Выбрать главу

Dat hoopte ik tenminste.

De volgende morgen telefoneerde ik de fabriek en ging toen naar een bank waar dezelfde procedure gevolgd werd die ik in Nice al twee maal had meegemaakt.

Ja, het lot was in orde. Kon de bank van dienst zijn bij de in ontvangstname? Ik bedankte ze en ging weg. Een klein mannetje van de Fiscus stond me voor mijn deur op te wachten —

Het scheelde niet veel — Hij belde aan toen ik naar de Hospitalen Trust N. V. zat te schrijven.

Even later vertelde ik hem dat ik dat om de donder niet van plan was! Ik liet het geld in Europa en ze konden ernaar fluiten! Hij zei vriendelijk dat ik die houding niet moest aannemen, dat ik alleen maar uitraasde, dat de Fiscus het niet prettig vond geld aan aanbrengers te betalen, maar dat ze dat toch zouden doen als mijn daden aantoonden dat ik trachtte belasting te ontduiken.

Ze hadden me te pakken. Ik ontving $140.000 en betaalde er Uncle Sam $103.000 van. Het vriendelijke kleine mannetje wees erop dat het zo beter was; er waren zo vaak mensen die de betaling uitstelden en dan in moeilijkheden kwamen.

Als ik in Europa geweest was, zou het $140.000 in goud geweest zijn — maar nu was het $37.000 in papier — want vrije en soevereine Amerikanen mogen geen goud hebben. Ze mochten eens een oorlog beginnen, of communist worden of zoiets. Nee, ik kon de $37.000 niet in goud in Europa laten; dat was ook illegaal. Ze waren heel beleefd.

Ik stuurde 10 procent, $3.700, naar Sgt. Weatherby en vertelde hem het verhaal. Ik nam $33.000 op en stichtte een studiefonds voor mijn bloedverwanten, dat zo gemanipuleerd werd dat mijn familie er pas van af zou weten als het nodig was. Ik deed een schietgebedje en hoopte dat het nieuws over het lot Alaska niet zou bereiken. In de kranten in Los Angeles heeft het nooit gestaan, maar het nieuws werd toch verspreid; ik merkte dat ik op talloze lijsten van klaplopers voorkwam, kreeg brieven die me gouden bergen beloofden, brieven die om leningen vroegen of geschenken eisten.

Pas een maand later besefte ik dat ik de Inkomstenbelasting van de Staat Californië vergeten was. Uit de officiële papierentroep ben ik nooit wijs geworden.

XXII

Ik keerde terug naar het tekenbord, zwoegde ’s avonds met mijn boeken, keek een beetje naar de televisie en ging in de weekends wat schermen.

Maar ik had steeds die droom —

De eerste keer was vlak nadat ik die baan gekregen had en nu had ik hem iedere nacht —

Ik bevind me op die lange, lange weg en dan sla ik een bocht om en dan rijst daar een kasteel voor me op. Het is mooi, er wapperen wimpels van de torens en er slingert een oprijlaan naar de ophaalbrug. Maar ik weet, ik weet gewoon, dat er een prinses in de kerkers gevangen wordt gehouden.

Dat gedeelte is altijd hetzelfde. De bijzonderheden wisselen. De laatste tijd verschijnt het vriendelijke mannetje van de Fiscus op de weg en zegt dat hier tol betaald moet worden — 10 procent meer dan wat ik ook heb.

Andere keren is het een politie-agent en die leunt tegen mijn paard (dat heeft soms vier en soms acht benen) en schrijft een bon voor belemmering van het verkeer, rijden met een verlopen rijbewijs, geen gehoor geven aan een stopsein en onbeschofte insubordinatie. Hij wenst te weten of ik een vergunning heb om die lans te dragen? — en vertelt me dat de jachtwet vereist dat ik iedere draak die ik dood moet voorzien van een etiket.

Andere keren dat ik die bocht omga komt er een dichte golf snelverkeer op me af, vijf rijen dik. Dat is de akeligste.

Ik begon dit te schrijven nadat de dromen begonnen waren. Ik kon me niet naar een psychiater zien gaan en zeggen: ‘Luister eens, dok, ik ben held van mijn vak en mijn vrouw is Keizerin in een ander universum —’ en ik had er nog minder zin in op zijn divan te gaan liggen en hem te vertellen dat mijn ouders me als kind mishandelden (dat hebben ze niet gedaan) en hoe ik erachter ben gekomen wat kleine meisjes eigenlijk waren. (dat is mijn zaak).

Ik besloot mijn gemoed te verlichten op een schrijfmachine. Ik kikkerde er wel wat van op maar het deed de dromen niet ophouden. Maar ik heb een nieuw woord geleerd: ‘geaccultureerd’. Dat is wat er gebeurt als iemand van de ene beschaving naar een andere overgaat met een ongelukkige overgangsperiode dat hij er niet bij hoort. Die Indianen die je in steden in Arizona ziet, die helemaal niets doen, alleen maar etalages kijken of zomaar staan te staan. Acculturatie. Ze horen er niet bij.

