Выбрать главу

‘Eens zou je gelijk gehad hebben, Chell vry-Braith,’ begon Vikary. ‘In de oude tijd van de vestigingen was de waarheid een eenvoudige zaak, maar dit zijn nieuwe tijden, vol nieuwe dingen. Wij zijn nu mensen van vele werelden, niet slechts van één wereld en daardoor is onze waarheid ingewikkelder geworden.’

‘Nee,’ zei Chell. ‘Deze drogman is korariel of deze drogman is geen korariel. Dat is helemaal niet ingewikkeld.’

‘Mijn teyn Chell spreekt de waarheid,’ beaamde Bretan. ‘De vraag die ik u heb gesteld is heel eenvoudig, hoogbonder. Ik eis antwoord.’

Vikary liet zich niet onder druk zetten. ‘Dirk t’Larien is een man van de verafgelegen wereld Avalon, diep in de Sluier der Verlokking, een mensenwereld waar ik heb gestudeerd. Ik heb hem korariel genoemd om hem mijn bescherming en die van IJzerjade te bieden tegen degenen die kwaad tegen hem in de zin hebben. Maar ik bescherm hem als een vriend, zoals ik een broeder van IJzerjade zou beschermen, zoals een teyn een teyn beschermt. Hij is niet mijn eigendom. Ik maak er geen aanspraak op, hem te bezitten. Begrijpt u?’

Chell begreep het niet. De oude man perste zijn lippen op elkaar onder zijn stijve snorretje en mompelde iets in het Oud-Kavalaans. Daarna sprak hij hardop. Te hard eigenlijk, hij schreeuwde bijna. ‘Wat is dit voor onzin? Uw teyn is Garse IJzerjade, niet dit vreemde wezen. Hoe kunt u hem de hand boven het hoofd houden als een teyn} Hoort hij bij IJzerjade? Hij is niet eens gewapend! Is hij wel een man? Zo ja, dan kan hij geen korariel zijn; en als hij geen man is en hij is korariel dan moet hij uw eigendom zijn. Ik hoor niets aannemelijks in wat u zegt. U praat als een drogmens.’

‘Dat spijt me dan, Chell vry-Braith,’ zei Vikary, ‘maar het zijn uw oren die tekortschieten, niet mijn woorden. Ik probeer u alle eer te bewijzen, maar u maakt het mij niet gemakkelijk.’

‘U drijft de spot met mij!’ zei Chell beschuldigend.

‘Nee.’

‘Dat doet u wel!’

Toen sprak Bretan Braith, en zijn stem had niets van Chells woede, maar was wel heel hard. ‘Dirk t’Larien, zoals hij zichzelf noemt en zoals u hem noemt, heeft ons onrecht gedaan. Dit is de zaak waar het om gaat, Jaantony hoog-IJzerjade. Hij heeft de hand gelegd op eigendom van Braith zonder daarvoor van Braith toestemming te hebben gekregen. Nu, wie zal daarvoor betalen? Als hij een drogman is en korariel van u, dan eis ik hier en nu genoegdoening van u. IJzerjade heeft Braith kwaad gedaan. Als hij geen korariel is, dan...’ Hij stopte.

‘Ik begrijp het,’ zei Jaan Vikary. ‘Dirk?’

‘Allereerst dit: ik heb maar heel even in die verdomde luchtwagen gezeten,’ zei Dirk ongemakkelijk. ‘Ik was op zoek naar een afdankertje, een achtergelaten wagen die nog bruikbaar was. Gwen en ik vonden er zo een in Kryne Lamiya en ik hoopte er hier ook een te vinden.’

Vikary haalde zijn schouders op en keek naar de twee Braiths. ‘Het komt me voor dat er nauwelijks kwaad is gedaan. Er is niets meegenomen.’

‘Onze wagen is aangeraakt!’ brulde de oude Chell. ‘Door hem, door een drogman; daar had hij het recht niet toe! Nauwelijks kwaad gedaan, noemt u dat? Hij had ermee weg kunnen vliegen. Verwacht u van mij dat ik daar als een drogman mijn ogen voor sluit en dankbaar ben dat hij zo weinig heeft gedaan?’ Hij wendde zich tot Bretan, zijn teyn. ‘De IJzerjades drijven de spot met ons, ze beledigen ons,’ zei hij. ‘Misschien zijn ze zelf geen echte mensen, maar drogmensen. Ze spreken niets dan drogmensentaal.’

Garse Janacek reageerde onmiddellijk. ‘Ik ben teyn van Jaantony Riv Wolf hoog-IJzerjade en ik sta voor hem in. Hij is geen drogman.’ De woorden kwamen snel, een voorgeschreven formule.

