkingen op stelden met termen die niet te berekenen en niet te definiëren waren — gaatjes in hun hoofd! — en dat vrijheid nooit meer was dan een gelukkig toeval omdat de huis-tuin-of-keuken-idioot, alle menselijke rassen, alle vrijheid haat en vreest, niet alleen voor zijn naasten maar ook voor zichzelf en het vernietigt waar dat maar mogelijk is. Terug naar Onderwerp ‘A’ — Centrumbewoners gebruiken alle soorten huwelijksovereenkomsten. Of geen enkel. Ze beoefenen huiselijk verkeer, coïtus, voortplanting, vriendschap en liefde — maar niet noodzakelijkerwijs allemaal tegelijk, noch met dezelfde persoon. Overeenkomsten konden zo ingewikkeld zijn als bedrijfsfusies, met vermelding van duur, doel, verplichtingen, verantwoordelijkheden, aantal en sekse van de kinderen, methoden om het geslacht te bepalen, of er koekoeksmoeders gehuurd zouden worden, voorwaarden voor de opzegging en de mogelijkheid van verlenging — alles, behalve ‘huwelijkstrouw’. Het is een axioma dat dit niet verplicht kan worden en daarom niet in een contract kan worden opgenomen.
Maar huwelijkstrouw komt daar meer voor dan op Aarde: het wordt alleen niet in de wet opgenomen. Ze hebben een oud spreekwoord dat luidt Vrouwen en Katten. Het betekent: ‘Vrouwen en Katten doen waar ze zin in hebben en mannen en honden moeten zich daar maar bij neerleggen’. Er is ook een pendant! Mannen en het Weer, dat rechter op de man af is en zeker zo oud, want het weer hebben ze al lang onder controle.
De gebruikelijke overeenkomst is geen overeenkomst: hij brengt zijn kleren naar haar huis en blijft er wonen — tot ze hem buiten de deur smijt. Deze vorm staat in hoog aanzien vanwege zijn stabiliteit: een vrouw die ‘zijn schoenen wegwerpt’ heeft het moeilijk om een andere man te vinden die moedig genoeg is het risico van haar humeur te dragen. Mijn ‘overeenkomst’ met Ster was niet meer dan dat, als overeenkomsten, wetten en gebruiken van toepassing waren op de Keizerin, wat ze niet waren en niet konden zijn. Maar dat was niet de bron van mijn toenemend gevoel van onbehagen.
Geloof me, ik was niet jaloers.
Maar ik tobde in toenemende mate over die doden die zich in haar gedachten verdrongen.
Op een avond toen we ons kleedden voor de een of andere fuif snauwde ze tegen me. Ik had er over gebabbeld hoe ik mijn dag had doorgebracht, ik werd onderwezen in mathematica en ik was ongetwijfeld zo onderhoudend geweest als een kind dat het heeft over zijn dag op de kleuterschool. Maar ik was enthousiast, er opende zich een nieuwe wereld voor me — en Ster was altijd geduldig.
Maar ze snauwde tegen me in een baritonstem.
Ik verstijfde. ‘Je bent vandaag ingeprent!’
Ik kon voelen dat ze overschakelde. ‘O, vergeef me, lieveling! Nee, ik ben mezelf niet. Ik ben Zijne Wijsheid CLXXXII.’
Ik rekende snel. ‘Dat zijn er veertien die je opgenomen hebt sinds de Tocht — en in alle jaren daarvoor heb je er maar zeven opgenomen. Wat probeer je verdomme te doen? Jezelf verteren? Een idioot worden?’
Ze wilde me bijtend van repliek dienen. Toen antwoordde ze zacht: ‘Nee, zoiets riskeer ik niet.’
‘Ik heb wel anders gehoord.’
‘Wat jij gehoord mag hebben legt geen gewicht in de schaal, Omar, want niemand anders kan — mijn capaciteit beoordelen noch wat het betekent een inprenting te ondergaan. Tenzij je met mijn erfgenaam hebt gepraat?’
‘Nee.’ Ik wist dat ze hem uitgekozen had en ik nam aan dat hij een of twee inprentingen had ondergaan — een standaardvoorzorgsmaatregel tegen moord. Maar ik had hem niet ontmoet, wilde dat ook niet en wist niet wie hij was.
‘Vergeet dan wat ze je verteld hebben. Het heeft geen enkele betekenis.’ Ze zuchtte. ‘Maar lieveling, als je het niet erg vindt, ga ik vanavond maar niet; het is veel beter als ik naar bed ga en ga slapen. Die oude Stinkerd CLXXXII is de onaangenaamste persoon die ik ooit geweest ben — een briljant succes in een kritieke tijd — je moet over hem lezen. Maar innerlijk was hij een opvliegend beest dat de mensen haatte die hij hielp. Hij zit vers in mijn geheugen, ik moet hem onder bedwang houden.’
‘Oké, laten we naar bed gaan.’
Ster schudde het hoofd. ‘Slapen,’ zei ik. ‘Ik zal auto-suggestie gebruiken en dan weet je morgenochtend niet meer dat hij er ooit geweest is. Ga jij maar naar het feest. Zoek een avontuurtje en vergeet dat je een lastige vrouw hebt.’
Ik ging, maar ik was veel te veel uit mijn humeur om zelfs maar te denken aan ‘avontuurtjes’.
De Oude Naarling was de ergste niet. Ik kan me wel staande houden in een ruzie — en Ster, al was ze nog zo’n Amazone, was niet groot genoeg om me de baas te zijn. Als ze wild ging spelen zou ze eindelijk dat pak rammel krijgen. Ik hoefde ook niet bang te zijn voor tussenkomst van de wakers; dat was van het begin af aan afgesproken: als we samen alleen waren, waren we onder ons. Een derde er bij wijzigde dat en Ster alleen had ook geen privacy, zelfs in haar bad niet. Of haar bewakers mannen of vrouwen waren weet ik niet en dat zou haar ook niet hebben kunnen schelen. De bewakers waren nooit zichtbaar. Dus onze kibbelpartijtjes waren privé en deden ons allebei misschien wel goed, als een tijdelijke opluchting.
Maar ‘de Heilige’ was moeilijker te aanvaarden dan de Oude Naarling. Hij was Zijne Wijsheid CXLI en zo vervloekt nobel en geestelijk en vromer-dan-gij dat ik drie dagen ging vissen.
Ster zelf was sterk en opgekikkerd en vol levenslust; die vent dronk niet en rookte niet en kauwde geen kauwgum en uitte nooit een onvriendelijk woord — je kon Sters stralenkrans bijna zien, zo lang ze onder zijn invloed was. Wat erger was, hij had seks afgezworen toen hij zich aan de Universa wijdde en dit had een verbijsterende invloed op Ster; lieve onderworpenheid was haar stijl niet. Dus ging ik vissen.