Выбрать главу

Ik heb Jaan niet nodig om me te vertellen dat hoffelijkheid en de vraag hoe je iemand aanspreekt ouderwetse kwesties zijn, overblijfsels uit de dagen dat het leven ingewikkelder en tegelijkertijd primitiever was. In deze moderne tijden vliegen Kavalaren met ruimteschepen van ster naar ster, we praten en doen zaken met schepselen die wij eens als demonen zouden hebben uitgeroeid, we geven zelfs vorm aan planeten, zoals we dat met Worlorn hebben gedaan. Het Oud-Kavalaans, de taal die duizenden van jullie standaardjaren door onze vestigingen werd gebruikt, wordt nog maar zelden gesproken, hoewel enkele termen nog bestaan en dat ook zullen blijven doen, omdat ze een werkelijkheid weergeven die slechts gebrekkig of helemaal niet kan worden aangeduid in de talen van andere ruimtereizigers — een werkelijkheid die snel zou verdwijnen als we de woorden ervoor opgaven, de Oud-Kavalaanse termen. Alles is veranderd, ook wij van Hoog Kavalaan, en Jaan zegt dat we nog meer moeten veranderen, willen wij onze bestemming in de historie van het mensdom blijven vervullen. Daardoor verdwijnen de regels voor namen en naambindingen en worden zelfs hoogbonders slordig in hun taalgebruik, zoals Jaan-tony hoog-IJzerjade die zichzelf Jaan Vikary gaat noemen.’

‘Als het er niet meer zoveel toe doet,’ zei Dirk, ‘waar gaat het je dan om?’

‘Het is bedoeld als illustratie, t’Larien, een eenvoudige en elegante manier om je duidelijk te maken hoe verkeerd je veronderstelling is dat een groot deel van je eigen cultuur ook deel uitmaakt van de onze, en hoe je ons met ieder woord en elke handeling jouw oordelen en waarden oplegt. Daar was het me om te doen. Er staan belangrijker zaken ter discussie, maar het patroon is hetzelfde; je begaat dezelfde vergissing, een vergissing die je niet zou moeten begaan. Denk je soms dat ik niet weet wat je probeert te doen?’

‘Wat probeer ik dan te doen?’

Janacek glimlachte opnieuw, zijn ogen klein en hard, terwijl de huid bij zijn ooghoeken fijne rimpeltjes vertoonde. ‘Je probeert om Gwen Delvano bij mijn teyn weg te halen. Nietwaar?’

Dirk gaf geen antwoord.

‘Het is zo,’ zei Janacek. ‘En het is verkeerd. Je moet goed begrijpen dat het ontoelaatbaar is. Ik zal het niet toelaten. Ik ben door ijzer-en-vuur aan Jaantony hoog-IJzerjade verbonden en dat vergeet ik nooit. Wij zijn teyn-en-teyn, wij tweeën. Geen band die jij ooit hebt gekend, is zo sterk.’

Dirk betrapte zich erop dat hij aan Gwen dacht en aan een dieprode, traanvormige edelsteen, vol herinneringen en beloften. Hij vond het jammer dat hij Janacek het fluister juweel niet een ogenblik lang kon laten vasthouden, zodat de arrogante Kavalaar kon voelen hoe sterk de band was geweest tussen hem en zijn Jenny. Maar zo’n gebaar zou nutteloos zijn. De fijne lijnen die de oude esper in de steen had gegraveerd zouden geen weerklank vinden in Janaceks geest. Het juweel zou voor hem niet meer dan een kleine edelsteen zijn. ‘Ik hield van Gwen,’ zei hij scherp. ‘Ik betwijfel of enige band tussen jullie meer kan betekenen.’

‘Zo, betwijfel je dat? Je bent geen Kavalaar, en Gwen ook niet, jullie begrijpen de band van ijzer-en-vuur niet. Ik heb Jaan voor het eerst ontmoet toen wij allebei nog heel jong waren. Feitelijk was ik zelfs nog jonger dan hij. Hij speelde liever met kinderen die jonger waren dan hijzelf dan met leeftijdgenoten en hij kwam geregeld naar onze crèche. Ik koesterde vanaf het eerste ogenblik een grote verering voor hem, zoals alleen een jongen dat kan, omdat hij ouder was dan ik en dus eerder een hoogbonder zou worden en ook omdat hij mij mee op avontuur nam in onbekende gangen en holen, en omdat hij zulke boeiende verhalen vertelde. Toen ik ouder was, leerde ik begrijpen waarom hij zo dikwijls naar de jongere kinderen toe ging, en ik was geschokt en beschaamd. Hij was bang voor jongens van zijn leeftijd omdat ze hem sarden en hem vaak sloegen. Maar tegen de tijd dat ik daar achter kwam, bestond er al een band tussen ons. Je zou het vriendschap kunnen noemen, maar als je dat doet zit je ernaast, omdat je dan alweer je eigen inzichten op ons leven zou toepassen. Het was meer dan wat jullie op de buitenwerelden vriendschap noemen, er bestond al ijzer tussen ons hoewel we nog geen teyn-en-teyn waren.

