In het daglicht was het gloeisteenoog van de Braith zo zwart als een stuk obsidiaan. Maar nu viel langzaam de nacht, het Helleoog daalde, en in zijn oogkas gloeide een vuur op. In volslagen duisternis zou Bretan het Helleoog zijn, in plaats van Worlorns reusachtige zon. De gloeisteen zou een gestaag en waakzaam rood uitstralen en de gezichtshelft daaromheen zou een zwarte karikatuur van een doodskop zijn, een passend omhulsel voor zo’n oog.
Het leek allemaal vreselijk angstaanjagend totdat je, zoals Dirk, bedacht dat het allemaal weloverwogen was. Bretan Braith was niet verplicht geweest een gloeisteen in de holte van zijn oog te zetten; hij had daar om bepaalde redenen zelf voor gekozen, en die redenen waren niet zo moeilijk te begrijpen.
Dirks gedachten vlogen terug naar het eerste deel van de middag en het gesprek bij de luchtwagen met de wolfskop. Bretan was vlug en scherpzinnig, daar viel niet aan te twijfelen, maar Chell kon best eens bezig zijn dement te worden. Hij was pijnlijk traag van begrip geweest en zijn jonge teyn had hem op alle punten bij de hand moeten nemen, zo herinnerde Dirk zich. Plotseling leken de twee Braiths veel minder afschrikwekkend, en Dirk vroeg zich af waarom hij eigenlijk zo bang voor hen was geweest. Ze waren bijna vermakelijk. Wat Jaan Vikary ook mocht zeggen als hij terugkwam uit de Stad van de Sterrenloze Poel, er kon hem nauwelijks iets gebeuren; er viel van lieden als deze geen echt gevaar te duchten.
Als om dat punt te onderstrepen begon Chell te mompelen, tegen zichzelf te praten zonder zich daarvan bewust te zijn. Dirk keek van opzij naar hem en probeerde er iets van te verstaan. De oude man wiebelde een beetje bij het spreken, terwijl zijn ogen leeg voor zich uit staarden. Wat hij zei was volstrekt onbegrijpelijk, Het kostte Dirk een paar minuten voor hij het doorhad, maar toen hij dat deed, begreep hij ten slotte dat Chell Oud-Kavalaans sprak. Op Hoog Kavalaan ontstaan tijdens de lange eeuwen zonder regering, toen de overlevende Kavalaren geen contact hadden met andere mensenwerelden, was het een taal die wel wat op het standaard-Terraans leek maar de moedertaal had verrijkt met woorden waarvoor geen equivalent bestond. Bijna niemand sprak nog Oud-Kavalaans, had Garse Janacek hem verteld, maar toch zat Chell, een oudere man uit een van de meest traditionele vestigingscoalities, hier dingen te mompelen die hij ongetwijfeld in zijn jeugd had gehoord.
En zo was het ook met Bretan, die Dirk een klap op zijn mond had gegeven omdat hij zich op de verkeerde manier tot hem had gericht, met een aanspreekvorm die uitsluitend aan kethi voorbehouden was. Ook een uitstervend gebruik, had Garse gezegd; zelfs de hoogbonders werden laks. Zo niet Bretan Braith, die jong en niet eens hoog was. Hij klampte zich vast aan tradities die mannen, generaties ouder dan hijzelf, al aan de kant hadden gezet omdat ze niet meer levend waren.
Dirk had bijna medelijden met hen. Ze waren buitenstaanders, was zijn conclusie, uitgestotenen en eenzamer dan Dirk zelf, in zekere zin wereldvreemd, want Hoog Kavalaan was hen voorbijgestreefd en kon hun wereld niet meer zijn. Geen wonder dat ze naar Worlorn waren gekomen; ze hoorden hier. Ze waren stervende, samen met al hun gewoonten.
Vooral Bretan was beklagenswaardig, Bretan die zo zijn best deed om een angstaanjagende persoonlijkheid te zijn. Hij was jong, misschien de laatste ware gelovige en misschien zou hij de dag nog beleven waarop niemand erover dacht als hij. Zou hij daarom Chells teyn zijn? Omdat zijn leeftijdgenoten hem en zijn oudemannenwijsheden afwezen? Vermoedelijk wel, bedacht Dirk, en dat was wreed en triest.
Eén gele zon blonk nog in het westen. De Naaf was niet meer dan een fletse, rode herinnering. Dirk, nadenkend en beheerst, had alle angst achter zich gelaten, toen ze de luchtwagens hoorden aankomen.
