‘De Oude Aarde?’ vroeg Dirk hoopvol.
Janacek grijnsde. ‘Nee. Alleen op deze wereld, vrees ik. Een andere keus is niet geoorloofd.’
Dirk haalde zijn schouders op. ‘Dan maar hier.’
‘Ik kies de aantallen,’ zei Bretan. Het was nu helemaal donker, de zwarte hemel slechts hier en daar verlicht door de sterren van de buitenwerelden. Het oog van de Braith vlamde en een vreemde weerschijn glansde vochtig op zijn littekens. ‘Ik kies voor het gevecht van man tegen man, zoals het hoort.’
‘Dat is dan afgesproken,’ zei Janacek. ‘Nu moeten jullie het nog eens worden over een scheidsrechter en dan...’
Jaan Vikary keek op. Zijn gezichtstrekken waren vaag en schimmig, alleen verlicht door het bleke schijnsel van de gloeistenen, maar door zijn gezwollen kaak zag zijn silhouet er vreemd uit. ‘Chell,’ zei hij heel zacht, op een bedachtzame, rustige toon.
‘Ja,’ antwoordde de oude Braith.
‘U bent gek dat u in drogmensen gelooft,’ zei Vikary. ‘Ieder van u die daarin gelooft is gek.’
Dirks blik was nog op Bretan Braith gericht toen Vikary dat zei. Het verminkte gezicht vertrok, en nog eens, en een derde keer.
Chell klonk alsof hij in trance was. ‘Dit vat ik op als een belediging, Jaantony hoog-IJzerjade, valse Kavalaar, drogmens. Ik eis genoegdoening.’
Bretan draaide zich snel om en probeerde te schreeuwen. Maar zijn stern was daartoe niet in staat en in plaats daarvan stotterde hij en snakte naar adem. ‘Jij... duelbreker! IJzerjade... ik...’
‘Het is volgens de code,’ antwoordde Vikary zonder veel overtuiging. ‘Maar misschien, als Bretan Braith de kleine misstap van een onwetende buitenwerelder door de vingers kan zien, zou ik mijzelf er mogelijk toe kunnen brengen vergiffenis te vragen aan Chell vry-Braith.’
‘Nee,’ zei Janacek duister, ‘dat is onze eer te na.’
‘Nee,’ herhaalde Bretan. En nu was zijn gezicht een doodskop. Zijn juweeloog gloeide en zijn wang vertrok van woede. ‘Ik zal me niet verder in bochten voor u wringen, valse Kavalaar. Ik zal niet de spot drijven met heel de wijsheid van mijn vestiging. Mijn teyn zag het juister dan ik. Werkelijk, het was een ernstige fout van mij om zelfs maar te proberen een duel met u te vermijden, leugenaar. Drogmens. Dat was hoogst beschamend. Maar ik zal het rechtzetten. Wij zullen u doden, Chell en ik. Wij zullen u alle drie doden.’
‘Misschien,’ antwoordde Vikary. ‘Wij zullen het snel uitvechten en dan zullen we zien.’
‘En je betheyn-teef gaat er ook aan,’ zei Bretan. Hij kon niet schreeuwen; zijn stem sloeg over toen hij het probeerde. Dus sprak hij even zacht als anders, en zijn rauwe woede bleef in zijn keel steken zodat hij bijna barstte. ‘Als wij met jullie hebben afgerekend, zullen we onze honden wekken en haar en haar vette Kim-dissi opjagen door de bossen die ze zo goed kennen.’
Jaan Vikary negeerde hem. ‘Ik ben uitgedaagd,’ zei hij tegen Chell vry-Braith. ‘Ik mag de eerste van de vier keuzes maken. Ik kies de aantallen. Wij vechten samen met onze teyns.’
‘Ik kies de wapens,’ antwoordde Chell. ‘Ik kies vuurwapens.’
Ik kies de manier,’ zei Vikary. ‘Ik kies het doodsvierkant.’
‘Ten slotte de keuze van de plaats,’ zei Chell. ‘Hier dan maar.’
‘De scheidsrechter zal slechts één vierkant tekenen,’ zei Janacek. Van de vijf mannen op het dak was hij de enige die nog glimlachte. ‘Maar we hebben nog geen scheidsrechter. Dezelfde voor de beide duels?’
‘Eén man zal voldoende zijn,’ zei Chell. ‘Ik stel Lorimaar hoog-Braith voor.’
‘Nee,’ zei Janacek. ‘Hij kwam gisteren nog hoogst gegriefd naar ons toe. Kirak Roodstaal Cavis.’
‘Nee,’ zei Bretan. ‘Hij schrijft fraaie poëzie, maar verder kan ik Kirak Roodstaal niet gebruiken.’
