Выбрать главу

‘Natuurlijk kun je dat,’ zei Ruark. ‘Wie houdt je tegen? Welke wet, nou? Geen wet van Worlorn, nee, geen enkele. Zo waar als wat! Zouden die beesten ons kunnen opjagen met een wet? Nee, want er is geen wet, dus zit iedereen in de problemen, maar je hoeft niet te duelleren, behalve als je dat wilt.’

De deur ging open en Dirk draaide zich net vlug genoeg om om Gwen te zien binnenkomen. Zijn ogen vernauwden zich, terwijl Ruark straalde. ‘Ha, Gwen,’ zei de Kimdissi, ‘kom bij me zitten en praat verstandig met t’Larien. Die halvegare is van plan te duelleren, echt waar, alsof hij Garsey zelf is.’

Gwen kwam verder het vertrek in en ging tussen hen in staan. Ze droeg een broek van kameleonstof (nu donkergrijs) en een zwarte pullover, met een groene sjaal om haar haren geknoopt. Haar fris verzorgde gezicht stond ernstig.

‘Ik heb tegen ze gezegd dat ik naar beneden ging om wat gegevens met je na te lopen,’ zei ze, terwijl het puntje van haar tong zenuwachtig over haar lippen schoot. ‘Ik weet niet wat ik zeggen moet. Ik heb Garse naar Bretan Braith Lantry gevraagd. Dirk, de kans is groot dat hij je zal doden.’

Haar woorden beklemden hem. Om de een of andere reden klonk het uit haar mond anders. ‘Ik weet het,’ zei hij, ‘maar dat verandert niets, Gwen. Ik bedoel, als ik veilig had willen zijn, dan had ik korariel van IJzerjade moeten worden, nietwaar?’

Ze knikte. ‘Maar dat heb je geweigerd. Waarom?’

‘Wat heb je me in het bos verteld? En later nog eens? Over namen? Ik wilde niemands bezit worden, Gwen. Ik ben geen korariel.’

Hij keek naar haar. Heel even versomberde haar gezicht en haar blikken schoten naar haar armband van jade-en-zilver. ‘Ik begrijp het,’ zei ze bijna fluisterend.

‘Maar ik niet,’ zei Ruark minachtend. ‘Dan ben je toch korariel? Wat is dat helemaal? Het is maar een woord! Dan blijf je leven, nou?’

Gwen keek naar hem, zoals hij daar zat op zijn hoge zitplaats. Hij zag er nogal komiek uit in zijn lange kamerjas, terwijl hij met een sombere blik zijn drankje omklemde. ‘Nee, Arkin,’ zei ze. ‘Dat was ook mijn vergissing. Ik dacht dat betheyn ook maar een woord was.’

Hij kreeg een kleur. ‘Goed! Dan is Dirk geen korariel, fijn, hij is niemands bezit. Maar dat houdt nog niet in dat hij moet duelleren, absoluut niet. Die Kavalaanse erecode is onzin, ontzettend stom, werkelijk. En ben jij verplicht om stommiteiten te begaan, Dirk? Om te sterven en stom te doen?’

‘Nee,’ zei Dirk. Ruarks woorden zaten hem dwars. Hij geloofde niet in de code van Hoog Kavalaan. Waarom dan? Hij was er verre van zeker van. Om iets te bewijzen, dacht hij, maar hij wist niet wat of tegenover wie. ‘Ik moet het doen, dat is alles. Het is juist dat ik het doe.’

‘Woorden!’ Zei Ruark.

‘Dirk, ik zou je niet graag dood zien,’ zei Gwen. ‘Alsjeblieft, doe me dit niet aan.’

De mollige Kimdissi gniffelde. ‘Nee, we moeten hem er vanaf brengen, wij tweeën, hè?’ Hij nipte van zijn wijn. ‘Luister naar me, Dirk, wil je dat tenminste doen?’

Dirk knikte gemelijk.

‘Goed. Ten eerste, geef mij antwoord, geloof je in de duelleer-code? Als een sociale instelling? Als iets moreels? Zeg me de waarheid, doe je dat?’

‘Nee,’ zei Dirk. ‘Maar ik denk dat Jaan er ook niet in gelooft, te oordelen naar sommige dingen die hij heeft gezegd. Toch duelleert hij als het moet. Iets anders zou lafhartig zijn.’

‘Nee, niemand vindt jou of hem een lafaard. Jaantony mag dan een Kavalaar zijn met alle slechtheid van dien, toch zal zelfs ik hem geen lafaard noemen. Maar er bestaan verschillende soorten moed, niet? Als deze toren in brand vloog, zou jij dan je leven riskeren om Gwen te redden en mogelijk mij? En misschien zelfs Garse?’

‘Dat hoop ik wel,’ zei Dirk.

