Dirk besefte welk risico hij liep en dacht erover na. Wachten trok hem niet aan, maar het vooruitzicht van gevaar evenmin.
Jaan Vikary of geen Jaan Vikary, een luchtwagen stelen zou voor de Braiths een uitdaging zijn om tot actie over te gaan.
Met tegenzin zwaaide hij de kap open en klom er weer uit, maar hij was maar nauwelijks buiten of hij hoorde stemmen. Hij trok voorzichtig de kap van de luchtwagen omlaag, en die sloot met een zachte maar hoorbare klik. Dirk dook in elkaar en zocht de veiligheid van de schaduw op, een paar meter achter de wolfwagen.
Lang voordat hij hen zag kon hij de Kavalaren al horen praten en hun voetstappen luid horen weerkaatsen. Het waren er maar twee, al klonk het alsof ze met tien man waren. Tegen de tijd dat ze in het licht bij de luchtwagen kwamen, stond Dirk in een nis in de garagemuur weggedrukt, in een smalle uitsparing vol haken waaraan eens gereedschap had gehangen. Hij begreep niet helemaal waarom hij zich verstopte, maar hij was blij dat hij het deed. De dingen die Gwen en Jaan hem over de andere inwoners van Larteyn hadden verteld, waren niet zo geruststellend geweest.
‘Weet je dat allemaal zeker, Bretan?’ vroeg een van hen, de grotere, toen ze in het zicht kwamen. Het was niet Lorimaar, maar de gelijkenis was treffend; deze man was van dezelfde indrukwekkende lengte en had hetzelfde tanige, gerimpelde gezicht. Maar hij was wat dikker dan Lorimaar Hoog-Braith, zijn haar was helemaal wit, terwijl dat van Lorimaar voornamelijk grijs was geweest, en hij had een smal borstelig snorretje. Hij en zijn metgezel droegen korte, witte jasjes over een broek en een shirt van kameleonstof die in het schemerige licht van de garage bijna zwart kleurden. En ze hadden allebei lasers.
‘Roseph zou mij nooit voor de gek houden,’ zei de tweede Kavalaar met een stem die klonk als schuurpapier. Hij was veel pleiner dan de andere man, ongeveer even groot als Dirk en ook jonger, maar heel mager. De mouwen van zijn jasje waren afgesneden, zodat zijn krachtige, bruine armen en een dikke armband van ijzer-en-gloeisteen te zien waren. Terwijl hij naar de luchtwagen liep, kwam hij een ogenblik lang in het volle licht en leek hij het donker in te turen naar de plaats waar Dirk zich verstopt had. Hij had maar een half gezicht; de rest was een en al zenuw trekkend littekenweefsel. Zijn linker "oog" bewoog rusteloos toen hij zijn gezicht omdraaide en Dirk zag het verraderlijke vuur: een gloei-steen, in een lege oogkas gevat.
‘Hoe weet je dat?’ zei de oudere man toen de twee kort stilstonden naast de wolfwagen. ‘Roseph houdt wel van een grap.’
‘Maar ik niet,’ zei degene die Bretan werd genoemd. ‘Het kan zijn dat Roseph jou wat wijsmaakt, of Lorimaar, of misschien Pyr, maar bij mij waagt hij dat niet.’ Zijn stem deed bijzonder onprettig aan; die had iets rauws en raspends dat onaangenaam in het gehoor lag, maar gezien de hoeveelheid littekens over de hele lengte van zijn hals viel het Dirk nog mee dat hij spreken kon.
De grotere Kavalaar duwde tegen de kap van de wolfwagen, maar daar kwam geen beweging in. ‘Nu, als dat waar is, moeten we voortmaken,’ zei hij knorrig. ‘Het slot, Bretan, het slot!’
De eenogige Bretan maakte een vreemd geluid dat het midden hield tussen een grom en een grauw. Hij probeerde zelf de kap op te lichten. ‘Mijn teyn,’ raspte hij. ‘Ik had de kap op een kier laten staan... ik... het heeft me maar een ogenblik gekost om naar boven te gaan en jou te halen.’
In de schaduw drukte Dirk zich nog dichter tegen de muur aan, zodat de haken pijnlijk tussen zijn schouderbladen drongen. Bretan fronste zijn voorhoofd en knielde, terwijl zijn oudere kameraad er verwonderd bij stond.