‘Er zijn hier twee mensen van de Shanagate-maatschappij,’ zei Janacek. ‘Ik weet niet precies hoe ze heten.’
‘Wij zouden de voorkeur geven aan een Braith,’ zei Bretan met een zenuwtrekking. ‘Iemand van Braith zal correct oordelen en alle eer van de code in acht nemen.’
Janacek keek Vikary aan; Vikary haalde zijn schouders op. ‘Goed,’ zei Janacek, terwijl hij zich weer naar Bretan keerde. ‘Een Braith dan, Pyr Braith Oryan.’
‘Niet Pyr Braith,’ zei Bretan.
‘U bent niet gauw tevreden,’ zei Janacek droogjes. ‘Hij is een van uw kethi.’’
‘Ik heb wrijving gehad met Pyr Braith,’ antwoordde Bretan.
‘Een hoogbonder zou een betere keus zijn,’ zei de oude Chell. ‘Een man van formaat en grote wijsheid. Roseph Lant Banshee hoog-Braith Kelcek.’
Janacek haalde zijn schouders op. ‘Afgesproken.’
‘Ik zal het hem vragen,’ zei Chell. De anderen knikten.
‘Tot morgen dan,’ zei Janacek.
‘Alles is geregeld,’ zei Chell.
En terwijl Dirk stond toe te kijken en zich verloren en niet op zijn plaats voelde, namen de vier Kavalaren afscheid. En vreemd genoeg kuste elk van hen zijn twee vijanden licht op de lippen voordat ze uiteengingen.
En Bretan Braith Lantry, gehavend, met maar één oog en een halve mond — Bretan Braith Lantry kuste Dirk.
Toen de Braiths weg waren, gingen de anderen naar beneden. Vikary opende de deur van zijn appartement en deed het licht aan. Toen begon hij in methodische stilte vuur te maken in de grote haard onder de schoorsteenmantel, waarvoor hij blokken van knoestig zwart hout uit een verborgen opslagruimte in de naastgelegen muur haalde. Dirk zat met gefronste wenkbrauwen op het ene uiteinde van de bank. Garse Janacek zat aan de andere kant met een vage glimlach op zijn gezicht, terwijl zijn vingers afwezig aan de haren van zijn oranjerode baard plukten. Niemand zei iets.
Het vuur laaide tot leven. Oranje en blauw gepunte vuurtongen likten aan de blokken en Dirk voelde de plotselinge warmte op zijn gezicht en zijn handen. Een lucht als van kaneel vulde de ruimte. Vikary stond op en ging weg.
Hij kwam terug met drie cognacglazen, zwart als obsidiaan.
Onder zijn arm stak een fles. Hij overhandigde een glas aan Dirk en een aan Garse, zette het derde glas neer op een tafeltje vlakbij hem en ontkurkte de fles met zijn tanden. De wijn was dieprood en heel sterk. Vikary vulde alle drie de glazen tot aan de rand. Dirk hield het zijne onder zijn neus; de geur van de wijn was prikkelend maar deed prettig aan.
‘Welnu,’ zei Vikary, nog voordat een van hen de wijn had geproefd. Hij had de fles neergezet en zijn eigen glas gepakt. ‘Nu ga ik iets heel moeilijks van jullie allebei vragen. Ik ga aan elk van jullie vragen om jullie eigen bekrompen cultuur even achter je te laten en iets te zijn wat jullie nog niet eerder zijn geweest, iets wat jullie vreemd is. Garse, jou vraag ik — voor ons aller bestwil — om de vriend van Dirk t’Larien te worden. Daar bestaat in het Oud-Kavalaans geen woord voor, dat weet ik. Aan zoiets is op Hoog Kavalaan geen behoefte. Daar heeft een man zijn vestiging en zijn kethi en vooral zijn teyn. Maar we zijn nu allemaal op Worlorn en morgen gaan we duelleren. Misschien duelleren we niet tegelijk, maar toch hebben we dezelfde vijanden. Daarom vraag ik je, als mijn teyn, om de naam van vriend voor Dirk t’Larien aan te nemen, en de bijbehorende banden aan te knopen.’
‘Je vraagt nogal wat van me,’ antwoordde Janacek, terwijl hij zijn wijn voor zijn gezicht hield en keek hoe de vlammen in het zwarte glas dansten. ‘t’Larien heeft ons bespied, hij heeft geprobeerd mijn cro-betheyn en jouw naam te stelen en nu heeft hij ons betrokken in zijn ruzie met Bretan Braith. Ik ben eerder geneigd, zelf genoegdoening van hem te eisen voor alles wat hij heeft gedaan. En nu vraag jij, mijn teyn, mij om in plaats daarvan vriendschapsbanden met hem aan te knopen.’