De wachttijd duurde maar even, en hij had de omvangrijke hoeveelheid gedetailleerde gegevens over historie, geografie en filosofie die de bibliotheek over hem uitstortte, niet echt nodig. De essentiële informatie nam hij snel in zich op, de rest negeerde hij. ‘Kwallenkinderen’ was kennelijk een populaire bijnaam voor de volgelingen van een pseudoreligieuze drugcultus op de wereld van de Zwarte Wijnoceaan. Ze werden zo genoemd omdat ze jaren achtereen doorbrachten in het spelonkachtige, vochtige innerlijk van kilometerslange weekdieren die oneindig traag over de bodem van hun zeeën kropen. De leden van de sekte noemden deze schepsels Moeders. De Moeders voedden hun kinderen met een zoete, hallucinogene afscheiding en werden als semibewuste wezens beschouwd. Hun religie, merkte Dirk op, belette de kwallenkinderen niet om hun gastvrouw te doden als de kwaliteit van haar benevelende afscheiding begon af te nemen, wat onveranderlijk het geval was naarmate de weekdieren ouder werden. Als ze zich van zo’n Moeder hadden ontdaan, zochten de kwallenkinderen een nieuwe.
Snel wiste Dirk deze gegevens van het scherm, waarna hij de bibliotheek nogmaals raadpleegde. De wereld van de Zwarte Wijnoceaan had een stad op Worlorn. Die lag onder een kunstmatig meer met een omtrek van vijftig kilometer, net zo zwart en net zo vol levende wezens als de wateren van de wereld waar de Zwartwijners thuishoorden. Ze werd de Stad in de Sterrenloze Poel genoemd en het meer eromheen bevatte allerlei levensvormen die daar voor het Festival van de Marge in uitgezet waren, ongetwijfeld met inbegrip van Moeders.
Nieuwsgierig zocht Dirk de stad op een kaart van Worlorn op. Hij had natuurlijk geen mogelijkheid om erheen te gaan. Hij zette het kijkscherm uit en liep naar de keuken om een drankje voor zichzelf klaar te maken. Hij sloeg het naar binnen — dikke, geelwitte melk van een of ander Kimdissidier, heel koud en bitter maar verfrissend — en trommelde intussen ongeduldig met zijn vingers op het aanrecht. Hij werd steeds rustelozer en moest domweg iets ondernemen. Hij voelde zich hier gevangen, wachtend tot een van de anderen terug zou komen, niet wetend wie het zou zijn en wat er dan zou gebeuren. Hij voelde zich een speelbal, afhankelijk van de willekeur van anderen, al vanaf het moment dat hij met de Huivering van Vergeten Vijanden was aangekomen. Hij was zelfs niet op eigen initiatief gekomen; Gwen had hem geroepen met haar fluister juweel, hoewel ze hem bij aankomst nauwelijks had verwelkomd. Dat was hij ten slotte gaan begrijpen. Ze zat gevangen in een heel ingewikkeld web, een web dat tegelijkertijd politiek en emotioneel was; en het zag ernaar uit dat hij daar ook in vast was komen te zitten en nu hulpeloos moest toezien hoe halfbegrepen stormen van psychoseksuele en culturele spanningen overal om hen heen raasden. Hij was zijn hulpeloosheid meer dan zat.
Ineens moest hij aan Kryne Lamiya denken. Op een winderige landingsplaats stonden twee verlaten luchtwagens. Dirk zette nadenkend zijn glas neer, veegde zijn mond af met de rug van zijn hand en liep terug naar het scherm.
De locaties van alle landingsplaatsen voor luchtwagens op Lar-teyn waren heel makkelijk te vinden. Er was gelegenheid om te landen op de daken van alle grotere plaatselijke torens en er bevond zich een grote, openbare garage diep in de rots onder de stad. Die garage kon volgens de stadsplattegrond worden bereikt met een van de twaalf ondergrondse liftbuizen die regelmatig verdeeld waren over Larteyn; de verborgen deuren lagen in het hart van de loodrechte rotswand die boven de Meent oprees. Als de Kavalaren luchtwagens hadden achtergelaten in de lege schaal van hun stad, zou hij ze daar kunnen vinden.
