De dingen die ik ontworpen had zouden op hun plaats geweest zijn in een Franse revue — maar van echte stenen. Saffieren en goud stonden goed bij Sters blonde schoonheid en die had ik gebruikt. Maar ze kon iedere kleur dragen en ik had ook andere juwelen gebruikt.
Ster was verrukt van mijn eerste poging en droeg het die avond. Ik was er trots op; ik had het ontwerp uit mijn geheugen nagemaakt van een kostuum dat gedragen werd door een revue-meisje in een nachtclub in Frankfurt op de eerste dag dat ik gedemobiliseerd was — iets van een lendedoek, een lange doorschijnende rok die aan een kant vanaf de heup openviel en met lovertjes erop (ik gebruikte saffieren), iets dat geen bustehouder was maar een blikvanger, helemaal bezet met juwelen en een bijpassend dingsigheidje in haar haar. Gouden sandalen met hoge saffieren hakken. Ster was van harte dankbaar voor andere die er op volgden. Maar ik kwam iets te weten. Ik ben geen juwelen-ontwerper.
Ik zag geen kans om de beroepsmensen te evenaren die hun waren verkochten aan de rijken op Centrum. Ik besefte al spoedig dat Ster mijn ontwerpen droeg omdat ze een geschenk van mij waren, net zoals mammie de tekeningen die zoontjelief van de kleuterschool mee naar huis brengt tegen de muur plakt. Dus hield ik er mee op.
Die kom met juwelen slingerde al wekenlang in mijn studeerkamer rond — vlammende opalen, sardonyx, kornalijnen, diamanten en turkooisen en robijnen, maanstenen en saffieren en granaten, groene olivijnen, smaragden, chrysolieten — vele, die geen Engelse namen hadden. Ik liet ze door mijn vingers lopen, keek naar de veelkleurige vuurvallen en had medelijden met mezelf. Ik vroeg me af hoeveel die mooie knikkertjes op Aarde zouden kosten? Ik kon het op geen miljoen dollar schatten.
Ik borg ze ’s avonds niet eens achter slot en grendel. En ik was die vent die zijn studie moest afbreken bij gebrek aan lesgeld en ballen gehakt.
Ik schoof ze opzij en liep naar mijn raam — dat was er omdat ik tegen Ster gezegd had dat ik het niet prettig vond dat er geen raam in mijn studeerkamer was. Dat was kort na mijn aankomst en ik heb maanden later pas ontdekt wat er allemaal tegen de grond gegooid was om mij te behagen. Ik had gedacht dat ze gewoon een gat in de muur gemaakt hadden.
Het was een prachtig uitzicht, meer een park dan een stad, bezaaid maar niet volgepropt met mooie gebouwen. Het was moeilijk om te beseffen dat het een stad was die groter was dan Tokio; het ‘geraamte’ zag je niet en de bevolking werkte wel een halve planeet verderop.
Er klonk een gemurmel zacht als bijengezoem, zoals het gedempte gedender dat je in New York nooit ontvluchten kunt — maar zachter, net voldoende om me te realiseren dat ik omgeven was door mensen, ieder met zijn baan, zijn doel, zijn functie.
Mijn functie? Gemaal.
Gigolo!
Ster had, zonder het zich te realiseren, prostitutie ingevoerd in een wereld die dat nooit gekend had. Een onschuldige wereld, waar man en vrouw alleen maar samen naar bed gingen omdat ze dat allebei wilden.
Een prins-gemaal is geen prostitué. Hij heeft zijn werk en dat is vaak vervelend; zijn doorluchtige levensgezellin vertegenwoordigen, eerste stenen leggen, redevoeringen afsteken. Bovendien is het zijn plicht er als koninklijke dekhengst voor te zorgen dat de tak niet uitsterft.
Dat had ik allemaal niet. Zelfs niet de plicht om Ster aangenaam bezig te houden — verdorie, binnen een straal van vijftien kilometer waren er miljoenen mannen die de gelegenheid met beide handen zouden aangrijpen.
De avond tevoren was een rotavond geweest. Het was slecht begonnen en het werd een van die bedsermoenen die echtparen soms afsteken en die lang niet zo gezond zijn als een laaiende ruzie. Wij hadden het gedaan, net zo huiselijk als een werkende idioot die zich zorgen maakt over rekeningen en over de baas.
