Daar dacht ze over na. ‘Zou je geld naar je moeder willen sturen?’ Ze gebaarde naar de communicator naast het bed. ‘Is Elmendorf, Amerikaanse Luchtbasis genoeg als adres?’
(Ik herinnerde me niet dat ik haar ooit verteld had waar Moeder woonde.) ‘Nee, nee!’ Ik gebaarde naar de spreekbuis en schakelde hem daarmee uit. ‘Ik wil haar geen geld sturen. Haar echtgenoot onderhoudt haar. Hij zou geen geld van mij aannemen. Daar gaat het ook niet om.’
‘Dan begrijp ik nog niet waar het om gaat. Bedden komen er niet op aan, het gaat er om wie er in ligt. Mijn lieveling, als je niet van dit bed houdt, nemen we een ander. Of we gaan op de vloer slapen. Bedden zijn niet belangrijk.’
‘Dit bed is oké. Het enige dat er verkeerd aan is, is dat ik het niet betaald heb. Dat heb jij gedaan. Dit huis. Mijn kleren. Het voedsel dat ik eet. Mijn — mijn speelgoed! Alles wat ik verdomme bezit, heb ik van jou gekregen. Weet je wat ik ben, Ster? Een gigolo! Weet je wat een gigolo is? Een enigszins-mannelijke prostitué.’
Een van de meest ergerlijke gewoonten van mijn vrouw was soms te weigeren terug te snauwen als ze wist dat mijn handen jeukten om ruzie te maken. Ze keek me bedachtzaam aan. ‘In Amerika is het druk, hè? Iedereen werkt daar altijd, vooral de mannen.’
‘Nou... ja.’
‘Dat is niet overal gebruikelijk, zelfs op de Aarde niet. Een Fransman voelt zich niet ongelukkig als hij niets te doen heeft; hij bestelt nog een café au lait en laat de schoteltjes opstapelen. En ik ben ook niet zo dol op werken. Omar, ik heb onze avond bedorven uit luiheid, omdat ik er te veel op uit was te voorkomen dat ik morgen met een vermoeiende taak opnieuw beginnen moest. Die fout zal ik niet nog eens maken.’
‘Ster, dat geeft niet. Dat is voorbij.’
‘Dat weet ik. Het eerste geschilpunt is maar zelden het kardinale punt. Noch het tweede. Noch, soms, het tweeëntwintigste. Omar, je bent geen gigolo.’
‘Hoe noem jij het dan? Als het lijkt op een eend en kwaakt als een eend en zich gedraagt als een eend, noem ik het een eend. Noem jij het maar een bos rozen. Hij kwaakt toch nog.’
‘Nee. Dit allemaal om ons heen —’ Ze gebaarde. ‘Het bed. Dit mooie vertrek. Het voedsel dat we eten. Mijn kleren en de jouwe. Onze prachtige vijvers. De nacht-hofmeester die op wacht staat omdat jij of ik misschien wel een zangvogel of een rijpe meloen zouden willen hebben. Onze hangende tuinen. Alles wat we zien of aanraken of gebruiken of van houden — en nog duizend maal zoveel in verre landen, dat alles heb jij met je eigen sterke handen verdiend; het is rechtens van jou.’
Ik snoof. ‘Het is zo,’ hield ze vol. ‘Dat was onze overeenkomst. Ik beloofde je grote avonturen en grotere schatten en nog grotere gevaren. Je stemde er mee in. Je hebt gezegd: ‘Prinses, je hebt een knaap in dienst genomen.’ Ze glimlachte. ‘En wat voor een knaap. Lieveling, ik geloof dat de gevaren groter waren dan jij dacht... dus was ik, tot nu toe, blij dat de schatten groter zijn dan je ooit had kunnen denken. Schrik er dus alsjeblieft niet voor terug ze aan te nemen. Je hebt ze verdiend, en meer dan dat — zoveel als je ooit zult willen aannemen.’
‘Eh — zelfs al heb je gelijk, dan is het nog te veel. Ik verdrink in suikergoed!’
‘Maar, Omar, je hoeft niets te accepteren wat je niet hebben wilt. We kunnen eenvoudig leven. In één kamer met een opklapbed tegen de muur als je dat graag wilt.’
‘Dat is geen oplossing.’
‘Misschien wil je liever vrijgezellenkamers, in de stad?’
‘ ‘Mijn schoenen wegwerpen’, hè?’
Ze zei zonder stemverheffing: ‘Mijn echtgenoot, als je schoenen ooit worden weggeworpen, zul je ze zelf moeten wegwerpen. Ik ben over je zwaard gesprongen. Ik zal niet terugspringen.’
‘Kalmpjes aan!’ zei ik. ‘Het was jouw voorstel. Als ik het verkeerd begrepen heb, spijt me dat. Ik weet dat je je woord niet breekt. Maar je zou er spijt van kunnen hebben.’
‘Ik heb er geen spijt van. Jij wel?’
