Выбрать главу

‘We zijn niet in Nevia, en hier heeft een vrouw zelf wat te vertellen. Je zoekt uitvluchten, meid.’

Ze grinnikte ondeugend. ‘Omvat dat ‘Als’ van jou Muri? En Letva? Van hen houdt hij het meest, hij zou nooit zonder hun op reis gaan. En dan die kleine hoe-heet-ze-ook-weer? — die kleine Lolita?’

‘Ik geef het op. Ik wilde alleen maar proberen te bewijzen dat het springen over een zwaard van een dartel wijfje geen non maakt.’

‘Dat besef ik. mijn Held,’ zei ze zonder stemverheffing. ‘Ik kan alleen maar zeggen dat ik van plan ben dat dit wijfje haar Held geen ogenblik ongerust zal maken — en mijn plannen worden meestal uitgevoerd. Ik ben niet voor niets ‘Hare Wijsheid’.’

‘Dat kan er mee door. Ik heb nooit gedacht dat je op die manier onrust zou veroorzaken. Ik trachtte aan te tonen dat de taak misschien niet te zwaar zal blijken. Verdorie, we zijn afgedwaald. Dit is mijn werkelijke probleem. Ik deug nergens voor. Ik ben waardeloos.’

‘Jawel, mijn liefste! Je bent mij een heleboel waard.’

‘Maar voor mezelf deug ik niet. Ster, gigolo of geen gigolo, ik kan geen schoothondje zijn. Zelfs het jouwe niet. Rijk eens, jij hebt je werk. Daar heb je je handen aan vol en het is belangrijk werk. Maar ik? Er is voor mij niets te doen, helemaal niets! — niets anders dan het ontwerpen van mislukt juwelierswerk. Weet je wat ik ben? Een beroepsheid, dat heb je tegen me gezegd; jij hebt me geronseld. Nu ben ik met pensioen. Kun je iets noemen in alle twintig universa, dat nuttelozer is dan een gepensioneerde held?’

Ze noemde er een paar op. Ik zei: ‘Smoesjes. En hoe dan ook, ze verpesten de maagdelijkheid van de mannelijke borst. Ik meen het ernstig, Ster. Dit is het punt waardoor ik onmogelijk geworden ben om mee te leven. Lieveling, ik vraag je om je hele verstand hier voor in te zetten en al die geestelijke assistenten. Behandel het op de manier waarop je een probleem van het Keizerrijk behandelt. Houd rekening met mijn hele situatie — met alles wat je van me weet — en vertel me dan wat ik met mijn handen, mijn hoofd en mijn tijd kan doen wat de moeite waard is. Ik, zoals ik ben.’

Ze bleef een hele tijd heel stil zitten, haar gezicht in die beroepskalmte die ik ook van haar gezien had, de keren dat ik bij haar werk tegenwoordig was geweest. ‘Je hebt gelijk,’ zei ze tenslotte. ‘Op deze planeet is niets wat jouw gaven waard is.’

‘Wat moet ik dán doen?’

Ze zei toonloos: ‘Je moet vertrekken.’

‘Hè?’

‘Denk je dat ik die oplossing prettig vind, mijn echtgenoot? Denk je dat ik de meeste oplossingen die ik moet geven prettig vind? Maar je hebt me gevraagd het beroepshalve in overweging te nemen. Ik heb gehoorzaamd. Dit is de oplossing. Je moet deze planeet verlaten — en mij.’

‘Dus mijn schoenen worden toch weggeworpen?’

‘Wees niet bitter, Heer. Het is de oplossing. In mijn privé-leven kan ik ontwijkend en vrouwelijk zijn; ik kan niet weigeren te denken als ik afgesproken heb dat te doen als ‘Hare Wijsheid’. Je moet me verlaten. Maar nee, nee, nee, je schoenen worden niet weggeworpen! Je zult gaan, omdat je moet. Niet omdat ik het wens.’ Haar gezicht bleef kalm, maar de tranen begonnen weer te stromen. ‘Je kunt niet op een kat rijden... noch een slak laten rennen... noch een slang vliegen leren. Noch van een Held een schoothondje maken. Ik heb het geweten, ik heb geweigerd het onder ogen te zien. Je zult doen wat je doen moet. Maar je schoenen zullen altijd bij mijn bed blijven staan, ik stuur je niet weg!’ Ze knipperde haar tranen weg. ‘Ik kan niet tegen je liegen, zelfs niet door te zwijgen. Ik kan niet zeggen dat er hier geen andere schoenen zullen staan... als je lang weg blijft. Ik ben eenzaam geweest. Er bestaan geen woorden om uit te drukken hoe eenzaam dit werk is. Als jij weggaat... zal ik eenzamer zijn dan ooit tevoren. Maar je zult je schoenen hier vinden als je terugkomt.’

