‘Dat kan ik niet,’ zei Dirk. ‘Ik heb het ze beloofd, Jaan en Garse.’
‘Beloofd? Wat? Om dood te gaan?’
‘Nee. Ja. Jaan liet me beloven om als een broeder te zijn voor Janacek. Ze zouden niet in dit duel betrokken zijn geraakt als Vikary niet had geprobeerd mij uit de problemen te halen.’
‘Nadat Garse je erin had gestort,’ zei Gwen bitter en Dirk schrok van het plotselinge venijn in haar rustige stem.
‘Ze zouden morgen ook kunnen sterven,’ zei Dirk onzeker. ‘Daar ben ik verantwoordelijk voor. En nu zeg je dat ik ze in de steek moet laten.’
Gwen kwam vlak bij hem staan en stak haar handen uit. Haar vingers raakten eventjes zijn wangen aan toen ze zijn grijsbruine haar uit zijn voorhoofd streek, en haar grote, groene ogen staarden in de zijne. Plotseling herinnerde hij zich andere beloftes: het fluisterjuweel, het fluisterjuweel. En lang vervlogen tijden kwamen hem voor de geest, de wereld leek op zijn kop te staan en goed en verkeerd begonnen te versmelten en te vervloeien.
‘Dirk, luister naar me,’ zei Gwen langzaam. ‘Jaan heeft zes keer om me geduelleerd. Garse, die niet eens van me houdt, heeft daar vier keer aan meegedaan. Om mij hebben ze gedood, om mijn trots, mijn eer. Ik had er niet om gevraagd, evenmin als jij om hun bescherming had gevraagd. Het was bun opvatting van mijn eer, niet de mijne. Maar toch vochten ze die duels evenzeer voor mij uit als dit voor jou. Desondanks heb je me gevraagd hen te verlaten, bij jou terug te komen, jou weer lief te hebben.’
‘Ja,’ zei Dirk. ‘Maar... ik weet het niet. Ik heb al een spoor van gebroken beloften achtergelaten.’ Zijn toon klonk gekweld. ‘Jaan heeft me keth genoemd.’
Ruark snoof. ‘Als hij je eten noemde, dan zou je in de oven springen, hè?’
Gwen schudde verdrietig haar hoofd. ‘Wat houdt dat voor je in? Een taak? Een verplichting?’
‘Ik denk het,’ zei hij met tegenzin.
‘Dan heb je jezelf antwoord gegeven, Dirk. Je hebt me verteld wat mijn antwoord aan jou moet zijn. Als je zo duidelijk voelt dat je moet voldoen aan de verplichtingen van een kortstondige keth, een band waar op Hoog Kavalaan geen enkele realiteit tegenover staat, hoe kun je dan van mij verlangen dat ik me van het jade-en-zilver ontdoe? Betheyn betekent meer dan keth.’
Haar zachte handen lieten zijn gezicht los. Ze deed een paar stappen naar achteren.
Dirks hand schoot uit en pakte haar bij de pols. Haar linker pols. Zijn greep sloot om koud metaal en gepolijst jade. ‘Nee,’ zei hij.
Gwen zei niets. Ze wachtte.
Dirk was Ruarks aanwezigheid vergeten, de werkkamer om hem heen verzonk in duisternis. Alleen Gwen was er, ze staarde hem aan, haar ogen groen en groot en vol van... wat? Beloften? Dreiging? Verloren dromen? Ze wachtte zwijgend en hij zocht naar woorden, niet wetend wat hij zou gaan zeggen. Het jade-en-zilver voelde koud aan onder zijn hand en de herinneringen kwamen:
Rode tranen vol liefde, ingebed in zilver en fluweel, een fel, koud vuur.
Jaans gezicht: hoge jukbeenderen, de gladde, vierkante kaak, het wijkende zwarte haar, de vlotte glimlach. Zijn stem, stil als staal, altijd gelijkmatig: Maar ik besta.
De witte spooktorens van Kryne Lamiya, die klagend, spottend en helder hun wanhoop uitgalmden, terwijl een verre trom zijn regelmatige, zinloze gedreun liet horen. En te midden van dat alles verzet, vastbeslotenheid. Even had hij geweten wat hij moest zeggen.
Het gezicht van Garse Janacek: afstandelijk (ogen als blauwe rook, het stijfjes opgeheven hoofd, de strakke mond), vijandig (ijs in de oogkassen, het wrede lachje dat in zijn baard speelde), vol bittere humor (zijn bijtende blik, zijn tanden ontbloot in de grijns van de dood).
Bretan Braith Lantry: een tic en een oog van gloeisteen, een verschijning die vrees en meelij wekte, met een koude en beangstigende kus.
Rode wijn in bokalen van obsidiaan, met een walm die in de ogen prikte, gedronken in een kamer vol kaneelgeur en een merkwaardige kameraadschap.
Woorden. Een nieuw en speciaal soort vestigingsbroeder, zei Jaan.
Woorden. Hij zal ons verraden, voorspelde Garse.
