‘Hoe dan? Dat is me ontgaan.’
Ze legde haar hand op de mijne. ‘Ik wilde niet dat je oud zou worden — en sterven! — terwijl ik jong bleef.’
Ik knipperde met mijn ogen. ‘Gut, dame, dat was nog eens egoïstisch van je, vind je niet? Maar je had me kunnen vernissen en me in de slaapkamer houden. Net als je tante.’
Ze trok een lelijk gezicht. ‘Je bent een akelige man. Ze heeft ze niet laten vernissen.’
‘Ster, ik heb hier nergens van die soevenirlijken gezien.’
Ze keek verbaasd. ‘Maar dat is op de planeet waar ik geboren ben. Dit universum, een andere ster. Heb ik dat nooit verteld?’
‘Ster, mijn lieveling, meestal heb je niets verteld.’
‘Het spijt me. Omar, ik wil je nergens mee overrompelen. Stel me vragen. Vanavond. Wat je maar wilt.’
Dat overdacht ik. Er was iets wat ik me afgevraagd had, een bepaald gemis. Of misschien hadden de vrouwen van haar deel van het ras een andere periode. Maar ik had gezwegen vanwege het feit dat ik met een grootmoeder getrouwd was — hoe oud? ‘Ster, ben je zwanger?’
‘Wel, nee, lieve. O! Wil je dat graag? Wil je dat we kinderen krijgen?’
Ik stamelde, trachtend uit te leggen dat ik er niet zeker van geweest was dat het mogelijk was — of dat ze het misschien al was. Ster keek bekommerd. ‘Ik ga je weer van je stuk brengen. Ik moest het maar liever allemaal vertellen. Omar, ik ben net zo min voor weelde groot gebracht als jij. Een prettige jeugd, mijn ouders hadden een veefokkerij. Ik ben jong getrouwd en ik was een eenvoudige wiskundelerares met als hobby research in conjecturale en facultatieve geometrie. Toverij bedoel ik. Drie kinderen. Mijn man en ik konden het goed samen vinden... tot ik kandidaat gesteld werd. Niet verkozen, alleen maar voorgedragen voor onderzoek en eventuele training. Hij wist dat ik een erfelijke kandidaat was toen hij met me trouwde — maar dat waren miljoenen anderen ook. Het leek niet belangrijk.
‘Hij wilde dat ik weigerde. Dat had ik bijna gedaan. Maar toen ik accepteerde, nou — toen ‘wierp hij mijn schoenen weg’. We doen het daar officieel; hij plaatste een advertentie dat ik niet langer zijn vrouw was.’
‘Zo, deed hij dat? Vind je het goed dat ik hem ga opzoeken en hem zijn armen breek?’
‘Lieve, lieve! Dat is vele jaren geleden en heel ver weg; hij is al lang dood. Het komt er niet op aan.’
‘In ieder geval is hij dood. Je drie kinderen — was een van hen Rufo’s vader? of moeder?’
‘O, nee! Dat was veel later.’
‘Nou?’
Ster slaakte een diepe zucht. ‘Omar, ik heb zo ongeveer vijftig kinderen.’
Dat deed de deur dicht. Te veel schokken ineens en ik denk dat het aan me te zien was want Sters gezicht weerspiegelde grote bezorgdheid. Ze raffelde haar verklaring af.
Toen ze tot erfgenaam werd uitgeroepen werden er veranderingen in haar aangebracht, chirurgisch, biochemisch en endocrien. Niets zo drastisch als sterilisatie en met een ander doel en door middel van technieken die veel gevoeliger zijn dan de onze. Maar het resultaat was dat er ongeveer tweehonderd kleine stukjes van Ster — levende en latente ova — op bijna het absolute nulpunt werden opgeborgen.
Een stuk of vijftig ervan waren tot leven gebracht, voornamelijk door keizers die reeds lang dood waren, maar ‘leefden’ in hun bewaarde zaad — genetische gokken om een of meer toekomstige keizers voort te brengen. Ster had ze niet gebaard; de tijd van een erfgenaam is te kostbaar. De meeste had ze nooit gezien; Rufo’s vader was een uitzondering. Ze zei het niet, maar ik denk dat Ster het prettig vond om een kind over de vloer te hebben om mee te spelen en lief te hebben — tot de inspannende eerste jaren van haar regering en de Opsporing van het Ei haar geen tijd meer overlieten.
De verandering had een tweeledig doeclass="underline" een paar honderd kinderen van prima afkomst van een enkele moeder te krijgen en de moeder haar vrijheid te verzekeren. Door de een of andere endocriene regeling was Ster vrijgesteld van Eva’s cyclus maar bleef ze op alle manieren jeugdig — geen pillen of hormooninjecties; dit was permanent. Ze was gewoon een gezonde vrouw die nooit ‘vervelende dagen’ had. Dat was niet voor haar gemak maar om te verzekeren dat haar oordeel als Opperrechter nooit door haar klieren de das zou worden omgedaan. ‘Dat is verstandig,’ zei ze ernstig. ‘Ik herinner me nog wel dat er dagen waren dat ik mijn beste vriendin zonder reden afsnauwde en dan in tranen uitbarstte. Je kunt geen juist oordeel vellen als je zulke buien hebt.’