‘Als ik terugkom? Heb je een Visioen?’

‘Nee, Heer Held. Ik heb alleen een voorgevoel... dat als je in leven blijft... dat je terug zult komen. Misschien vele malen. Maar Helden sterven niet in bed. Zelfs deze niet.’ Ze knipperde en de tranen droogden en haar stem klonk vast. ‘Nu, Heer Echtgenoot, als het je behaagt, zullen we dan de lichten doven en gaan rusten?’

Dat deden we en ze legde haar hoofd op mijn schouder en ze huilde niet. Maar we sliepen ook niet. Na een pijnlijke stilte zei ik: ‘Ster, hoor jij wat ik hoor?’

Ze hief haar hoofd op. ‘Ik hoor niets.’

‘De Stad. Hoor je dat niet? Mensen. Machines. Zelfs gedachten, zo zwaar dat je ze tot in je gebeente kunt horen en je oor ze bijna kan verstaan.’

‘Ja. Ik ken dat geluid.’

‘Ster, vind je het hier prettig?’

‘Nee. Het is nooit noodzakelijk geweest dat ik het hier prettig vond.’

‘Luister dan eens, verdorie! Je hebt gezegd dat ik heen zal gaan. Ga met me mee.’

‘O, Omar!’

‘Wat ben je hun verschuldigd? Is de herovering van het Ei niet voldoende? Laat ze een nieuw slachtoffer kiezen. Ga weer met me langs het Pad van Roem! Er moet in mijn vak toch wel ergens wat te doen zijn.’

‘Voor Helden is er altijd werk.’

‘Oké, we gaan in zaken, jij en ik. Held-zijn is niet zo’n slecht baantje. Je maaltijden krijg je ongeregeld en de betaling is onzeker — maar het is nooit vervelend. We plaatsen advertenties: ‘Gordon & Gordon, Heldendaden tegen redelijke prijzen. Geen taak te groot, geen taak te klein. Contractueel uitroeien van Draken, tevredenheid verzekerd of U krijgt Uw geld terug. Vrijblijvende begrotingen aangaande andere werkzaamheden. Opsporingen, bevrijden van maagden, dag en nacht opsporen van het gulden vlies.’ ’

Ik trachtte Ster op te monteren, maar Ster laat zich niet opmonteren. Ze antwoordde met nuchtere ernst: ‘Omar, als ik me terugtrek moet ik eerst mijn erfgenaam opleiden. Inderdaad, niemand kan me iets bevelen — maar het is mijn plicht mijn vervanger op te leiden.’

‘Hoe lang zou dat duren?’

‘Niet lang. Ongeveer dertig jaar.’

Dertig jaar ?

‘Ik denk wel dat ik hem in vijfentwintig jaar zou kunnen klaarstomen.’

Ik zuchtte. ‘Ster, weet je hoe oud ik ben?’

‘Ja. Nog geen vijfentwintig. Maar je zult niet ouder worden!’

‘Maar op dit moment heb ik die leeftijd nog. Die tijd is de enige tijd die ik ooit gekend heb. Na vijfentwintig jaar schoothondje zijn zal ik geen held, noch iets anders meer zijn. Dan zal ik mijn kleine beetje verstand volkomen verloren hebben.’

Ze dacht er over na. ‘Ja. Dat is waar.’

Ze keerde zich om, we gingen liggen als lepeltjes in een etui en deden alsof we sliepen.

Later voelde ik haar schouders schokken en wist ik dat ze snikte. ‘Ster?’

Ze keerde haar hoofd niet om. Ik hoorde alleen een verstikte stem: ‘O, mijn liefste, mijn enige liefste! Als ik zelfs maar honderd jaar jonger was!

XX

Ik liet nutteloze edelstenen door mijn vingers druppelen en schoof ze lusteloos opzij. Als ik zelfs maar honderd jaar ouder was —

Maar Ster had gelijk. Ze kon haar post niet verlaten zonder dat ze afgelost werd. Haar opvatting van aflossing, niet de mijne of die van iemand anders. En ik kon niet veel langer meer in deze gestoffeerde gevangenis blijven zonder met mijn hoofd tegen de tralies te lopen.

Toch wilden we allebei graag bij elkaar blijven.

Het werkelijk ellendige ervan was dat ik wist — net zoals zij het wist — dat we allebei zouden vergeten. Gedeeltelijk tenminste. Voldoende om er andere schoenen, andere mannen te laten zijn en dan zou ze weer lachen.

En ik ook — Ze had dat begrepen en me ernstig, vriendelijk, met subtiele consideratie voor de gevoelens van een ander indirect te kennen gegeven dat ik me niet schuldig hoefde te voelen als ik een ander meisje, ergens, in een ander land, het hof maakte.