Ster had iets gedaan wat ze nooit eerder gedaan had: ze had werk mee naar huis genomen. Vijf mannen, die betrokken waren bij de een of andere inter-melkweg herrie — ik heb nooit geweten waar het over ging, want het gesprek had al uren geduurd en soms spraken ze een taal die ik niet kende. Ze negeerden me, ik was een meubelstuk. Op Centrum wordt zelden voorgesteld; als je tegen iemand wilt praten, zeg je ‘Zelf’ en wacht af. Als hij geen antwoord geeft, loop je verder. Als hij dat wel doet, wissel je identiteiten uit.
Dat deden ze geen van allen en ik zou vervloekt zijn als ik er mee begon. Als vreemdelingen in mijn huis stond het aan hun. Maar ze gedroegen zich niet alsof het mijn huis was. Ik zat daar als de Onzichtbare Man en werd steeds nijdiger. Ze bleven redeneren terwijl Ster luisterde. Even later liet ze haar kameniersters komen en die begonnen haar uit te kleden en haar haar te borstelen. Centrum is geen Amerika, ik had geen reden om geschokt te zijn. Wat ze deed was onbeschoft tegenover hen, ze behandelde hén als meubelstukken (het was haar niet ontgaan hoe ze mij behandeld hadden). Een van hun zei humeurig: ‘Uwe Wijsheid, ik wou dat U luisterde, zoals U beloofd hebt.’
Ster zei koeltjes: ‘Ik beoordeel mijn eigen gedrag. Daar is niemand anders toe in staat.’
Dat was waar. Zij kon haar gedrag beoordelen, die kerels niet. En ik ook niet, besefte ik bitter. Ik was boos op haar geweest (zelfs al wist ik dat het er niet op aan kwam) omdat ze haar meisjes geroepen had en zich gereed maakte om naar bed te gaan, waar die uilskuikens bij waren — en ik had me voorgenomen haar te zeggen dat dat niet nog eens moest voorkomen. Ik besloot dit punt niet aan de orde te brengen.
Kort daarna bracht Ster ze tot zwijgen. ‘Hij heeft gelijk. U heeft ongelijk. Regel het op die manier. Verdwijn.’
Maar ik had me wel voorgenomen het zijdelings ter sprake te brengen door er bezwaar tegen te maken dat ze ‘neringdoenden’ mee naar huis bracht.
Ster was me voor. Ogenblikkelijk toen we alleen waren zei ze: ‘Liefste, vergeef me. Ik had er in toegestemd die dwaze warboel aan te horen en ze bleven het maar rekken en toen dacht ik dat ik er snel een eind aan zou kunnen maken als ik ze maar uit hun stoelen kreeg en ze hier liet staan en ze duidelijk maakte dat het me de keel uithing. Ik had nooit gedacht dat ze nog een uur zouden blijven twisten voor dat ik het kardinale punt eruit had gekregen. En ik wist, dat als ik het tot morgen zou uitstellen ze er dan weer uren over zouden blijven doorgaan. Maar het was een belangrijk probleem, ik kon het niet laten schieten.’ Ze zuchtte. ‘Die belachelijke vent — toch klauteren dergelijke mensen naar topposities. Ik heb erover gedacht hem in het belang van het bedrijf te laten doden. In plaats daarvan moest ik hem zijn fout laten herstellen, anders zou dezelfde situatie weer ontstaan.’
Ik kon er niet eens op zinspelen dat ze het oordeel dat ze geveld had, geveld had uit ergernis; de man over wie ze gekankerd had was degene in wiens voordeel ze had beslist. Dus zei ik, ‘Laten we naar bed gaan, je bent moe,’ — en toen was ik zo stom niet te kunnen nalaten zelf een oordeel over haar te vellen.
XIX
We gingen naar bed.
Even later zei ze: ‘Omar, je bent ontstemd.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Dat kan ik voelen. Het gaat ook niet alleen om vanavond en die vervelende kwibussen. Je hebt je teruggetrokken en voelt je ongelukkig.’ Ze wachtte.
‘Er is niets.’
‘Omar, iets wat jou bekommert kan voor mij nooit ‘niets’ zijn. Hoewel ik het misschien niet besef voor ik weet wat het is.’
‘Nou dan — ik voel me zo vervloekt nutteloos!’
Ze legde haar zachte, sterke hand op mijn borst. ‘Voor mij ben je niet nutteloos. Waaróm voel je jezelf nutteloos?’
‘Nou — kijk eens naar dit bed!’ Het was een bed waarvan Amerikanen nooit gedroomd hebben; het kon alles behalve je een nachtkus geven — en, net als de stad, was het mooi, je zag het geraamte niet. ‘Deze brits zou thuis meer kosten — als ze het al zouden kunnen maken — dan het beste huis waar mijn moeder ooit in gewoond heeft.’