Ruark knikte. ‘Zie je, dan ben je dus een moedig man. Het is niet nodig, zelfmoord, om dat te bewijzen.’

Gwen knikte. ‘Denk aan wat je die avond in Kryne Lamiya zei, Dirk, over leven en dood. Na zulke woorden kun je jezelf niet doden, vind je wel?’

Hij keek boos. ‘Verdomme, dit is geen zelfmoord.’

Ruark lachte. ‘Nee? Het komt wel op hetzelfde neer. Denk je dat je hem buiten gevecht kunt stellen, misschien?’

‘Nou, nee, maar...’

‘Als hij zijn zwaard laat vallen, het zweet in zijn handen, of zo, zou je hem dan doden?’

‘Nee,’ zei Dirk, ‘ik...’

‘Dat zou verkeerd zijn, ja, echt waar? Ja! Nou, je door hem te laten doden is net zo slecht. Zelfs om hem de kans te geven. Een stommiteit. Je bent zelf geen Kavalaar, dus wijs me niet op Jaantony. Misverstanden of niet, hij blijft een moordenaar. Daar ben jij te goed voor, Dirk. En hij heeft een excuus, misschien denkt hij dat hij voor iets vecht, zijn volk probeert te veranderen. Een groot verlossercomplex, die Jaan, en wij zullen hem daar niet mee bespotten. Nee. Maar jij Dirk, jij hebt zo’n reden niet. Of wel, soms?’

‘Niet echt. Maar verdorie, Ruark, hij doet wat hij kan. Je zag er daarboven niet zo goed uit toen hij je vertelde dat de Braiths je zonder zijn protectie zouden hebben afgeslacht.’

‘Nee, en zo goed voelde ik me ook niet, ongelogen. Dat verandert niets. Dan ben ik maar korariel, dan zijn de Braiths maar erger dan de IJzerjades, dan gebruikt Jaan misschien geweld om een einde te maken aan nog erger geweld. Is dat juist? Tja, dat kan ik niet zeggen. Waarachtig, een lastige morele kwestie. Misschien dienen de duels van Jaan een doel, hè, doet hij het voor zijn volk, of voor ons. Maar jouw duel is pure dwaasheid, dient nergens toe, het wordt alleen maar je dood. En Gwen blijft voorgoed bij Jaan en Garse tot ze misschien een duel verliezen, en dan wordt het er voor haar niet beter op.’

Ruark zweeg en dronk zijn glas leeg en draaide zich daarna om op zijn kruk om een nieuw glas voor zichzelf in te schenken. Dirk zat heel stil, met Gwens ogen op zich gericht, haar geduldig starende blik duidelijk voelbaar. Zijn hoofd bonsde. Ruark bracht alles in de war, dacht hij weer. Hij moest het juiste doen, maar wat was dat? Plotseling waren al zijn overtuigingen en beslissingen verdampt. De stilte in de werkkamer was te snijden.

‘Ik zal niet vluchten,’ zei Dirk ten slotte. ‘Dat doe ik niet. Maar duelleren zal ik ook niet. Ik ga naar ze toe en zeg tegen ze dat ik besloten heb niet te vechten.’

De Kimdissi liet zijn wijn in zijn glas ronddraaien en grijnsde. ‘Nou, dat getuigt van een zekere morele moed. Echt waar. Jezus Christus en Socrates en Erika Stormjones en nu Dirk t’Larien, grote martelaren uit de geschiedenis, ja. Misschien zal de Roodstaal-dichter een paar woorden aan je wijden.’

Gwen gaf een serieuzer antwoord. ‘Het zijn Braiths, Dirk, hoogbonders van Braith, van de oude stempel. Op Hoog Kavalaan zelf zou je nooit zijn uitgedaagd om te duelleren. De hoogbondsraden beseffen dat buitenwerelders niet aan hun code gehouden zijn. Maar dit is anders. De scheidsrechter zal je vogelvrij verklaren en Bretan Braith en zijn vestigingsbroeders zullen je doden of jacht op je maken. Als je nu weigert te duelleren, heb je in hun ogen bewezen dat je een drogman bent.’

‘Ik kan niet vluchten,’ herhaalde Dirk. Al zijn argumenten waren plotseling weg; hij had alleen nog emoties, de vastberadenheid om de dageraad onder ogen te zien en te doorstaan.

‘Je ziet de zaken niet meer helder, nee, echt. Het is geen lafheid, Dirk. De moedigste keus van allemaal, zie het maar zo, is hun verachting te riskeren door te vluchten. Ook dan loop je groot gevaar. Waarschijnlijk zullen ze jacht op je maken, Bretan Braith, als hij het overleeft, en zo niet, dan de anderen, weet je? Maar je blijft leven, je ontkomt misschien aan ze, maar je helpt Gwen.’