Выбрать главу

Chell knikte en Dirk voelde zich als verdoofd. De jongste van de twee jagers leek de hele zaak akelig nauwkeurig te hebben uitgedacht. Dirk had zowel Vikary als Janacek in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat hij het bedenkelijke schild van hun bescherming van de hand wees. Dat was op dat moment erg makkelijk geweest. Op normale werelden als Avalon zou dat ook zonder meer juist zijn geweest. Op Worlorn lagen de dingen niet zo eenvoudig.

‘Waar zullen we hem heenbrengen?’ vroeg Chell. De twee Braiths spraken over Dirk of hij niets méér in te brengen had dan hun luchtwagen.

‘Wij moeten hem naar Jaantony Hoog-IJzerjade en zijn teyn brengen,’ zei Bretan met zijn stem van schuurpapier. ‘Ik weet hoe hun toren eruitziet.’

Dirk overwoog een ogenblik om het op een lopen te zetten. Maar dat leek ondoenlijk. Twee man, gewapend en met een luchtwagen bovendien. Hij zou niet ver komen. ‘Ik zal meegaan,’ zei hij toen ze naar hem toekwamen. ‘Ik kan jullie de weg wijzen.’ Het leek erop dat hij in elk geval wat tijd kreeg om na te denken; de Braiths schenen niet te weten dat Vikary en Janacek al vertrokken waren naar de Stad van de Sterrenloze Poel, zonder twijfel om te proberen de ongelukkige kwallenkinderen te beschermen tegen de andere jagers.

‘Doe dat dan,’ zei Chell. En Dirk, die niet wist wat hij anders kon doen, bracht hen naar de ondergrondse liftbuizen. Onderweg naar boven bedacht hij bitter dat hem dit allemaal overkomen was omdat hij het zat was geweest om te wachten. En nu, zo leek het, zou hij uiteindelijk toch moeten wachten.

6

Aanvankelijk was het wachten een doffe ellende.

Ze namen hem mee naar de landingsplaats boven op de lege toren, nadat ze hadden ontdekt dat de IJzerjades niet te vinden waren, en ze dwongen hem in een hoek van het winderige dak te gaan zitten. Hij begon inmiddels in paniek te raken en hij had een pijnlijke knoop in zijn maag. ‘Bretan,’ begon hij, met een stem die doortrokken was van hysterie, maar de Kavalaar kwam slechts naar hem toe om hem met de vlakke hand een klap op zijn mond te geven.

‘Voor jou ben ik geen Bretan,’ zei hij. ‘Noem me Bretan Braith als je me aan wilt spreken, drogman.’

Daarna zweeg Dirk. Het verbrokkelde Vuurwiel sleepte zich tergend langzaam door de hemel van Worlorn en terwijl hij ernaar keek, merkte hij dat hij op het punt stond om in te storten. Alles wat hem was overkomen, leek onwerkelijk. De Braiths en de gebeurtenissen van die middag waren wel het onwerkelijkst van alles en hij vroeg zich af wat er zou gebeuren als hij plotseling op zou springen en zich over de rand van het dak op straat zou storten. Hij zou vallen en vallen, dacht hij, als in een droom, maar als hij op de donkere gloeisteen zou smakken, zou hij geen pijn voelen, alleen de schok van een plotseling ontwaken. En hij zou wakker worden in zijn bed op Braque, nat van het zweet en lachend om de absurditeiten van zijn nachtmerrie.

Hij speelde een tijdlang met deze en soortgelijke gedachten. Het leek uren te duren, maar toen hij ten slotte opkeek, stond de Dikke Duivel nauwelijks lager. Toen begon hij te rillen; dat kwam van de kou, zei hij tegen zichzelf, de koude wind van Worlorn, maar hij wist dat het daar niet door kwam, en hoe meer hij ertegen vocht, hoe meer hij beefde, zodat de Kavalaren hem verbaasd aankeken. En ze bleven maar wachten.

Ten slotte hielden de rillingen op, evenals de gedachten aan zelfmoord en de aanvankelijke paniek, en een vreemde kalmte maakte zich van hem meester. Hij merkte dat hij weer kon nadenken, maar hij dacht aan onzinnige dingen: hij speculeerde er maar wat op los, alsof hij binnenkort een weddenschap zou aangaan: zou de grijze manta of de militaire luchtwagen het eerst terug zijn, hoe zou het Jaan of Garse vergaan in een duel met de eenogige Bretan, wat zou er gebeurd zijn met de kwallenkinderen in de afgelegen stad van de Zwartewijners. Zulke zaken leken verschrikkelijk belangrijk, hoewel Dirk niet wist waarom.

Daarna begon hij zijn bewakers op te nemen. Dat was het interessantste spelletje en het hielp hem beter dan wat ook om de tijd door te komen. Terwijl hij hen gadesloeg, merkte hij allerlei dingen op.