Maar plotseling stond de jongere Braith weer rechtop, zijn rechterhand behendig om zijn laserpistool, dat hij op Dirk gericht hield. Zijn gloeistenen oog smeulde flauw. ‘Kom tevoorschijn en laten we dan maar eens zien wat je bent,’ commandeerde hij. ‘De sporen die je in het stof hebt gemaakt, zijn duidelijk te volgen.’
Dirk stak zwijgend zijn armen boven zijn hoofd en kwam tevoorschijn.
‘Een drogmens!’ zei de oudere Kavalaar. ‘Hier beneden!’
‘Nee,’ zei Dirk voorzichtig. ‘Ik ben Dirk t’Larien.’
De grote man negeerde hem. ‘Wat een zeldzame meevaller,’ zei hij tegen zijn metgezel met de laser. ‘Die kwallen van Roseph zouden maar een armzalige prooi zijn geweest. Deze ziet er goed uit.’
Zijn jonge teyn maakte weer dat rare geluid en de linkerkant van zijn gezicht vertrok nerveus. Maar de hand waarin hij zijn pistool hield was vast. ‘Nee,’ zei hij tegen de andere Braith. ‘Ik denk dat we hem jammer genoeg niet mogen afschieten. Dit kan alleen maar degene zijn waar Lorimaar over sprak.’ Hij stak zijn laserpistool terug in de holster en wenkte Dirk met een nauwelijks merkbare, bedachtzame beweging, meer met zijn schouders dan met zijn hoofd. ‘Je bent wel onbeschaamd zorgeloos. De kap sluit automatisch als hij helemaal dichtgetrokken wordt. Hij kan van binnenuit geopend worden, maar...’
‘Dat begrijp ik nu,’ antwoordde Dirk. Hij liet zijn handen zakken. ‘Ik was alleen maar op zoek naar een afgedankte wagen. Ik had vervoer nodig.’
‘Dus probeerde je onze luchtwagen te stelen.’
‘Nee.’
‘Ja.’ De stem van de Kavalaar maakte ieder woord pijnlijk en moeizaam. ‘Ben je korariel van IJzerjade?’
Dirk aarzelde. Zijn ontkenning bleef hem in de keel steken. Allebei de mogelijke antwoorden zouden hem waarschijnlijk in moeilijkheden brengen.
‘Je hebt daar geen antwoord op?’ vroeg degene met de littekens.
‘Bretan,’ waarschuwde de ander hem. ‘Wat drogmensen zeggen doet er niet toe. Als Jaantony Hoog-IJzerjade hem korariel noemt, dan is dat waar. Zulke dieren hebben niets in te brengen over hun status. Niets wat hij zegt kan die benaming tenietdoen, dus de werkelijkheid blijft hoe dan ook gelijk. Als we hem afmaken, hebben wij ons vergrepen aan het eigendom van IJzerjade en zullen ze ons zeker uitdagen om wraak te nemen.’
‘Ik verzoek je dringend alle mogelijkheden te overwegen, Chell,’ zei Bretan. ‘Deze hier, deze Dirk t’Larien, kan een mens of een drogmens zijn, korariel van IJzerjade of niet. Zo is het toch?’
‘Jazeker. Maar hij is geen echt mens. Luister naar mij, mijn teyn. Jij bent jong, maar ik weet zulke dingen van kethi die lang geleden gestorven zijn.’
‘Maar neem het toch maar in overweging. Als hij een drogmens is en de IJzerjades noemen hem korariel, dan is hij korariel, of hij het toegeeft of niet. Maar als dat zo is, Chell, dan moeten jij en ik duelleren met de IJzerjades. Hij heeft geprobeerd ons te bestelen, weet je nog? Als hij van IJzerjade is, dan heeft IJzerjade de diefstal gepleegd.’
De grote man met het witte haar knikte langzaam en met tegenzin.
‘Als hij een drogmens is maar geen korariel. is het geen probleem,’ ging Bretan verder. ‘In dat geval mogen we jacht op hem maken. Maar als hij nu eens een echte man is, even menselijk als een hoogbonder en helemaal geen drogmens?’
Chell was veel trager dan zijn teyn. De oudere Kavalaar trok een peinzend gezicht en zei: ‘Wel, hij is geen vrouw, dus kan hij niemands eigendom zijn. Maar als hij een mens is, moet hij menselijke rechten hebben en een menselijke naam.’
‘Inderdaad,’ stemde Bretan toe. ‘Maar hij kan dan geen korariel zijn, dus zou zijn vergrijp voor eigen verantwoording zijn. Ik zou met hem moeten duelleren, niet met Jaantony Hoog-IJzerjade.’ De Braith herhaalde zijn vreemde, knorrende gegrom.