Ik zat in een bus op weg naar mijn oor-neus-keel-arts — Ster heeft me toegezegd dat haar behandeling plus die op Centrum me voorgoed voor verkoudheid zou behoeden — en dat is ook zo; ik loop niets op. Maar zelfs geneeskundigen die Lang-Leven toedienen kunnen menselijke weefsels niet tegen gifgas beschermen; de smog in Los Angeles kreeg me te pakken. Mijn ogen brandden, mijn neus zat verstopt -twee maal per week werden er afschuwelijke dingen met mijn neus gedaan. Ik parkeerde mijn auto altijd en ging dan naar Wilshire met de bus, omdat dichtbij parkeren onmogelijk was.

In de bus hoorde ik een gesprek van twee dames: ‘— hoe ik ook het land aan hun heb, je kunt eenvoudig geen cocktailparty geven zonder de Sylvesters te inviteren.’

Het klonk als een vreemde taal. Toen speelde ik het terug en begreep de woorden.

Maar waarom moest ze de Sylvesters inviteren?

Als ze zo het land aan ze had, waarom negeerde ze hen dan niet óf liet ze geen rotsblok op hun hoofd vallen?

In Godsnaam, waarom zou je een cocktailparty geven?

Mensen die elkaar niet bijzonder mogen staan overal in het rond (nooit genoeg stoelen), praten over dingen waar ze geen belang in stellen, drinken drankjes die ze niet hebben willen (waarom een tijd vast te stellen om een borrel te pakken) en worden dronken om niet te merken dat ze geen plezier hebben. Waarom?

Ik realiseerde me dat de acculturatie begonnen was. Ik hoorde er niet bij.

Daarna vermeed ik bussen en kreeg vijf bekeuringen voor verkeersovertredingen en een deuk in mijn spatbord. Met studeren hield ik ook op. Boeken schenen geen betekenis te hebben. Zo had ik het op Centrum niet geleerd. Maar ik hield vol met het werk als tekenaar. Ik heb altijd kunnen tekenen en ik werd al spoedig bevorderd tot belangrijker werk.

Op een dag riep de Chef Tekenaar me. ‘Hier, Gordon, die constructie die je getekend hebt —’

Ik was trots op dat stuk. Ik had me iets herinnerd dat ik op Centrum gezien had en dat er in opgenomen, waardoor er minder bewegende delen nodig waren en een log ontwerp verbeterd werd tot iets waar ik blij mee was. Het luisterde erg nauw en ik had er een extra overzicht aan toegevoegd.

‘Ja?’

Hij gaf het me terug. ‘Maak het over. Maak het in orde.’ Ik legde de verbetering uit en zei dat ik de tekening op een betere manier gemaakt had om —

Hij onderbrak me. ‘We willen het niet op een betere manier hebben, we willen het op onze manier hebben.’

‘Dat is Uw goed recht,’ gaf ik toe en nam mijn ontslag door de deur uit te wandelen.

Mijn flat leek vreemd op dat uur van een werkdag. Ik begon Sterkte van Materialen te bestuderen — en smeet het boek opzij. Toen stond ik op en keek naar Vrouwe Vivamus.

Dum Vivimus, Vivamus’. Fluitend gespte ik haar om, trok haar en voelde die stroom door mijn arm. Ik stak het zwaard weer in de schede, zocht een paar dingen bij elkaar, voornamelijk reischeques en contant geld en verliet de flat. Ik ging nergens heen, zomaar die kant op! Ik had misschien twintig minuten met grote stappen gelopen toen er een patrouilleauto stopte en me meenam naar het politiebureau.

Waarom droeg ik dat ding? Ik verklaarde dat heren zwaarden dragen.

Als ik hun wilde vertellen bij welk filmbedrijf ik hoorde, kon een telefoontje alles ophelderen. Of was het televisie? De Politie werkte mee, maar wilde wel ingelicht worden. Had ik een vergunning voor verborgen wapens? Ik zei dat het niet verborgen was. Zij zeiden van wel — door die schede. Ik maakte gewag van de Grondwet; men vertelde me dat de Grondwet om de bliksem niet betekende dat je op straat met zo’n slakkensteker kon rondwandelen. Een agent fluisterde tegen de sergeant: ‘Hier kunen we hem op vangen, sergeant. Het lemmet is langer dan —’ Ik geloof dat het acht centimeter was. Er ontstonden moeilijkheden toen ze probeerden Vrouwe Vivamus van me af te pakken. Ten slotte werd ik opgesloten met zwaard en al.