‘We zouden Chell kunnen verwonden,’ zei Janacek. ‘Hij is oud en traag, hij zal zijn wapen niet snel genoeg trekken. Maar met Bretan Braith ligt het anders. Er wordt beweerd dat hij al een half dozijn tegenstanders heeft gedood.’
‘Ik neem hem wel voor mijn rekening,’ zei Vikary. ‘Zorg jij ervoor dat Chells laser geen vuur geeft, Garse, dat zal voldoende zijn.’
‘Misschien,’ Janacek keek naar Dirk. ‘Als je Bretan maar een beetje zou kunnen verwonden, t’Larien. Aan zijn hand, zijn arm of zijn schouder — geef hem een enkele pijnlijke haal, een kleine handicap. Dat zou al een groot verschil maken.’ Hij grijnsde.
Ondanks zichzelf merkte Dirk dat hij ook grijnslachte. ‘Ik kan het proberen,’ zei hij, ‘maar vergeet niet dat ik verdomd weinig verstand heb van duelleren en nog minder van zwaarden, en dat mijn eerste zorg zal zijn het er levend af te brengen.’
‘Tob niet over het onmogelijke,’ zei Janacek, nog steeds grijnzend. ‘Maar beschadig hem zoveel mogelijk.’
De deur ging open. Dirk draaide zich om en keek op. Janacek zweeg. Gwen Delvano stond in de deuropening, haar gezicht en kleren onder het stof. Ze keek onzeker van het ene gezicht naar het andere en kwam toen langzaam de kamer binnen. Er hing een sensortas aan haar schouder. Arkin Ruark kwam achter haar aan met twee zware koffers met instrumenten onder zijn armen. Hij zweette en hijgde. Gekleed in een dikke, groene broek en een dito jas en met capuchon zag hij er veel minder fatterig uit dan gewoonlijk.
Gwen liet de sensortas voorzichtig van haar schouder op de grond glijden maar haar hand bleef de riem vasthouden. ‘Beschadigen?’ zei ze, ‘Waar hebben jullie het over? Wie gaat wie beschadigen?’
‘Gwen,’ begon Dirk.
‘Nee,’ viel Janacek hem in de rede. Hij kwam heel stijf overeind. ‘De Kimdissi moet weg.’
Ruark keek rond, zijn gezicht wit en verbaasd. Hij trok zijn capuchon af en begon zijn voorhoofd onder zijn witblonde haar af te vegen. ‘Wat een hoop nonsens, Garsey,’ zei hij. ‘Wat is er aan de hand, groot Kavalarengeheim, hè? Een oorlog, een jacht, een duel, een beetje geweld zeker? Ik zal mijn neus er niet in steken, nee hoor, ik niet. Ik laat jullie dus maar alleen, dan hebben jullie je privacy.’ Hij liep terug naar de deur.
‘Ruark,’ zei Vikary, ‘wacht.’
De Kimdissi bleef staan.
Vikary keek naar zijn teyn. ‘Hij moet het weten. Als wij falen...’
‘We zullen niet falen!’
‘Ze hebben beloofd om jacht op hen te maken als wij falen, Garse, de Kimdissi is er te zeer bij betrokken. We moeten het hem vertellen.’
‘Je weet wat er zal gebeuren. Op Tober, op Wolfheim, op Eshellin. Het gaat de hele Marge over. Hij en zijn soortgenoten zullen leugens rondstrooien en alle Kavalaren zullen Braiths worden. Zo gaan de manipulatoren te werk, de drogmensen.’ In Janaceks stem klonk niets meer door van de harde humor waarmee hij Dirk had geplaagd; hij was nu doodernstig.
‘Maar in dit geval staat zijn leven en dat van Gwen op het spel,’ zei Vikary. ‘Ze moeten het weten.’
‘Alles?’
‘De charade is voorbij,’ zei Vikary.
Ruark en Gwen spraken tegelijkertijd.
‘Jaan wat...’ begon ze.
‘Charade, leven, jacht, waar gaat dat allemaal over? Vertel op!’
Jaan Vikary keerde zich naar hen toe en legde het uit.
7
‘Dirk, Dirk, dat kun je niet menen. Nee, dat geloof ik niet. Al die tijd dacht ik, nou ja, dat jij beter was dan zij. En nu vertel je me dit? Nee, ik droom. Dit is pure dwaasheid!’ Ruark had zich enigszins hersteld. In zijn lange kamerjas van grijze imitatiezijde, geborduurd met uilen, leek hij meer zichzelf, maar toch was zijn verschijning geheel misplaatst temidden van de rommel in de werkkamer. Hij zat op een hoge kruk met zijn rug naar het donkere, rechthoekige scherm van de computerconsole; zijn in slippers gestoken voeten had hij over elkaar gekruist en in zijn mollige handen hield hij een groot gekoeld glas met groene Kimdissiwijn. De fles stond achter hem, geflankeerd door twee lege glazen.