Hij nam de lift naar de begane grond en de straat. De Dikke Duivel was al over zijn hoogste punt heen en zakte langzaam naar de horizon. De straten van gloeisteen waren verbleekt en zagen zwart op plaatsen waar de rode schemering viel, maar toen Dirk in de schaduw van de ebbenhouten torens kwam, kon hij nog steeds het koude vuur van de stad aan zijn voeten waarnemen; de zachte, rode gloed van de rots, bleker wordend maar nog steeds aanwezig. Op de open plekken wierp hij zijn eigen schaduwen, vage, donkere schimmen die telkens in elkaar overgingen — waarbij ze elkaar bijna maar nooit helemaal overlapten — en hem te dicht op de hielen zaten om de slapende gloeistenen tot leven te wekken. Hij kwam onderweg niemand tegen, hoewel hij zich niet op zijn gemak voelde voor de Braiths. Eenmaal passeerde hij een gebouw dat een woonhuis moest zijn geweest. Het was vierkant, met een gewelfd dak en zwarte, ijzeren pilaren voor de deur. Aan een ketting rond een van die pilaren stond een hond die groter was dan Dirk zelf, met felle, rode ogen en een lange, haarloze kop die Dirk om de een of andere reden aan een rat deed denken. Het beest knaagde op een kluif maar stond op toen Dirk voorbijkwam en gromde met een diep keelgeluid. Degene die in dat gebouw woonde had blijkbaar geen behoefte aan bezoekers.
De ondergrondse liftbuizen werkten nog. Hij schoot omlaag het daglicht uit en stapte weer uit op de lagere niveaus, waar Larteyn de meeste gelijkenis vertoonde met de vestigingen van Hoog Kavalaan zelf: galmende stenen hallen met smeedijzeren hekwerken, overal metalen deuren, kamers met andere kamers erin. Een stenen fort, had Ruark eens gezegd. Een bolwerk waarvan geen enkel gedeelte makkelijk te overmeesteren zou zijn. Maar nu geheel verlaten.
De garage had verscheidene niveaus en was schaars verlicht, met op elk van de tien verdiepingen voldoende plaats voor zo’n duizend luchtwagens. Dirk zwierf wel een halfuur door de stoffige ruimten voor hij een wagen vond. Maar die kon hij niet gebruiken. Ook deze wagen had de vorm van een dier. Hij was uitgevoerd in blauwzwart metaal, vertoonde een groteske gelijkenis met een vleermuis en zag er angstaanjagender uit dan Jaan Vikjry’s gestileerde manta-banshee. Maar het was tevens een uitgebrand gevaarte. Een van de siervleugels was verwrongen en half gesmolten en van de luchtwagen zelf was alleen nog het frame over. Het binnenwerk, de energiebron en het wapentuig waren allemaal verdwenen en Dirk veronderstelde dat het zwaartekrachtrooster ook wel zou ontbreken, al kon hij de onderkant van het wrak niet zien. Hij wandelde er nog een keer omheen en liep toen door.
De tweede luchtwagen die hij vond verkeerde in nog slechtere staat. Het ding kon nauwelijks meer een wagen genoemd worden. Er was niets anders van over dan een leeg metalen frame en vier half verrotte stoelen tussen de buizen — een geraamte waar zelfs geen stukje huid meer aan zat. Ook daar liep Dirk voorbij.
De twee volgende wrakken die hij tegenkwam waren allebei intact, maar schimmen van zichzelf. Hij kon alleen maar vermoeden dat hun eigenaars hier op Worlorn waren overleden en dat de luchtwagens in de diepte onder de stad hadden staan wachten nadat ze allang vergeten waren en alle energie verloren was gegaan. Hij probeerde ze allebei uit, maar geen ervan reageerde op zijn aanraking en zijn gepruts.
De vijfde wagen — er was inmiddels al een vol uur voorbijgegaan — reageerde veel te snel.
De wagen was door en door Kavalaans, een stompe tweezitter met korte, driehoekige vleugels die zo mogelijk nog nuttelozer leken dan de vleugels aan andere luchtwagens van Kavalaanse makelij. Hij was helemaal in zilver en wit uitgevoerd en de metalen kap was zo gevormd dat hij op een wolfskop leek. Laserkanonnen waren aan beide zijden van de romp gemonteerd. De wagen was niet afgesloten; toen Dirk de kap oplichtte, zwaaide die gemakkelijk open. Hij klom naar binnen, sloot de kap en keek met een spottend lachje op zijn gezicht door de grote ogen van de wolf. Toen probeerde hij de bediening uit. De motor van de luchtwagen werkte perfect.
Met een frons schakelde hij de energiestroom weer uit en dacht een ogenblik na. Hij had nu het vervoermiddel gevonden waar hij naar zocht, als hij het tenminste durfde te gebruiken. Maar hij mocht zichzelf niets wijsmaken; deze wagen was geen wrak zoals de andere die hij had gevonden. Deze was in een te goede conditie. Zonder twijfel was hij van een van de andere Kavalaren die zich nog in Larteyn bevonden. Als kleuren iets symboliseerden — en daar was hij niet zeker van — was deze wagen vermoedelijk van Lorimaar of van een van de andere Braiths. Als hij ervoor zou kiezen hem te gebruiken zou dat niet veilig zijn, op geen stukken na.