Выбрать главу

Er is één goed ding van de Heilige te zeggen. Ster zegt dat hij de minst geslaagde keizer in die hele lange linie geweest is, met een talent om het verkeerde te doen uit vrome overwegingen, dus van hem heeft ze meer geleerd dan van ieder ander; hij beging iedere vergissing die er maar begaan kon worden. Hij werd na slechts vijftien jaar door van walging vervulde klanten vermoord, wat niet lang genoeg is om van zo iets logs als een multi-universum keizerrijk een komplete rotzooi te maken.

Zijne Wijsheid CXXXVII was een Zij — en Ster was twee dagen afwezig. Toen ze thuis kwam verklaarde ze dat. ‘Ik moest wel, lieve. Ik had altijd gedacht dat ik een woeste teef was — maar zij schokte mij zelfs.’

‘Hoe dan?’

‘Dat zeg ik niet, meneer. Ik heb mezelf intensief behandeld om haar zo ver te begraven dat je haar nooit zult tegenkomen.’

‘Ik ben nieuwsgierig.’

‘Dat weet ik en daarom heb ik haar een staak door het hart gedreven — helemaal niet leuk, ze was een directe voorouder van me. Maar ik was bang dat je haar liever zou mogen dan mij. Die onuitsprekelijke slet!’

Ik ben nog steeds nieuwsgierig.

De meesten van hun waren niet zulke vervelende kerels. Maar ons huwelijk zou gladder verlopen zijn als ik nooit geweten had dat ze er waren. Het is gemakkelijker om een vrouw te hebben die een beetje getikt is dan een vrouw die enkele pelotons is — voornamelijk mannen. Hun geestelijke aanwezigheid te beseffen, zelfs als Sters eigen persoonlijkheid de boventoon voerde, deed mijn libido geen goed. Maar ik moet toegeven dat Ster het mannelijke standpunt beter begreep dan welke vrouw in welke geschiedenis dan ook. Ze hoefde er niet naar te raden wat een man prettig zou vinden; ze wist er meer van af dan ik, uit ‘ondervinding’ — en ze kende absoluut geen remmingen om haar unieke kennis te delen.

Ik hoorde niet te klagen.

Maar dat deed ik wel, ik nam het haar kwalijk dat ze al die andere mensen was. Ze verdroeg mijn onredelijke klachten beter dan ik verdroeg wat ik voelde als een onrecht in mijn situatie tegenover die troep geesten.

Die geesten waren niet het ergste roet in het eten. Ik had geen baan. Ik bedoel niet van-negen-tot-vijf en het gras maaien op zaterdag en ’s avonds dronken worden in de club; ik bedoel dat ik geen doel had. Heb je wel eens naar een leeuw in een dierentuin gekeken? Vers vlees op tijd, vrouwtjes ter beschikking, geen jagers om je druk over te maken — hij heeft het voor elkaar, vind je niet?

Waarom ziet hij er dan zo verveeld uit ?

In het begin wist ik niet dat ik met een probleem worstelde. Ik had een mooie en liefhebbende vrouw; ik was zo rijk dat het niet eens te tellen was; ik woonde in een uiterst luxueus huis in een stad die mooier was dan enige op Aarde; iedereen die ik ontmoette was aardig tegen me; en wat het beste was op alleen maar mijn geweldige vrouw na, ik had grenzeloze gelegenheden om ‘te gaan studeren’ op een wonderbaarlijke en on-Aardse manier zonder noodzaak om achter een bal aan te hollen. Noch achter een bul. Ik hoefde nooit op te houden en had alle denkbare hulp. Ik bedoel, stel je voor dat Albert Einstein alles laat schieten om jou met je algebra te helpen, maat, of dat de Rand Corporation en General Electric samenwerken om visuele hulpmiddelen te verzinnen om iets voor jou wat gemakkelijker te maken.

Dat is grotere luxe dan rijkdom.

Ik merkte al spoedig dat ik de oceaan niet kon leegdrinken, al werd die aan mijn lippen gehouden. Alleen al op Aarde is de kennis zo uit de hand gelopen dat niemand alles kan begrijpen — je kunt dus wel raden wat een hoeveelheid er is in Twintig Universa, ieder met zijn eigen wetten, zijn eigen geschiedenis en alleen Ster weet hoeveel beschavingen.

In een taartjeswinkel wordt er bij het personeel op aangedrongen zoveel te snoepen als ze willen. Ze krijgen er gauw genoeg van.

