Voor hen doemde Uitdaging op. Gwen trok de luchtwagen onder een scherpe hoek op, dwars door een verzameling witte wolkenflarden. De zwarte muil van een landingsdek lichtte op bij hun komst en toen Gwen naar binnen gleed zag Dirk de nummers. De 520e verdieping, een uitgestrekte, onberispelijke en volkomen verlaten landingsbaan.
‘Welkom,’ zei een bekende stem toen de manta langzaam neerdaalde en op de gladde vloerplaten landde. ‘Ik ben de Stem van Uitdaging. Mag ik u bezighouden?’
Gwen schakelde het vermogen van de luchtwagen uit en klom er via de vleugel uit. ‘Wij willen tijdelijk onderdak.’
‘De kosten zijn heel redelijk,’ zei de Stem.
‘Breng ons dan naar een compartiment.’
Er schoof een muur opzij en weer kwam er een wagen op luchtbanden hun kant op rollen. De wagen was op de kleur na identiek met het voertuig dat hen tijdens hun vorige bezoek had rondgereden. Gwen klom erin en Dirk begon de bagage van de achterbank van de luchtwagen in het vehikel te laden. Een sensorpak dat Gwen had meegebracht, drie tassen, volgepropt met kleren, een pakket met een velduitrusting voor tochten in de wildernis. De twee luchtschuivers, compleet met vlieglaarzen, lagen onder op de stapel, maar Dirk liet die in de luchtwagen liggen.
Het voertuig zette zich in beweging en de Stem begon hen te vertellen over de verschillende soorten appartementen die hij kon aanbieden. Uitdaging had kamers die waren uitgevoerd in zo’n honderd verschillende stijlen, zodat buitenwerelders zich er thuis zouden voelen, hoewel de smaak van ni-Emerel domineerde.
‘Iets simpels en goedkoops,’ zei Dirk. ‘Een tweepersoonsbed, de mogelijkheid om te koken en een douche, dat is genoeg.’
De Stem bracht hen naar een klein, vierkant vertrek met pastelblauwe muren, twee etages hoger. Er stond een tweepersoonsbed dat het grootste deel van de kamer in beslag nam, plus een wand waarin een kitchenette was ingebouwd en een enorm kleurenscherm dat driekwart van een andere muur vulde.
‘Echte Emereli-luxe,’ zei Gwen spottend toen ze naar binnen liepen. Ze zette haar sensorpak en haar kleren neer en liet zich dankbaar op het bed vallen. Dirk verstouwde de koffers die hij droeg achter de schuifdeur van een kast en ging toen op de rand van het bed aan Gwens voeten zitten, terwijl hij het kijkscherm bekeek.
‘Er is een grote keuze aan films beschikbaar in onze bibliotheek, als u graag wilt kijken,’ zei de Stem. ‘Het spijt mij u te moeten meedelen dat alle reguliere Festivalprogramma’s zijn opgeheven.’
‘Gaat u nooit eens weg?’ snauwde Dirk.
‘Belangrijke waarnemende functies blijven voortdurend in bedrijf, voor uw gemak en veiligheid, maar als u dat wenst kunnen mijn diensten in uw omgeving tijdelijk worden uitgeschakeld. Sommige gasten vinden dat prettiger.’
‘Daar hoor ik ook bij,’ zei Dirk. ‘Schakel maar uit.’
‘Mocht u van mening veranderen of iets nodig hebben, zei de Stem, ‘dan hoeft u alleen maar de knop in te drukken die gemerkt is met een ster, en ik zal weer geheel tot uw dienst zijn.’ Toen viel de Stem weg.
Dirk wachtte even. ‘Stem?’ zei hij. Geen antwoord. Hij knikte voldaan en ging verder met zijn inspectie van het scherm. Gwen, achter hem, sliep al, op haar zij, haar handen onder haar hoofd en haar knieën opgetrokken.
Hij voelde een haast onbedwingbare behoefte om Ruark op te bellen want hij wilde weten hoe het duel was verlopen, wie het had overleefd en wie er was gesneuveld. Maar hij veronderstelde dat het nog niet veilig zou zijn. Een van de Kavalaren — of misschien wel meer — zou Ruark gezelschap kunnen houden in zijn woonverblijf of de werkkamer, en een telefoontje kon verraden waar ze zich bevonden. Hij zou moeten wachten. Voor ze weggegaan waren, had de Kimdissi hun het nummer van een verlaten appartement gegeven dat twee verdiepingen boven het zijne lag en Dirk had gezegd dat nummer vlak na het invallen van de schemering te zullen proberen. Ruark had beloofd daar te zijn als het veilig was, en dan de telefoon op te nemen. Zo niet, dan zou Dirk geen antwoord krijgen. In ieder geval wist Ruark niet waar de twee voortvluchtigen naartoe waren, zodat de Kavalaren hem die informatie niet konden afdwingen.
