Выбрать главу

‘Ja, dat doe ik,’ zei Vikary.

Janacek keek naar Dirk en nam een slok wijn. ‘Jij bent mijn teyn,’ zei hij. ‘Ik geef toe aan je wensen. Aan welke voorwaarden moet ik voldoen als ik de naam van zijn vriend draag?’

‘Behandel een vriend alsof hij een keth is,’ zei Vikary. Hij wendde zich tot Dirk. ‘En jij, t’Larien, hebt een heleboel narigheid veroorzaakt, al weet ik niet precies in hoeverre de verantwoordelijkheid daarvoor werkelijk op jou rust. Van jou vraag ik ook iets, namelijk om een tijdlang de vestigingsbroeder van Garse IJzerjade Janacek te zijn.’

Dirk kreeg niet eens de kans om te antwoorden, want Janacek was hem voor. ‘Dat kun je niet doen. Wie is die t’Larien helemaal? Hoe is het mogelijk dat je hem waardig acht lid van IJzerjade te worden? Hij zal ons verraden, Jaan. Hij zal zich niet aan de verplichtingen houden, hij zal de vestiging niet verdedigen, hij zal niet met ons naar de Verzameling teruggaan. Ik protesteer hiertegen.’

‘Als hij mijn voorstel aanneemt, denk ik dat hij zich wel een tijdlang aan de verplichtingen zal houden,’ zei Vikary.

‘Een tijdlang? Kethi zijn voor eeuwig verbonden!’

‘Dan zal dit iets nieuws zijn, een nieuw soort keth, een tijdelijke vriendschap.’

‘Het is meer dan nieuw,’ zei Janacek. ‘Ik zal het niet toestaan.’

‘Garse,’ zei Jaan Vikary, ‘Dirk t’Larien is nu je vriend. Of ben je dat al zo snel weer vergeten? Je doet er verkeerd aan mijn voorstel te dwarsbomen. Je verbreekt de verplichtingen die je zojuist op je genomen hebt. Je zou een keth zoiets niet aandoen.’

‘Jij zou een keth niet uitnodigen om keth te worden,’ mopperde Janacek. ‘Hij zou dat al zijn, dus dit heeft allemaal geen zin. Hij staat buiten het verbond. De bondsraad zou je berispen, Jaan. Dit is duidelijk verkeerd.’

‘De hoogbondsraad zetelt op Hoog Kavalaan en dit is Worlorn,’ zei Vikary. ‘Alleen jij bent hier om voor IJzerjade te spreken. Wil je je vriend kwetsen?’

Janacek gaf geen antwoord.

Opnieuw wendde Vikary zich tot Dirk. ‘Nu, t’Larien?’

‘Ik weet het niet,’ zei Dirk. ‘Ik vermoed denk ik wel wat het inhoudt om bondsbroeder te zijn en ik wil wel aannemen dat het een eer voor me is, of wat dan ook. Maar er staan heel wat dingen tussen ons, Jaan.’

‘Je doelt op Gwen,’ zei Vikary. ‘Ze staat inderdaad tussen ons. Maar Dirk, ik vraag je om een nieuw en speciaal soort vestigingsbroeder te zijn. Alleen voor de tijd dat je op Worlorn verblijft, en alleen van Garse, niet van mij of enig ander lid van IJzerjade. Begrijp je wat ik bedoel?’

‘Ja, dat maakt het eenvoudiger.’ Hij wierp een blik op Janacek. ‘Maar met Garse had ik ook moeilijkheden. Hij was degene die probeerde een bezitting van me te maken, en daarnet heeft hij nou niet bepaald geprobeerd me buiten dat duel te houden.’

Ik sprak alleen maar de waarheid,’ zei Janacek, maar Vikary gebaarde hem stil te zijn.

‘Zulke dingen zou ik wel kunnen vergeven, denk ik,’ zei Dirk. ‘Maar niet die geschiedenis met Gwen.’

‘Die kwestie zal worden opgelost door mijzelf, jou en Gwen Delvano,’ zei Vikary kalm. ‘Garse heeft daarin geen stem, al heeft hij je misschien verteld van wel.’

‘Ze is mijn cro-betbeyn,’ wierp Garse tegen. ‘Ik heb recht van spreken en handelen. Ik heb een verplichting.’

‘Ik heb het over gisteravond,’ zei Dirk. ‘Ik stond bij de deur. Ik heb het gehoord. Janacek sloeg haar en sindsdien hebben jullie tweeën haar bij mij vandaan gehouden.’

Vikary lachte. ‘Sloeg hij haar?’

Dirk knikte. ‘Ik heb het gehoord.’

‘Je hebt een ruzie en een klap gehoord, daar twijfel ik niet aan,’ zei Vikary. Hij wees naar zijn gezwollen kaak. ‘Hoe denk je dat dit is gebeurd?’