Dirk zat boven op een brede werktafel van plastic, zijn benen onder zich gevouwen en met zijn elleboog op een sensorpak geleund. Hij had ruimte voor zichzelf gemaakt door de sensor naar de ene kant te schuiven en een stapel dia’s en papieren naar de andere kant. In het vertrek heerste een ongelofelijke chaos. ‘Ik zie , de dwaasheid er niet van in,’ zei hij halsstarrig. Terwijl hij sprak dwaalden zijn ogen de kamer rond. Hij had de werkkamer nog niet eerder gezien. Die had ongeveer dezelfde afmetingen als de huiskamer van de Kavalaren maar leek veel kleiner. Een rij kleine computers nam een complete wand in beslag. Daartegenover hing een enorme kaart van Worlorn in wel twaalf verschillende kleuren, volgestoken met allerlei spelden en markers. In het midden van de kamer stonden de drie werktafels. Hier puzzelden Gwen en Ruark de stukjes kennis die ze te pakken kregen in de wildernis van de stervende Festivalwereld aan elkaar, maar het zag er in Dirks ogen meer uit als een militair hoofdkwartier.
Hij begreep nog niet helemaal waarom ze hier zaten. Na Vika-ry’s lange uiteenzetting en de scherpe discussie tussen Ruark en de twee Kavalaren die daarop was gevolgd, was de Kimdissi naar zijn eigen appartement gestampt, met medeneming van Dirk. De tijd leek nog niet rijp om met Gwen te praten. Maar Ruark had zich nog maar nauwelijks verkleed en zijn zenuwen met een slok wijn gekalmeerd, of hij had erop aangedrongen dat Dirk hem zou vergezellen naar zijn werkkamer. Hij had drie glazen meegenomen, maar Ruark zelf was de enige die dronk. Dirk herinnerde zich de vorige keer nog en hij moest aan morgen denken; hij moest helder zijn. Bovendien, als Kimdissiwijn en het Kavalaanse equivalent daarvan net zo slecht samengingen als Kimdissi en Kavalaren, zou het haast zelfmoord zijn het ene na het andere te drinken.
Dus dronk Ruark alleen. ‘De dwaasheid is,’ zei de Kimdissi na een slok van zijn groene brouwsel, ‘dat jij gaat duelleren als een Kavalaar. Ik zeg het, ik hoor het mezelf zeggen, maar ik kan er met mijn verstand niet bij! Jaantony, ja, Garsey vanzelfsprekend, en natuurlijk die Braiths. Xenofobe beesten, gewelddadig volk. Maar jij, kom nou! Dirk, jij, een man van Avalon, daar moet je boven staan. Denk toch na, smeek ik je, ja, ik smeek het je, omwille van mij, van Gwen en van jezelf. Hoe, hoe kun je dit serieus menen? Vertel het me, ik moet het weten. Iemand van Avalon! Je bent opgegroeid met de Academie voor Menselijke Kennis, ja, en met het Instituut voor de Bestudering van Niet-menselijke Intelligentie, dat ook. De wereld van Tomas Chung, de thuisbasis van het Kleronomas-onderzoek, al die geschiedenis, die kennis overal om je heen, nergens is daar zoveel van over als daar, behalve misschien op de Oude Aarde of mogelijk op Nieuwholm. Je bent bereisd, beschaafd, je hebt allerlei werelden gezien, veel verspreide volkeren. Ja! Jij weet wel beter. Dat moet je wel, ja!’
Dirk fronste zijn voorhoofd. ‘Arkin, je begrijpt het niet. Ik heb die ruzie niet gezocht. Het is allemaal min of meer een vergissing. Ik heb geprobeerd mijn verontschuldigingen aan te bieden, maar Bretan wilde niet luisteren. "Wat moet ik anders doen?’
‘Doen? Weggaan, natuurlijk. Neem die lieve Gwen mee en maak dat je wegkomt; verdwijn van Worlorn zo snel als je kunt. Dat ben je haar schuldig, Dirk, en dat weet je best, waar of niet? Ze heeft je nodig, ja. Niemand anders kan haar helpen. En hoe help je haar? Door net zo slecht te zijn als Jaan? Door jezelf te doden? Nou? Geef antwoord, Dirk, vertel dat eens.’
De verwarring sloeg weer toe. Toen hij met Janacek en Vikary had gedronken, had alles zo duidelijk geleken, zo makkelijk te accepteren. Maar nu zei Ruark dat het allemaal verkeerd was. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde Dirk. ‘Ik bedoel, ik heb Jaans bescherming afgewezen. Dus moet ik mezelf beschermen, nietwaar? Wie is er anders verantwoordelijk? Ik heb de keuzes gemaakt en zo; het duel staat vast. Ik kan er nu moeilijk vandoor gaan.’