Dirk was erg moe. Ondanks zijn dutje onderweg in de lucht-wagen voelde hij zich uitgeput, en hij was aan duistere schuldgevoelens ten prooi gevallen. Hij had Gwen eindelijk weer aan zijn zij, maar hij voelde geen triomf. Misschien zou die later komen, als zijn andere zorgen verbleekt waren en ze elkaar opnieuw hadden leren kennen zoals ze elkaar zeven lange jaren geleden op Avalon hadden gekend. Maar dat zou waarschijnlijk pas zijn als ze Worlorn veilig en wel verlaten hadden, weg van Jaan Vikary en Garse Janacek en al die andere Kavalaren, weg van de dode steden en de stervende bossen. Ze zouden teruggaan tot binnen de Sluier der Verlokking, dacht Dirk terwijl hij daar zo zat en afwezig naar het lege scherm staarde, ze zouden de Marge verlaten, naar Tara gaan of Braque of naar een andere normale planeet, misschien terug naar Avalon, misschien nog verder terug, naar Gulliver of Vagebond of Oud Poseidon. Er waren wel honderd werelden die hij nog nooit had gezien, duizend, of nog meer, werelden van mensen, niet-mensen en aliens, allerlei romantische, afgelegen plaatsen waar niemand ooit van Hoog Kavalaan of Worlorn gehoord had. Nu konden hij en Gwen die werelden samen gaan zien.
Te vermoeid om te slapen, rusteloos en slecht op zijn gemak, begon Dirk te prutsen met het scherm, zomaar wat spelend met de mogelijkheden. Hij schakelde het in en drukte op de knop die gemerkt was met een vraagteken, zoals hij de vorige dag in Ru-arks appartement in Larteyn had gedaan, en dezelfde lijst van diensten flitste voorbij, maar dan in tekens die drie keer zo groot waren. Hij bestudeerde ze zorgvuldig om te zien wat hij ervan kon opsteken. Misschien kon hij iets nuttigs te weten komen, iets waar ze wat aan zouden hebben.
Bij de lijst stond ook een nummer voor planetair nieuws. Hij tikte het in, in de hoop dat het duel dat in de morgenschemering in Larteyn was gehouden erin vermeld zou worden, misschien in de vorm van een overlijdensbericht. Maar het scherm werd grijs en witte letters met ‘Dienst Opgeheven’ gloeiden aan en uit, totdat hij ze uitzette.
Met een geërgerd gezicht probeerde Dirk een andere cijferreeks, voor ruimtehaven-informatie, om Ruarks gegevens over het schip te checken. Deze keer had hij meer geluk. Er werden binnen de komende twee standaardmaanden drie schepen verwacht. Het eerste, zoals de Kimdissi had gezegd, zou over iets meer dan twee weken komen. Het was een Marge-veer, genaamd Teric neDahlir. Maar wat Ruark niet gezegd had, was dat het schip op uitreis was: het kwam van Kimdiss en koerste verder in de richting van Eshellin en de Wereld van de Zwarte Wijnoceaan, en ten slotte naar ni-Emerel, zijn thuishaven. Een week daarna zou er een bevoorradingsschip van Hoog Kavalaan arriveren. Daarna kwam er niets meer totdat de Huivering van Vergeten Vijanden op zijn terugreis Worlorn weer aan zou doen.
Er was echter geen sprake van dat ze zo lang konden wachten;
hij en Gwen moesten eenvoudig proberen de Teric neDahlir te halen en dan op een verder weg gelegen wereld over te stappen op een ander schip. Hun poging het schip te bereiken zou het grootste risico opleveren, concludeerde Dirk. De Kavalaren hadden praktisch geen kans om hen hier in Uitdaging te vinden, aangezien ze de hele planeet moesten afzoeken, maar Jaan Vikary zou zeker vermoeden dat ze van plan waren Worlorn zo spoedig mogelijk te verlaten. Dat betekende dat hij hen mogelijk bij de ruimtehaven zou opwachten als het zover was. Dirk wist nog niet hoe ze dat probleem moesten oplossen. Hij kon alleen maar hopen dat het niet tot een treffen zou komen.