Dirk staarde ernaar en voelde zich plotseling ongelofelijk dom. ‘Ik... ik dacht... Ik weet het niet. De kwallenkinderen...’

‘Garse heeft mij geslagen, niet Gwen,’ zei Vikary.

‘En ik zou het weer doen,’ voegde Janacek daar korzelig aan toe.

‘Maar,’ zei Dirk, ‘maar wat was er dan aan de hand? Gisteravond? Vanmorgen?’

Janacek stond op, liep naar het einde van de bank waar Dirk zat en boog zich over hem heen. ‘Vriend Dirk,’ zei hij op ietwat venijnige toon, ‘ik heb je vanmorgen de waarheid verteld. Gwen is met Arkin Ruark weggegaan om te werken. De Kimdissi had gisteren de hele dag naar haar gevraagd. Hij was bijna buiten zichzelf. Het verhaal dat hij mij deed was dat een colonne schildluizen aan het migreren was geslagen, ongetwijfeld als reactie op de toenemende kou. Dat schijnt heel zelden voor te komen, zelfs op Eshellin. Op Worlorn is zo’n gebeurtenis natuurlijk uniek en eenmalig, en Ruark vond dat het gebeuren onmiddellijk moest worden bestudeerd. Begrijp je het nu, mijn vriend Dirk t’Larien, is het je nu duidelijk?’

‘Eh,’ zei Dirk. ‘Ze zou me daar heus wel iets van gezegd hebben.’

Janacek keerde terug naar zijn zitplaats, zijn magere, scherpe gezicht vol rimpels. ‘Mijn vriend noemt mij een leugenaar,’ zei hij.

‘Garse spreekt de waarheid,’ zei Vikary. ‘Gwen zei dat ze een bericht voor je zou achterlaten, een briefje of een bandje. Misschien is ze dat tijdens haar voorbereidingen in de opwinding vergeten. Zulke dingen komen voor. Ze gaat heel erg in haar werk op, Dirk. Ze is een goeie ecologe.’

Dirk keek naar Garse Janacek. ‘Wacht even,’ zei hij. ‘Vanmorgen zei je zelf dat je haar bij mij weghield. Je gaf het toe.’

Nu keek ook Vikary verbaasd. ‘Garse?’

‘Dat klopt,’ zei Janacek met tegenzin. ‘Hij kwam naar me toe en bleef maar doordrammen, hij drong binnen met een doorzichtige leugen, en nog erger, het was duidelijk dat hij graag wilde geloven dat Gwen door die vuile IJzerjades gevangen werd gehouden. Ik betwijfel of hij iets anders geloofd zou hebben.’ Hij nam voorzichtig een slokje van zijn wijn.

‘Dat,’ zei Jaan Vikary, ‘was niet erg verstandig, Garse.’

‘Wie liegt wordt voorgelogen,’ zei Janacek zelfvoldaan.

‘Je bent bepaald geen goede vriend.’

‘Ik zal van nu af aan een betere zijn,’ zei Janacek.

‘Dat doet me genoegen,’ antwoordde Vikary. ‘Nu, t’Larien, wil jij keth zijn van Garse?’

Daar moest Dirk een poosje over nadenken. ‘Goed dan,’ zei hij ten slotte.

‘Drink dan,’ zei Vikary. De drie mannen hieven tegelijkertijd hun glas — dat van Janacek was al halfleeg — en de wijn vloeide heet en enigszins bitter over Dirks tong. Het was niet de beste wijn die hij ooit geproefd had, maar goed genoeg.

Janacek dronk zijn glas leeg en stond op. ‘We moeten over de duels praten.’

‘Ja,’ zei Vikary. ‘Dit is een bittere dag geweest. Jullie hebben je geen van beiden verstandig gedragen.’

Janacek leunde tegen de schoorsteenmantel, onder een van de loerende waterspuwers. ‘Het grootste gebrek aan wijsheid kwam van jou, Jaan. Begrijp me goed, ik ben niet bang om met Bretan Braith en Chell Leegarm te duelleren, maar het was niet nodig geweest. Je hebt het opzettelijk uitgelokt. Na wat je zei moest de Braith wel wraak eisen, als hij niet wilde dat zijn eigen teyn op hem zou spugen.’

‘Het is niet gegaan zoals ik had gehoopt,’ zei Vikary. ‘Ik dacht dat Bretan misschien bang voor ons zou zijn, dat hij van zijn duel met t’Larien zou afzien om ons te vermijden. Maar dat deed hij niet.’

‘Nee,’ zei Janacek, ‘dat deed hij niet. Dat had ik je wel kunnen vertellen als je het mij gevraagd had. Je hebt hem te zwaar gekwetst en het scheelde weinig of je had de duelleerwetten overtreden.’

‘Het viel nog binnen de code.’

‘Misschien. Toch had Bretan gelijk; het zou voor hem een grote schande zijn geweest als hij t’Lariens misstap door de vingers had gezien uit angst voor jou.’