‘Eh, heeft het invloed op je belangstelling? Ik bedoel je verlangen om —’
Ze grinnikte oprecht tegen me. ‘Wat dacht je?’ Ze voegde er aan toe: ‘Het enige dat invloed heeft op mijn libido — ten kwade, bedoel ik — zijn... is! — jouw taal is toch zo vreemd opgebouwd — is-zijn die beroerde inprentingen. Soms zijn ze opwekkend, soms deprimerend — en je zult je nog wel één vrouw herinneren wier naam we niet zullen noemen die zo’n verslindende invloed op me had dat ik niet bij je in de buurt durfde te komen voor ik haar zwarte ziel had uitgedreven! Een nieuwe inprenting heeft ook invloed op mijn oordeel, daarom behandel ik nooit een zaak voor ik de laatste verwerkt heb. Ik zal blij zijn als ze afgelopen zijn!’
‘Ik ook.’
‘Niet zo blij als ik zal zijn. Maar afgezien daarvan, lieveling, ben ik als vrouw niet zo veranderlijk en dat weet je wel. Gewoon mijn eigen ontuchtige ik, dat kleine jongetjes als ontbijt eet en ze er toe verleidt over zwaarden te springen.’
‘Hoeveel zwaarden?’
Ze keek me scherp aan. ‘Sinds mijn eerste man me op straat gezet heeft ben ik niet getrouwd geweest tot ik met jou trouwde, Meneer Gordon. Als dat niet is wat je bedoelde, vind ik niet dat je me verwijten kunt maken over dingen die gebeurd zijn voor jij geboren bent. Als je vanaf die tijd bijzonderheden wenst, zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Je ziekelijke nieuwsgierigheid, mag ik wel zeggen.’
‘Je wilt opsnijden. Meid, daar geef ik je geen kans toe.’
‘Ik wil niet opsnijden. Ik heb niets om over op te snijden. De Crisis van het Ei liet me bijna geen tijd over om vrouw te zijn, verdomme! Tot Omar het konijn op het toneel verscheen. Welbedankt, meneer.’
‘En geen onfatsoenlijke praatjes!’
‘Ja, meneer. Zo’n lief konijn! Maar je hebt ons een eind van ons apropos gebracht, lieve. Als jij kinderen wilt hebben — ja, lieveling. Er zijn nog ongeveer tweehonderddertig eitjes over en die behoren mij. Niet het nageslacht. Niet het geliefde volk, lieve hebzuchtige schatjes dat het zijn! Niet die voor-God-spelende genetische manipulators. Mij! Het is alles wat ik bezit. Al het andere is ex officio. Maar die zijn van mij... en als jij wilt, zijn ze van jou, mijn enige liefste.’
Ik had ‘Ja’ moeten zeggen en haar een kus geven. Maar wat ik zei was: ‘Eh, laten we niet te haastig zijn.’
Haar gezicht betrok. ‘Zoals Heer Held Echtgenoot behaagt.’
‘Kijk eens, word nu niet Neviaans en officieel. Ik bedoel, nou, ik moet er aan wennen. Injectiespuiten en zo vermoed ik, en geknoei door technici. En, hoewel ik besef dat jij geen tijd hebt om zelf een kind te krijgen —’
Ik probeerde te zeggen dat ik, zolang als ik niet meer in de ooievaar geloofde, de gebruikelijke situatie als vanzelfsprekend had aangenomen en dat kunstmatige inseminatie zelfs tegenover een koe een rotstreek was — en dat dit gedoe, waar aan beide zijden een derde aan te pas kwam, me deed denken aan automaten in een automatiek of aan een pak van een verzendhuis. Maar gun me de tijd en dan pas ik me wel aan. Net zoals zij zich had aangepast aan die vervloekte inprentingen —
Ze greep mijn handen. ‘Lieveling, dat hoef je niet!’
‘Wat hoef ik niet?’
‘Aan je laten knoeien door technici. En ik neem gewoon de tijd om jouw baby te krijgen. Als je het niet erg vindt dat mijn lichaam lomp en kolossaal wordt — dat gebeurt, heus, dat weet ik nog goed — dan zal het me een vreugde zijn om het te doen. Het zal allemaal net zijn als bij andere mensen, voor zover jou betreft. Geen spuiten. Geen technici. Niets om je trots te krenken. O, ik zal bewerkt moeten worden. Maar ik ben er aan gewend te worden behandeld als een prijskoe; het betekent niet meer dan een bezoek aan de kapper.’