‘Nee,’ zei Vikary. ‘Dat is het nou juist wat jij en ons hele volk verkeerd zien. Het zou geen schande moeten zijn om een duel te mijden. Als we ooit ons doel willen bereiken, moeten we dat tót ons laten doordringen. Toch heb je in zekere zin gelijk, want in aanmerking genomen wie en wat hij is, kon hij geen ander antwoord geven. Ik heb hem verkeerd beoordeeld.’
‘Een ernstige vergissing,’ zei Janacek. Zijn rode baard spleet vaneen in een grijns. ‘Het zou beter geweest zijn om t’Larien te laten duelleren. Ik heb het zo geregeld dat ze met zwaarden vechten, nietwaar? De Braiths zouden hem niet afgeslacht hebben voor zo’n onbeduidende belediging. Een man als Dirk, nou, daar zou geen eer aan te beleven zijn. Eén klap maar, zou ik zeggen. Een snee zou t’Larien goed doen. Een les voor hem, een les over vergissingen. Een kleine snee zou zijn gezicht meer karakter geven.’ Hij keek Dirk aan. ‘Maar nu zal Bretan Braith je natuurlijk doden.’
Hij grijnsde nog steeds en maakte,die laatste opmerking met een nonchalant elan. Dirk probeerde zich niet in zijn wijn te verslikken. ‘Wat?’
Janacek haalde zijn schouders op. ‘Als degene die het eerst uitgedaagd is moet jij het eerst duelleren, dus hoop er maar niet op dat Jaan en ik hen te grazen nemen voor ze aan jou toe zijn. Bretan Braith Lantry is even bekend om zijn bedrevenheid in het duelleren als om zijn knappe uiterlijk. In feite is hij berucht. Ik neem aan dat hij hier is om met Chell op drogmensen te jagen, maar hij is eigenlijk geen jager. Hij voelt zich meer thuis in het doodsvier-kant dan in de wildernis, te oordelen naar wat ik over hem heb gehoord. Zelfs zijn eigen kethi vinden hem lastig. Bovendien heeft hij ook nog eens Chell vry-Braith als teyn gekozen. Ooit was Chell een hoogbonder met veel invloed en aanzien. Hij heeft zijn betheyn en zijn oorspronkelijke teyn overleefd. Tegenwoordig is hij een bijgelovige stakker met een klein verstand en grote rijkdom. In de vestigingen gaat het gerucht dat die rijkdom de reden is waarom Bretan Braith Chells ijzer-en-vuur draagt. Natuurlijk zegt niemand -dat openlijk tegen Bretan. Hij schijnt nogal lichtgeraakt te zijn. En nu heeft Jaan hem bovendien kwaad gemaakt en mogelijk is hij een beetje bang. Hij zal voor jou geen genade kennen. Ik hoop dat je hem een beetje zal weten te verwonden voor je sterft. Dat zou het voor ons makkelijker maken in het volgende duel.’
Dirk dacht aan het zelfvertrouwen dat hij op het dak had gekregen; hij was er bijna zeker van geweest dat geen van de Braiths echt gevaarlijk was. Hij had begrip voor hen gehad, met hen te doen gehad. Maar nu begon hij medelijden met zichzelf te krijgen. ‘Heeft Janacek gelijk?’ vroeg hij Vikary.
‘Garse plaagt je en overdrijft,’ zei Vikary, ‘maar je bent wel in gevaar. Bretan zal ongetwijfeld proberen je te doden als je hem de kans geeft. Maar dat hoeft niet. De regels van jullie strijdwijze en wapens zijn heel eenvoudig. De scheidsrechter zal op straat een vierkant van vijf bij vijf meter afbakenen en jij en je vijand zullen elkaar vanuit tegenovergestelde hoeken tegemoet treden. Op een woord van de scheidsrechter loopt elk van jullie met zijn zwaard naar het midden. Daar vechten jullie. Om aan de gestelde regels te voldoen moet je één klap in ontvangst nemen en er één uitdelen. Ik zou je aanraden naar zijn voet of zijn been uit te halen, want dat geeft aan dat je niet echt op een duel met dodelijke afloop uit bent. Daarna, als je zijn eerste klap in ontvangst hebt genomen — probeer die af te weren met je zwaard als je kunt — kun je naar de buitenrand van het vierkant lopen. Maar je moet niet rennen. Wegrennen is niet eervol. De scheidsrechter zal dan oordelen dat Bretan een doodszege heeft behaald, en dan zullen de Braiths je zeker vermoorden. Je moet gewoon lopen, heel bedaard. Als je de buitenkant van het vierkant hebt bereikt, ben je veilig.’
‘Maar voor je in veiligheid bent, moet je de buitenrand wel bereiken,’ zei Janacek. ‘Voor het zover is, zal Bretan je doden.’