Ik heb er nooit volkomen genoeg van gekregen; kennis heeft meer afwisseling. Maar mijn studie had geen doel. De Geheime Naam van God is net zo min te vinden in twintig universa als in één — en alle andere onderwerpen zijn net zo moeilijk tenzij je een natuurlijke aanleg hebt.

Ik had geen aanleg, ik was een dilettant — en dat realiseerde ik me toen ik merkte dat mijn leermeesters zich met me verveelden. Dus liet ik de meeste van hun gaan, hield me aan wiskunde en multi-universum-geschiedenis, hield er mee op te trachten alles te weten.

Ik dacht erover in zaken te gaan. Maar om dat prettig te vinden moet je van huis uit een zakenman zijn (dat ben ik niet). Of je moet geld nodig hebben. Ik had geld; ik kon het alleen maar verliezen — of, als ik winst maakte, zou ik nooit weten of het bevel verspreid was (door welke regering dan ook, waar dan ook): Ga niet tegen de gemaal van de Keizerin in, wij zullen je verlies wel goed maken.

Het was hetzelfde met pokeren. Ik introduceerde het spel en het kwam er snel in — en ik merkte dat ik het niet langer spelen kon. Pokeren moet je ernstig nemen anders is er niets aan — maar als je een oceaan met geld hebt, komt het er niets op aan of je er een paar druppels uithaalt of aan toevoegt. Ik moet wat uitleggen — de ‘civiele lijst’ van Hare Wijsheid is misschien niet zo groot geweest als de uitgaven van vele mensen op Centrum; het is een gemeenschap van rijke mensen. Maar hij was zo groot als Ster wilde, een bodemloze put met schatten. Ik weet niet hoeveel werelden het gelag betaalden, maar laten we zeggen twintig duizend met ieder drie miljard bewoners — het was meer dan dat.

Een cent de man van 60.000.000.000.000 mensen is zeshonderd miljard gulden. De cijfers betekenen niets behalve om aan te tonen dat het zelfs als je het zo verdeelt dat niemand er wat van merkt meer geld betekent dan ik aankon. Sters niet-regering van haar niet-Keizerrijk was dunkt me, een uitgave — maar haar persoonlijke uitgaven en de mijne, hoe weelderig die ook waren, deden niets ter zake.

Koning Midas verloor zijn belangstelling voor zijn spaarpot. Ik ook.

O, ik gaf wel geld uit. (Ik raakte het nooit aan — dat was niet nodig.) Onze ‘flat’ (ik wil het geen paleis noemen) — ons huis had een gymnastieklokaal, met meer verbeeldingskracht gebouwd dan de gymnastiekzaal van welke universiteit dan ook; ik liet er een salle d’armes bijbouwen en schermde veel, bijna iedere dag, met allerlei wapens. Ik liet schermdegens maken die overeenkwamen met Vrouwe Vivamus en de beste schermmeesters uit diverse werelden kwamen me om de beurt helpen. Ik liet er ook een schietterrein bijbouwen en liet mijn boog halen uit de Poort-grot in Karth-Hokesh en oefende me in boogschieten en andere schutterswapens. O, ik gaf zoveel geld uit als ik wilde.

Maar het was helemaal niet zo leuk.

Op een dag zat ik in mijn studeerkamer niets anders te doen dan te piekeren terwijl ik met een kom vol juwelen speelde. Ik had een poos met het ontwerpen van juwelen gehannest. Ik had er op de middelbare school belang in gesteld: ik had een zomer bij een juwelier gewerkt. Ik kan tekenen en werd gefascineerd door mooie stenen. Hij had me boeken geleend en ik haalde er meer uit de bibliotheek — en één keer heeft hij een ontwerp van me gebruikt.

Ik had een Roeping.

Maar juweliers worden niet uitgesloten van de militaire dienst, dus ik liet het schieten — tot Centrum.

Begrijp je, ik kon Ster geen geschenk geven tenzij ik het zelf maakte. Dat deed ik dus. Ik maakte namaak-juwelierswerk van echte stenen, bestudeerde het (hulp van experts zoals gebruikelijk), liet een overvloedige verzameling stenen komen, tekende ontwerpen, zond stenen en tekeningen op om gemaakt te worden.

Ik wist dat Ster dol was op kleren met juwelen; ik wist dat ze ze graag ondeugend had — niet in de zin van het overtreden van taboes, die waren er niet — maar provocerend, de natuur willen overtreffen, de aandacht op datgene vestigend dat het nauwelijks nodig had.