Bretan Braith verstarde en keek op. Hij haalde zijn handen uit zijn zakken. Een daarvan kwam bijna automatisch op de holster van zijn laserpistool te rusten. Chell keek op en kwam langzaam uit zijn zittende houding overeind. Hij leek plotseling tien jaar jonger. Ook Dirk stond op.
De wagens kwamen binnen. Twee tegelijk, de grijze wagen en de olijfgroene; ze vlogen zij aan zij met een bijna militaire precisie.
‘Kom hier,’ raspte Bretan, en Dirk liep naar hem toe, terwijl Chell zich bij hen voegde, zodat ze daar met zijn drieën stonden, met Dirk als een gevangene tussen zich in. De wind sneed door hem heen. Overal in het rond glansden de gloeistenen van de stad Larteyn bloedrood en Bretans oog — heel dichtbij — straalde woest op in zijn beschadigde holte. De zenuwtrekking was om de een of andere reden gestopt; zijn gezicht stond heel rustig.
Jaan Vikary vloog in de grijze manta en liet hem voorzichtig landen, waarna hij over de zijkant sprong en met snelle pas op hen afliep. De hoekige en lelijke militaire machine, overkapt en gepantserd, zodat de piloot niet zichtbaar was, landde bijna tegelijkertijd. Een zware, metalen deur in de zijkant zwaaide open en Garse Janacek verscheen, zijn hoofd enigszins gebogen, en rondkijkend om te zien wat er aan de hand was. Toen hij het zag richtte hij zich op, sloeg de deur met een luide klap dicht en kwam toen aan Vikary’s rechterkant staan.
Vikary groette eerst Dirk, met een korte knik en een vage glimlach. Toen keek hij Chell aan. ‘Chell Nim Koudewind vry-Braith Daveson,’ zei hij vormelijk. ‘Eer aan uw vestiging, eer aan uw teyn.’’
‘En aan de uwe,’ zei de oude Braith. ‘Mijn nieuwe teyn staat aan mijn zij en u kent hem nog niet.’ Hij wees op Bretan.
Jaan draaide zich om en taxeerde de gehavende jongeman met een snelle blik. ‘Ik ben Jaan Vikary,’ zei hij, ‘van het IJzerjade-gezelschap.’
Bretan maakte zijn geluid, zijn eigenaardige geluid. Er volgde een pijnlijke stilte.
‘Om preciezer te zijn,’ zei Janacek, ‘mijn teyn is Jaantony Riv Wolf hoog-IJzerjade Vikary. En ik ben Garse IJzerjade Janacek.’
Nu antwoordde Bretan: ‘Eer aan uw vestiging, eer aan uw teyn. Ik ben Bretan Braith Lantry.’
‘Ik zou het niet geweten hebben,’ reageerde Janacek met een zweem van een glimlach. ‘Wij hebben van u gehoord.’
Jaan Vikary wierp hem een waarschuwende blik toe. Er leek iets mis te zijn met Jaans gezicht. Eerst dacht Dirk dat het door de lichtval kwam — het werd nu snel donker — maar toen zag hij dat Vikary’s kaak aan een kant licht gezwollen was, zodat zijn profiel een opgezette indruk maakte.
‘Wij wenden ons met een ernstige grief tot u,’ zei Bretan Braith Lantry.
Vikary keek naar Chell. ‘Werkelijk?’
‘Het is zo, Jaantony hoog-IJzerjade.’
‘Het spijt me dat wij een geschil hebben,’ antwoordde Vikary. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Wij moeten u iets vragen,’ zei Bretan. Hij legde zijn hand op Dirks schouder. ‘Dit wezen, Jaantony hoog-IJzerjade. Zeg ons: is hij korariel van IJzerjade of niet?’
Nu grijnsde Garse openlijk en zijn harde blauwe ogen ontmoetten die van Dirk; in de ijzige diepten flikkerde een geamuseerd lachje, alsof hij zeggen wilde: Wel, wel, wat heb je nu weer uitgehaald?
Jaan Vikary fronste slechts zijn voorhoofd. ‘Waarom?’
‘Is uw waarheid afhankelijk van onze redenen, hoogbonder?’ vroeg Bretan ruw. Zijn verminkte wang vertrok hevig.
Vikary keek naar Dirk. Hij was duidelijk niet blij.
‘U hebt geen reden ons uw antwoord te onthouden of ermee te dralen, Jaantony hoog-IJzerjade,’ zei Chell Daveson. ‘De waarheid is ja, of de waarheid is nee; iets anders is niet mogelijk.’ De stem van de oude man was heel rustig; hij had tenslotte geen nervositeit te verbergen en zijn code dicteerde elk woord dat hij zou zeggen.