‘Als ik mijn eerste klap uitdeel en er een in ontvangst neem, kan ik mijn zwaard dan laten vallen en weglopen?’ vroeg Dirk.
‘In dat geval zal Bretan je doden met een verbaasde blik op zijn gezicht, of wat daarvan over is,’ zei Janacek.
‘Ik zou het niet doen,’ bevestigde Vikary.
‘Jaans suggesties zijn dwaas,’ zei Janacek. Hij liep langzaam terug naar de bank, pakte zijn glas en schonk zichzelf nog wat wijn in. ‘Je moet je zwaard vast blijven houden en met hem vechten. Bedenk dat de man aan één kant blind is. Hij is daar natuurlijk heel kwetsbaar! En let er eens op hoe moeizaam hij zijn hoofd beweegt en draait.’
Dirks glas was leeg. Hij stak het uit en Janacek schonk het weer vol. ‘Hoe gaan jullie met ze duelleren?’ vroeg Dirk.
‘De regels voor onze strijdwijze en wapens zijn anders,’ antwoordde Vikary. ‘Wij moeten ons alle vier in een van de hoeken van het doodsvierkant opstellen, gewapend met duelleerlasers of andere vuurwapens. We mogen ons niet verplaatsen, behalve om achteruit het vierkant uit te stappen om veilig te zijn. En dat mogen we pas doen als iedere man binnen het vierkant een schot heeft afgevuurd. Als dat gebeurd is, kunnen we kiezen. Degenen binnen het vierkant die nog overeind staan mogen het vuurgevecht voortzetten. Het kan een onschuldige strijd zijn, maar ook een dodelijke, afhankelijk van de bedoelingen van de deelnemers.’
‘Morgen,’ beloofde Janacek, ‘moet het dodelijk zijn.’ Hij dronk opnieuw.
‘Ik zou het graag anders willen,’ zei Vikary, en hij schudde spijtig zijn hoofd, ‘maar ik ben bang dat je gelijk hebt. De Braiths zijn veel te boos op ons om in de lucht te schieten.’
‘Inderdaad,’ zei Janacek met een zuinig lachje. ‘Ze hebben de belediging heel zwaar opgenomen. Vooral Chell Leegarm zal het ons niet vergeven.’
‘Kunnen jullie niet zo schieten dat je ze alleen verwondt?’ opperde Dirk. ‘Alleen maar ontwapent?’ De woorden kwamen vlot, maar het was vreemd ze uit zijn eigen mond te horen. De situatie viel volledig buiten zijn ervaring, maar toch merkte hij dat hij de gang van zaken accepteerde en zich merkwaardig op zijn gemak begon te voelen bij de twee Kavalaren, met hun wijn en hun rustige gesprek over dood en verminking. Misschien betekende het toch wel iets om tot de kethi te behoren; misschien werd dat ongemakkelijke gevoel daarom minder. Het enige wat hij wist, was dat hij zich tevreden en op zijn gemak voelde.
Vikary keek bezorgd. ‘Ze verwonden? Dat zou ik ook wel willen, maar het gaat niet. De jagers zijn nu bang voor ons. Vanwege die angst ontzien ze korariel van IJzerjade. Wij redden levens. Dat wordt onmogelijk als we het de Braiths morgen te gemakkelijk maken. De anderen zullen waarschijnlijk niet ophouden met jagen als ze denken dat ze alleen maar een lichte verwonding riskeren. Nee, helaas, ik denk dat we Chell en Bretan moeten doden als we kunnen.’
‘Dat kunnen we,’ zei Janacek vol vertrouwen. ‘En, vriend t’Larien, het is minder makkelijk en verstandig dan je denkt om een vijand in een duel slechts te verwonden. Ze ontwapenen? Nou drijf je de spot met ons. Dat is zo goed als ondoenlijk. Wij vechten met duellasers, vriend, niet met oorlogswapens. Zulke lasers vuren met impulsen van een halve seconde en de recycling vereist maar liefst vijftien volle seconden. Snap je? Iemand die te haastig schiet of nodeloos moeilijk doet, een man die schiet om te ontwapenen — die is al dood. Zelfs op vijf meter afstand kun je nog missen, en dan zal je vijand je moeiteloos doden voor je laser klaar is voor een volgend schot.’
‘Is het echt onmogelijk?’ vroeg Dirk.
‘Veel mensen raken in een duel alleen maar gewond,’ vertelde Vikary hem. ‘Veel meer dan er gedood worden. Maar in veel gevallen is dat de bedoeling ook niet. Soms wel. Als een man in de lucht schiet en zijn vijand besluit hem te straffen, kan hij hem vreselijke verwondingen toebrengen. Maar dat gebeurt niet vaak.’