De twee Kavalaren hadden nauwelijks een woord gezegd sinds ze hem naar het dak hadden begeleid. Chell, de grote man, zat maar een meter van Dirk af op de lage muur die de landingsplaats omgaf, en toen Dirk hem zo eens bestudeerde, zag hij dat de man inderdaad heel oud was. De gelijkenis met Lorimaar Hoog-Braith was heel bedrieglijk. Hoewel Chell liep en gekleed was als een jongere man moest hij minstens twintig jaar ouder zijn dan Lorimaar, veronderstelde Dirk. Zoals hij daar zat, drukten de jaren zwaar op hem. Een buikje puilde zichtbaar over zijn gordel van matglanzend messing heen en de rimpels die zijn bruine, verweerde gezicht doorploegden, waren diep. Ook zag Dirk blauwe aderen en vlekken grijsachtig roze huid op de rug van Chells handen die op zijn knieën rustten. Het lange, nutteloze wachten op de terugkomst van de IJzerjades was ook hem niet in de koude kleren gaan zitten, en hij was niet alleen maar verveeld. Zijn wangen leken uit te zakken en zijn brede schouders hingen onmiskenbaar naar voren van vermoeidheid.

Hij bewoog eens en zuchtte, schoof zijn handen in elkaar en rekte zich uit. Op dat moment zag Dirk de armbanden. Om zijn rechterarm droeg hij ijzer-en-gloeisteen, precies dezelfde band die de eenogige Bretan zo trots liet zien, en de linker armband was van zilver. Maar het jade ontbrak. Het was er ooit wel geweest, maar de stenen waren uit hun zetting gerukt en nu zat de zilveren armband vol gaten.

Terwijl de vermoeide oude Chell — plotseling viel het Dirk moeilijk in hem de dreigende, krijgshaftige verschijning te zien die hij nog maar kort geleden was geweest — daar zo zat en wachtte tot er iets zou gebeuren, liep Bretan (of Bretan Braith, zoals hij genoemd wilde worden) maar te ijsberen. Hij was een en al rusteloze energie, erger dan Dirk ooit had meegemaakt, zelfs erger dan Jenny, die destijds ook heel wat afgeijsbeerd had. Hij hield zijn handen diep in de insteekzakken van zijn korte, witte jasje en liep heen en weer over het dak, heen en weer, heen en weer. Als hij ongeveer drie keer heen en weer had gelopen, keek hij ongeduldig op alsof hij de schemerige lucht ervan beschuldigde dat Jaan Vikary nog niet was komen opdagen.

Het was een vreemd stel, besloot Dirk toen hij zo naar hen keek. Zo oud als Chell was, zo jong was Bretan Braith. Beslist niet ouder dan Garse Janacek en waarschijnlijk jonger dan Gwen en Jaan, of hijzelf. Hoe was hij ertoe gekomen om teyn te worden van een Kavalaar die zoveel ouder was dan hij? Hij was ook geen hoog-bonder en hij had voor Braith geen betheyn ingebracht; aan zijn linkerarm, bedekt met fijn, rossig haar dat zo nu en dan oplichtte in de zon als hij vlakbij kwam, droeg hij geen armband van jade-en-zilver.

Zijn gezicht, dat vreemde halve gezicht, was afstotender dan enig ander dat Dirk ooit had gezien, maar naarmate de dag verstreek en de valse schemering echt werd, merkte hij dat hij eraan gewend raakte. Als Bretan Braith de ene kant op liep, leek hij helemaal normaal, een slanke, soepele jongeman, vol van een nauw bedwongen, nerveuze energie, zo geladen dat hij bijna leek te knetteren. Zijn gezicht aan die kant was rimpelloos en volkomen gaaf, met korte, zwarte krullen rond zijn oor en een paar lokken tot op zijn schouder, maar zonder een spoor van een baard. Zelfs zijn wenkbrauw was slechts een flauwe lijn boven een groot groen oog. Hij maakte een bijna onschuldige indruk.

Maar al ijsberend bereikte hij dan de rand van het dak en liep hij langs dezelfde weg weer terug, en dan zag alles er anders uit. De linkerkant van zijn gezicht was onmenselijk, een landschap van verwrongen vlakken en hoeken dat geen enkel gezicht hoorde te vertonen. De huid was op verscheidene plaatsen gehecht en oogde op andere plaatsen als glad, glanzend email. Aan deze kant had Bretan zo goed als geen haar en geen oor — alleen een gat -en de linkerhelft van zijn neus bestond uit een stukje vleeskleurig plastic. Zijn mond was een liploze spleet en het afschuwelijkste was dat die voortdurend bewoog. Hij had een zenuwtrek, een groteske tic, die zijn linker mondhoek met tussenpozen optrok en vandaar over de heuvels van littekenweefsel naar zijn kale schedel omhoog golfde.