Выбрать главу

Waarom voelde ik me dan als een schooier?

Hoe was ik in de val gelopen. Waarom kon ik nergens heen zonder te moeten kiezen tussen mijn geliefde krenken of zelf stapelgek worden?

Ik heb eens gelezen over een man die op een hoge berg woonde, omdat hij astma had, de verstikkende, dodelijke soort, terwijl zijn vrouw aan de kust onder hem woonde omdat ze een hartkwaal had en niet tegen de hoogte kon. Soms keken ze door telescopen naar elkaar.

‘s Morgens was er niet gepraat over een eventueel zich terugtrekken van Ster. Het niet onder woorden gebrachte quid-pro-quo was dat, als ze plannen maakte om zich terug te trekken, ik zou blijven rondhangen (dertig jaar!) tot ze zover was. Hare Wijsheid was tot de conclusie gekomen dat ik dat niet kon, en sprak er niet over. We aten een uitgebreid ontbijt en waren vrolijk, ieder met zijn eigen geheime gedachten.

Over kinderen werd ook niet gepraat. O, ik zou wel naar die kliniek gaan en doen wat nodig was. Als ze haar hoge afkomst wilde mengen met mijn burgerbloed kon ze dat doen, morgen of over honderd jaar. Of ze kon teder glimlachen en het met de andere rommel laten weggooien. Niemand van mijn familie was ooit zelfs maar burgemeester van Lutjebroek geweest en een ploegpaard wordt niet voorbereid op de Ierse Sweepstake. Als Ster een kind samenstelde uit onze genen, zou dat sentiment zijn, een levende valentijn — een jonger schoothondje dat ze kon vertroetelen voordat ze het aan zijn lot overliet. Maar alleen maar sentiment, net zo plakkerig, zo niet zo ziekelijk als dat van haar tante met de dode echtgenoten, want het Keizerrijk zou mijn linkerschuinbalk in het blazoen niet kunnen gebruiken.

Ik keek op naar mijn zwaard dat tegenover me hing. Ik had het niet aangeraakt sedert het feest, reeds lang geleden, toen Ster zich verkoos te kleden voor de Roemvolle Weg. Ik nam het van de muur, gespte het om en trok het — ik voelde die stroom van levend-zijn en had plotseling een visioen van een lange weg en een kasteel op een heuvel.

Wat is een ridder zijn vrouwe verschuldigd als de queeste volbracht is?

Geen smoesjes, Gordon! Wat is een echtgenoot zijn vrouw verschuldigd? Dit zelfde zwaard — ‘Spring, Prinses en spring, schavuit, Nu ben je voor altijd mijn bruid.’ — ‘rijker of armer, in voor- en tegenspoed... lief te hebben en te beminnen tot de dood ons scheidt.’ Dat had ik bedoeld met die rijmelarij en dat had Ster geweten en ik had het geweten en ik wist het nog.

Toen we dit plechtig beloofd hadden, leek het waarschijnlijk dat we die zelfde dag door de dood gescheiden zouden worden. Maar dat verminderde de eed niet, noch de diepe gevoelens die ik er mee tot uitdrukking had gebracht. Ik was niet over het zwaard gesprongen om voor mijn dood nog een stoeipartijtje in het gras te kunnen hebben; dat had ik zo ook wel kunnen krijgen. Nee, ik wilde ‘— hebben en behouden, liefhebben en beminnen tot de dood ons scheidt’!

Ster had zich aan de letter van de eed gehouden. Waarom stond ik dan te springen?

Goed beschouwd, is een held innerlijk maar een schooier.

En een gepensioneerde held was net zo dwaas als die werkeloze koningen die zich in Europa verdringen.

Ik verliet snel onze ‘flat’, met mijn zwaard om, en het kon me niets verdommen dat ze ernaar staarden, materialiseerde me naar de geneeskundigen, vond uit waar ik zijn moest, ging erheen, deed wat gedaan moest worden, zei tegen de chef biotechnicus dat Hare Wijsheid ingelicht moest worden en veterde hem uit toen hij vragen stelde.

Toen terug naar de naastbijzijnde materialisatie-cel — en daar aarzelde ik — ik had gezelschap nodig zoals een Anonieme Alcoholicus het nodig heeft dat iemand z’n hand vasthoudt. Maar ik had geen goede vrienden, alleen maar honderden kennissen. Het is niet gemakkelijk voor de gemaal van de Keizerin om vrienden te maken.

Het zou Rufo moeten zijn. Maar gedurende alle maanden dat ik op Centrum geweest was was ik nog nooit bij Rufo thuis geweest. Op Centrum wordt het barbaarse gebruik van bij mensen binnenlopen niet beoefend en ik had Rufo alleen maar in het Paleis gezien of op feesten; Rufo had me nooit uitgenodigd bij hem thuis te komen. Nee, dat was geen onvriendelijkheid; we zagen hem dikwijls, maar hij was altijd bij ons gekomen.