‘Nee, Ster, nee! Maar —’
‘Dat is een lang zwijgen na zo’n kort woord,’ zei ze. ernstig. ‘Wil je het me vertellen?’
‘Eh... dat is het juist. Waarom heb jíj het mij niet verteld?’
‘Wat verteld, Omar? Er zijn zoveel dingen te vertellen.’
‘Nou, een heleboel. Wat me te wachten stond. Dat jij de Keizerin van het hele spul bent in de eerste plaats... voor dat je me met je over het zwaard liet springen.’
Haar gezicht veranderde niet maar er rolden tranen over haar wangen. ‘Ik zou kunnen antwoorden dat je het me niet gevraagd hebt —’
‘Ik wist niet wat ik moest vragen!’
‘Dat is waar. Ik zou naar waarheid kunnen verzekeren dat ik geantwoord zou hebben als je er naar gevraagd had. Ik zou kunnen aanvoeren dat ik je niet over het zwaard ‘liet’ springen, dat je al mijn tegenwerpingen van je afschoof, dat het niet nodig was me de eer van een huwelijk volgens de wetten van jouw volk aan te doen... dat ik een meid was waar je naar welgevallen mee naar bed kon gaan. Ik zou erop kunnen wijzen dat ik geen keizerin ben, niet koninklijk, maar een werkende vrouw met een baan die haar zelfs de luxe van nobel zijn niet toestaat. Dat is allemaal waar. Maar ik zal me er niet achter verstoppen. Ik zal je vraag beantwoorden.’ Ze ging over op het Neviaans. ‘Heer Held, ik vreesde zeer dat je me zou verlaten als ik me niet aan je wil onderwierp!’
‘Vrouwe Echtgenote, heb je werkelijk gedacht dat je ridder je in het uur van je nood zou verlaten?’ Ik vervolgde in het Engels: ‘Nou, dat doet de deur dicht. Je bent met me getrouwd omdat dat vervloekte Ei heroverd moest worden en Jouw Wijsheid je zei dat ik nodig was voor dat karwei — en ‘m wel eens zou kunnen smeren als je het niet deed. Nou, Uwe Wijsheid is niet pienter geweest op dat punt; ik ga er niet vandoor. Dom van me, maar ik ben halsstarrig.’ Ik begon op te staan.
‘Heer Geliefde!’ Ze huilde nu openlijk.
‘Neem me niet kwalijk. Ik moet een paar schoenen opzoeken. Kijken hoever ik ze weg kan werpen.’ Ik was zo onhebbelijk als alleen een man kan zijn wiens trots gekrenkt is.
‘Alsjeblieft, Omar, alsjeblieft. Luister eerst naar me.’
Ik slaakte een zucht. ‘Ga je gang.’
Ze greep mijn hand zo stevig dat ik vingers verloren zou hebben als ik getracht had me los te trekken. ‘Hoor me tot het einde toe aan. Mijn geliefde, dat was het helemaal niet. Ik wist dat je onze speurtocht niet zou opgeven voor het volbracht was of we dood waren. Dat wist ik. Niet alleen had ik rapporten gehad die jaren bestreken toen ik je nog nooit gezien had, maar we hadden samen blijdschap gekend en gevaar en ontberingen; ik kende je moed. Maar als het nodig was geweest had ik je kunnen omspinnen met een net van woorden, je kunnen overhalen toe te stemmen in alleen maar een verloving — tot na de tocht. Je bent romantisch, je zou er in toegestemd hebben. Maar lieveling, lieveling, ik wilde met je trouwen... je aan me binden volgens jouw wetten, zodat’ — ze zweeg om tranen terug te dringen — ‘zodat, wanneer je dat en dat en dat alles en de dingen die je ‘je speelgoed’ noemt zag, tóch nog bij me zou willen blijven. Het was geen politiek, het was liefde — romantische en onberedeneerde liefde, liefde voor je eigen lieve persoon.’
Ze verborg haar gezicht in haar handen en ik kon haar nauwelijks verstaan. ‘Maar ik weet zo weinig van liefde. Liefde is een vlinder, die neerstrijkt waneer het hem zint, vertrekt wanneer hij verkiest; hij wordt nooit door ketenen gebonden. Ik heb gezondigd. Ik heb getracht je te binden. Onrechtvaardig wist ik dat het was, wreed tegenover jou begrijp ik nu dat het is.’ Ster keek op met een bittere glimlach. ‘Zelfs Hare Wijsheid ontbreekt het aan wijsheid als het er op aankomt vrouw te zijn. Maar wat een dwaze meid ik ook ben, ik ben niet te halsstarrig om te begrijpen dat ik mijn echtgenoot onrecht heb aangedaan als ik er met mijn neus word opgedrukt. Ga, ga je zwaard halen; ik zal er over terug springen en dan zal mijn ridder bevrijd zijn uit zijn zijden kooi. Ga, Heer Held, terwijl ik er nog de kracht voor heb.’