Uit de manier waarop Janacek vervolgens Vikary aankeek, maakte Dirk op dat hij verwachtte dat zijn teyn dezelfde woorden zou herhalen. In plaats daarvan schudde Jaan zijn hoofd en zei: ‘Ach, Chell. Er bestaan geen drogmensen.’ Zijn stem klonk doodmoe en hij liet zijn brede schouders hangen.

De grote, bejaarde Braith keek alsof Jaan hem had geslagen. Weer prevelde hij hese woorden in het Oud-Kavalaans.

‘Dit kan zo niet doorgaan,’ zei Bretan Braith. ‘We moeten weten waar we aan toe zijn. Hebt u deze man korariel genoemd, Jaantony hoog-IJzerjade?’

‘Inderdaad.’

‘Ik heb die benaming afgewezen,’ zei Dirk rustig. Hij voelde zich verplicht het te zeggen en dit leek hem het juiste moment. Bretan draaide zich met een woeste blik om en het groene oog van de Braith brandde even vurig als zijn equivalent van gloeisteen.

‘Hij wees slechts het idee af dat hij bezit was,’ zei Vikary heel snel. ‘Mijn vriend behield zijn menselijkheid, maar hij draagt nog altijd het schild van mijn bescherming.’

Garse Janacek grijnsde en schudde zijn hoofd. ‘Nee, Jaan. Jij was vanmorgen niet thuis. t’Larien wil op geen enkele manier door ons beschermd worden. Dat heeft hij gezegd.’

Vikary keek hem woedend aan. ‘Garse! Het is nu geen tijd voor grapjes.’

‘Ik maak geen grapjes,’ zei Janacek.

‘Het is waar,’ gaf Dirk toe. ‘Ik zei dat ik wel voor mijzelf kon zorgen.’

‘Dirk, je weet niet wat je zegt!’ riep Vikary uit.

‘Voor de verandering meen ik van wel.’

Bretan Braith Lantry maakte zijn geluid, heel hard en plotseling, terwijl Dirk en de twee IJzerjades redetwistten en zijn teyn Chell stijf stond van woede. ‘Stilte,’ eiste de stem van schuurpapier, en het werd stil. ‘Dit heeft er niets mee te maken. Het verandert niets aan de zaak. U zegt dat hij menselijk is, IJzerjade. Als dat waar is kan hij geen korariel zijn en kunt u hem niet beschermen. Of hij het wil of niet, u kunt hem niet beschermen. Mijn kethi zullen erop toezien dat u het niet doet.’ Hij draaide zich om en ging vlak voor Dirk staan. ‘Ik daag u uit, Dirk t’Larien.’

Iedereen was stil. Overal rondom hen smeulde Larteyn en de wind was heel koud. ‘Ik had geen belediging in de zin,’ zei Dirk, denkend aan de woorden die de IJzerjades bij andere gelegenheden hadden gebezigd. ‘Mag ik mijn excuses aanbieden, of iets dergelijks?’ Hij toonde Bretan Braith zijn handpalmen, geopend en leeg.

Het gehavende gezicht vertrok. ‘Het is als een belediging opgevat.’

‘Je moet met hem duelleren,’ zei Janacek.

Dirk liet zijn handpalmen langzaam zakken. Langs zijn zij balden ze zich tot vuisten. Hij zei niets.

Jaan Vikary keek treurig naar de grond, maar Janacek bleef geanimeerd. ‘Dirk t’Larien weet niets van de duelleergebruiken,’ vertelde hij de twee Braiths. ‘Zulke gewoonten kent men op Avalon niet. Staat u mij toe hem instructies te geven?’

Bretan Braith knikte, dezelfde, merkwaardig moeizame beweging van hoofd en schouders die Dirk ’s middags in de garage al was opgevallen. Chell scheen niets te horen; de oude Braith keek nog steeds mompelend en met een boze blik naar Vikary.

‘Er zijn vier keuzes te maken, t’Larien,’ zei Janacek tegen Dirk. ‘Als uitgedaagde heb jij de eerste keus. Ik raad je aan de wapens te kiezen en wel zwaarden.’

‘Zwaarden,’ zei Dirk zacht.

‘De wijze waarop is mijn keus,’ raspte Bretan, ‘en ik kies het doodsvierkant.’

Janacek knikte. ‘Dan heb jij weer de derde keus, t’Larien. Aangezien je geen teyn hebt, staat de keuze van de aantallen vast. Het moet een gevecht van man tegen man worden. Dat mag je zeggen, of je mag de plaats kiezen.’