Ik zocht hem op in het materialisatieboek — pech gehad. Met de zie-spreeklijsten hetzelfde. Ik belde het Paleis en vroeg naar de communicatie-ambtenaar. Hij zei dat ‘Rufo’ geen achternaam was en probeerde me af te poeieren. Ik zei: ‘Wacht eens even, jij overbetaalde klerk! Als je afbreekt sta je binnen een uur aan het hoofd van de rooksignalen in Timboektoe. Luister. Die vent is op leeftijd, heeft een kale kop, ik denk dat een van zijn namen ‘Rufo’ is en hij is een bekend vergelijkend culturoloog. En hij is een kleinzoon van Hare Wijsheid. Ik denk dat je best weet wie hij is en je doet er alleen maar zolang over uit bureaucratische arrogantie. Ik geef je vijf minuten. Daarna vraag ik het aan Hare Wijsheid, terwijl jij je koffers pakt!’

(’Stop! Jij gevaar! Ander oud kaal Rufo? top vergculturist. Wijsheid ei-sperma-ei. Vijf minuten. Leugenaar en/of idioot. Wijsheid? Ramp!’)

Binnen vijf minuten vulde Rufo’s beeld het scherm. ‘Zo!’ zei hij. ‘Ik vroeg me al af wie er zoveel in de melk te brokkelen heeft dat hij mijn geheime nummer kreeg.’

‘Rufo, mag ik bij je komen?’

Er kwamen rimpels op zijn schedel. ‘Moeilijkheden, jongeman? Je gezicht doet me denken aan die keer dat mijn oom —’

‘Toe nou, Rufo!’

‘Ja, jongen,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik zal de dansmeisjes naar huis sturen. Of zal ik ze laten blijven?’

‘Dat kan me niet schelen. Hoe kan ik je bereiken?’

Hij vertelde het me, ik ponsde zijn code, voegde er het nummer van mijn betaalkaart aan toe en ik was er, vijftienhonderd kilometer voorbij de horizon. Rufo’s woning was een net zo weelderig landgoed als dat van Jocko en duizenden jaren beschaafder. Ik kreeg de indruk dat Rufo de grootste huishouding op Centrum had, allemaal vrouwen. Ik had ongelijk. Maar alle vrouwelijke bedienden, bezoeksters, nichten, dochters vormden zich tot een ontvangstcomité — om naar de bedgenoot van Hare Wijsheid te kijken. Rufo joeg ze weg en nam me mee naar zijn studeerkamer. Een dansmeisje (kennelijk een secretaresse) deed zenuwachtig met papieren en geluidsbanden. Rufo beduidde met een klap op haar achterwerk dat ze gaan kon, gaf me een makkelijke stoel, een borrel, zette sigaretten naast me neer, ging zitten en zei niets.

Roken is op Centrum niet populair; wat ze bij wijze van tabak gebruiken is daar de reden van. Ik nam een sigaret. ‘Chesterfields ! Goeie God!’

‘Ik laat ze smokkelen,’ zei hij. ‘Maar zoiets als die Sweet Caporals maken ze niet meer. Aanveegsel en fijngehakt hooi.’

Ik had in geen maanden gerookt. Maar Ster had me verteld dat ik kanker en dergelijke dingen kon vergeten. Dus ik stak hem op — en hoestte als een Neviaanse draak. Ondeugd moet voortdurend geoefend worden.

‘Wat is er voor nieuws in Rialto?’ informeerde Rufo. Hij wierp een blik op mijn zwaard.

‘O, niets bijzonders.’ Nadat ik Rufo in zijn werk gestoord had, schrok ik er nu voor terug mijn huiselijke moeilijkheden te openbaren.

Rufo zat te roken en wachtte. Ik moest iets zeggen en door de Amerikaanse sigaret schoot me een gebeurtenis te binnen die had bijgedragen tot mijn labiele toestand. Een week tevoren had ik op een feest een man ontmoet die er als vijfendertig uitzag, uitgestreken, beleefd maar met dat hooghartige air, dat te kennen geeft: ‘Je gulp staat open, ouwe jongen, maar ik ben veel te beleefd om er iets van te zeggen.’

Maar ik had het fijn gevonden hem te ontmoeten, hij had Engels gesproken!

Ik had gedacht dat Ster, Rufo en ikzelf de enigen op Centrum waren die Engels spraken. We spraken het vaak, Ster om mij en Rufo omdat hij er zich graag in wilde oefenen. Hij sprak Cockney als een visventer, Bostonees als op Beacon Hill, Australisch als een kangoeroe; Rufo kende alle Engelse talen.