Gwens gezicht, een jongere Gwen, slanker, met ogen die op de een of andere manier groter waren. Een lachende Gwen, een huilende Gwen. Gwen die klaarkwam. Die hem omstrengelde, haar borsten gloeiend en rood, terwijl de blos zich over haar hele li-
chaam verspreidde. Gwen die tegen hem fluisterde, ik houd van je, ik houd van je. Jenny!
Een eenzame, zwarte schaduw die met een stok een lage bark voortboomt door een eindeloos en donker kanaal.
Herinneringen.
Zijn hand die haar pols omklemde, beefde. ‘Als ik niet duelleer,’ zei hij, ‘zul je Jaan dan verlaten? En met mij meegaan?’
Haar bevestigende knikje kwam pijnlijk langzaam. ‘Ja. Ik heb er de hele dag aan gedacht, er met Arkin over gepraat. We hadden het zo afgesproken dat hij jou hier mee naartoe zou nemen en dat ik tegen Jaan en Garse zou zeggen dat ik moest werken.’
Dirk trok zijn gekruiste benen uit elkaar, en toen de slaap en de stijfheid eruit wegebden, begonnen ze te tintelen alsof er honderd kleine messen in gestoken werden. Hij stond op, en zijn besluit was genomen. ‘Je was dit dus toch al van plan? Het is niet alleen vanwege het duel?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Dan zal ik gaan. Wanneer kunnen we Worlorn verlaten?’
‘Over twee weken en drie dagen,’ zei Ruark. ‘Eerder komt er geen schip.’
‘We zullen ons moeten verschuilen,’ zei Gwen. ‘Alles in aanmerking genomen is dat de enige veilige manier. Ik was er vanmiddag nog niet uit of ik Jaan van mijn besluit moest vertellen of gewoon moest weggaan. Ik dacht, misschien kunnen we er hier over praten en dan samen naar boven gaan om het hem te zeggen. Maar die knoop is al doorgehakt door de kwestie van het duel. Ze zouden je nu niet laten vertrekken.’
Ruark klom van zijn kruk af. ‘Ga dan,’ zei hij. ‘Ik blijf, ik hou de wacht, jullie kunnen me oproepen, en dan vertel ik wat er gebeurd is. Voor mij is het veilig genoeg, tenzij Garsey en Jaantony hun duel verliezen. In dat geval zou ik als de weerga de benen nemen om jullie gezelschap te houden, ja?’
Dirk nam Gwens handen. ‘Ik houd van je,’ zei hij. ‘Nog steeds.’
Ze glimlachte ernstig. ‘Ja. Ik ben blij, Dirk. Misschien wordt het weer als vanouds. Maar we moeten snel zijn, zorgen dat we grondig verdwijnen. Van nu af aan zijn alle Kavalaren vergif voor ons.’
‘Goed,’ zei hij. ‘Waarheen?’
‘Ga naar beneden en pak je spullen; je zult je warm moeten kleden. Daarna zien we elkaar op het dak. We gaan met de luchtwagen en nemen de beslissing als we onderweg zijn.’
Dirk knikte en kuste haar vlug.
Ze vlogen boven de donkere rivieren en de glooiende heuvels van de Meent, toen het eerste blos van het ochtendgloren de horizon beroerde, een karmozijnen gloed, laag in het oosten. Spoedig kwam de eerste gele zon op en de duisternis onder hen veranderde in een grijze ochtendmist die zich al gauw oploste. De manta-luchtwagen was zoals altijd open en Gwen had de snelheid opgevoerd tot het maximum, zodat de kille wind luid voorbijsuisde en een gesprek onmogelijk maakte. Terwijl ze de luchtwagen bestuurde, sliep Dirk naast haar, weggedoken in een lange, bruine patchworkjas die Ruark hem voor hun vertrek had gegeven.
Ze wekte hem toen de glanzende spits van Uitdaging in zicht kwam, door zachtjes tegen zijn schouder te duwen. Hij had maar licht geslapen, en onrustig. Meteen rekte hij zich uit en geeuwde. ‘We zijn er,’ merkte hij onnodig op.
Gwen gaf geen antwoord. De manta verminderde vaart toen de stad van de Emereli groter werd en dichterbij kwam.
Dirk keek de ochtendschemering in. ‘Er zijn al twee zonnen op,’ zei hij. ‘En kijk, je kunt de Dikke Duivel ook al bijna zien. Ik denk dat ze nu wel weten dat we weg zijn.’ Hij dacht aan Vikary en Janacek, die op hem zouden wachten bij het op straat getekende doodsvierkant, samen met de Braiths. Bretan zou ongeduldig lopen ijsberen, daar was geen twijfel aan en dan zijn afschuwelijke geluid maken. Zijn oog zou dof en kil zijn in de morgen, een uitgedoofde sintel in zijn gehavende gezicht. Misschien was hij inmiddels ook al dood, of Jaan, of Garse Janacek. Dirk bloosde een ogenblik van schaamte. Hij schoof dichter naar Gwen en sloeg een arm om haar heen.