De eerstvolgende keer dat Jaan en ik op speurtocht gingen — we waren toen ver van onze vestiging verwijderd, in een grot die hij goed kende — overviel ik hem en sloeg hem totdat iedere plek van zijn lichaam beurs en gezwollen was. Hij bezocht de barak van mijn leeftijdgenoten die hele winter niet meer, maar ten slotte zag ik hem weer. Er heerste geen bitterheid tussen ons. We begonnen opnieuw samen rond te zwerven en te jagen en hij vertelde mij nieuwe verhalen, mythen en historische gebeurtenissen. Van mijn kant viel ik hem telkens in het wilde weg aan, en iedere keer verraste ik hem en dolf hij het onderspit. Op den duur begon hij terug te vechten, en goed ook. Op den duur werd het voor mij onmogelijk hem met mijn vuisten te verrassen. Op een dag smokkelde ik een mes uit IJzerjade mee onder mijn shirt, ontblootte het tegen Jaan en verwondde hem. Daarna begonnen we allebei messen te dragen. Toen hij zijn adolescentie bereikte, de leeftijd waarop hij zijn eigen namen mocht kiezen en onderworpen werd aan de duelleercode, was Jaantony niet langer het gemakkelijke slachtoffer van plagerijen.

Hij was nooit populair. Je moet begrijpen dat hij iemand was die altijd dingen in twijfel trok, altijd lastige vragen stelde en er onorthodoxe meningen op nahield; hij hield van geschiedenis, maar religie minachtte hij openlijk, en hij toonde veel te veel ongezonde belangstelling voor bezoekers vanaf de buitenwerelden. Daardoor werd hij het eerste jaar waarin hij de duelleerleeftijd had bereikt, keer op keer uitgedaagd. Maar hij won altijd. Toen ik enkele jaren later de adolescentieperiode bereikte en wij teyn-en-teyn werden, had ik nauwelijks iemand om tegen te vechten. Jaantony had iedereen bang gemaakt, dus werden wij niet uitgedaagd. Ik was heel teleurgesteld.

Sindsdien hebben we vaak samen geduelleerd. Wij hebben een band voor het leven en we hebben heel veel doorgemaakt en ik kan het niet waarderen dat je zomaar vergelijkingen maakt met die nietszeggende "liefde" waar jullie buitenwerelders zo hoog van opgeven, die band van drogmensen die willekeurig komt en gaat. Jaantony zelf was lelijk besmet met die opvatting tijdens zijn jaren op Avalon en dat was in zeker opzicht mijn verantwoordelijkheid, omdat ik hem alleen liet gaan. Het was waar dat er voor mij op Avalon geen functie en geen plaats zou zijn geweest, maar toch had ik er moeten zijn. Daarin heb ik Jaan tekortgedaan en zoiets zal me niet meer overkomen. Ik ben zijn teyn en zal altijd zijn teyn zijn en ik zal niemand toestaan hem te doden of te verwonden, zijn ideeën te verdraaien of hem zijn naam af te nemen. Dat hoort bij mijn band met hem en is mijn plicht.

Tegenwoordig laat Jaan al te vaak zijn naam bedreigen door mensen als jij en Ruark. Jaan is in veel opzichten een pervers en gevaarlijk man en zijn grillige gedachten brengen ons vaak in moeilijkheden. Zelfs zijn helden — ik herinnerde me op een dag een paar van de verhalen die hij me in onze kinderjaren had verteld en ik werd getroffen door het feit dat Jaans favoriete helden allemaal eenzame mannen waren die uiteindelijk ten onder gingen. Aryn hoog-Gloeisteen, bijvoorbeeld, die een compleet tijdperk van onze geschiedenis domineerde. Hij regeerde door de kracht van zijn persoonlijkheid de machtigste vestiging die Hoog Kavalaan ooit heeft gekend, de Gloeisteenberg; en toen zijn vijanden zich in een grote oorlog tegen hem verbonden en alle handen tegen hem werden opgeheven, gaf hij zijn eyn-kethi zwaarden en schilden en liet hen meevechten om zijn leger te vergroten. Zijn vijanden werden verslagen en vernederd. Zo heeft Jaan mij dat verhaal verteld. Maar later heb ik ontdekt dat Aryn hoog-Gloeisteen helemaal niet heeft overwonnen. Er werden zoveel eyn-kethi van zijn vestiging gedood dat er maar weinig overbleven om nieuwe soldaten te baren. Gloeisteenberg nam gestaag in macht en aantal af en veertig jaar na Aryns stoutmoedige zet vielen de Gloeistenen en roofden hoogbonders van Tahl en IJzerjade en Bronzenvuist hun vrouwen en kinderen en lieten hun vestigingen leeg achter. De waarheid over Aryn Gloeisteen is dat hij een mislukkeling was en een dwaas, een paria van de geschiedenis, net als al die andere krankzinnige helden van Jaan.’