Dirk liet de informatie verdwijnen en probeerde andere nummers uit om erachter te komen welke diensten er helemaal waren opgeheven, welke er nog op basisniveau functioneerden — de medische noodhulp, bijvoorbeeld — en of er ook diensten waren die nog op Festivalniveau werkten. Vaak vielen de steden een voor een uit, wat hem ervan overtuigde dat ze een goede keus hadden gemaakt door naar Uitdaging te gaan. De Emereli’s waren vastbesloten geweest te bewijzen dat hun torenstad onsterfelijk was en ze lieten alles nog functioneren zonder zich te storen aan de toenemende kou en duisternis en het komende ijs. Dit zou een makkelijke plek zijn om te leven. Daarbij vergeleken verkeerden de andere steden in een treurige staat. Vier van de veertien waren al helemaal donker en zonder energie en een daarvan had zoveel te lijden van erosie door weer en wind dat ze al tot een stoffige ruïne verviel.
Dirk bleef nog even doorgaan met het indrukken van knoppen maar ten slotte kreeg hij genoeg van het spelletje, hij verveelde zich en werd prikkelbaar. Gwen sliep door. Het was nog steeds ochtend, hij kon Ruark onmogelijk bellen. Hij zette het scherm uit, ging zich even wassen in het afvalhokje en ging toen terug naar het bed en knipte het licht uit. Het duurde nog even voor hij in slaap viel. Hij lag in de warme duisternis naar het plafond te staren, luisterend naar Gwens zachte ademhaling, maar zijn gedachten waren ver weg en verward.
Alles komt nu gauw in orde, zei hij tegen zichzelf, zoals op Avalon. Maar hij kon het nog niet geloven. Hij voelde zich niet de oude Dirk t’Larien, Gwens Dirk, de man die hij zichzelf beloofd had weer te zullen worden. In plaats daarvan had hij het gevoel alsof er niets veranderd was; hij ploeterde verdel-, even moeizaam, even uitzichtloos als hij op Braque had gedaan, en daarvoor op de andere werelden. Zijn Jenny was weer bij hem en hij zou van vreugde vervuld moeten zijn, maar hij had slechts een misselijk, vermoeid gevoel. Alsof hij haar opnieuw tekortgedaan had.
Hij zette die gedachten van zich af en sloot zijn ogen.
Toen hij wakker werd, was het laat in de middag. Gwen was al lang en breed op. Dirk nam een douche en trok soepele, verschoten kleren van synthetische stof uit Avalon aan. Toen gingen ze samen de gang in om de 522e verdieping van Uitdaging te verkennen. Ze liepen hand in hand.
Hun compartiment was een van de vele duizenden in een woongedeelte van het gebouw. Eromheen lagen andere compartimenten, identiek aan het hunne, afgezien van de nummers op de zwarte deuren. De vloeren, muren en plafonds van de gangen waar ze door wandelden, waren allemaal bekleed met diepe tinten kobaltblauw en de lampen die op kruispunten aan het plafond hingen — matglazen bollen, rustgevend, prettig aan de ogen — pasten bij de betreffende kleurschakering.
‘Dit is saai,’ zei Gwen nadat ze zo een paar minuten hadden gelopen. ‘De eentonigheid is deprimerend. En ik zie nergens kaarten of plattegronden. Het verbaast me dat de mensen hier niet verdwalen.’
‘Ik neem aan dat ze de Stem om aanwijzingen kunnen vragen,’ zei Dirk.
‘Ja, daar dacht ik zo gauw niet aan.’ Ze fronste haar voorhoofd. ‘Wat is er met de Stem gebeurd? Die heeft de laatste tijd niet veel meer gezegd.’
‘Ik heb hem het zwijgen opgelegd,’ vertelde Dirk. ‘Maar hij houdt ons nog wel in het oog.’
‘Kun je hem weer aanzetten?’
Hij knikte en bleef staan, waarna hij haar naar de dichtstbijzijnde zwarte deur meenam. Zoals hij had verwacht was het compartiment niet bezet en ging het op zijn aanraking gemakkelijk open. Binnen was alles hetzelfde. Het bed, het televisiescherm, de hele inrichting.
Dirk zette het televisiescherm aan, drukte op de knop die gemerkt was met een sterretje en deed het scherm weer uit.
‘Kan ik iets voor u doen?’ vroeg de Stem.
Gwen glimlachte tegen hem; een flauw, gespannen lachje. Ze was blijkbaar net zo moe als hij. Ze had zorgelijke trekken om haar mondhoeken.
‘Ja,’ zei ze. ‘Wij willen iets te doen hebben. Amuseer ons. Houd ons bezig. Laat ons de stad zien.’ Dirk vond dat ze een tikje te vlug praatte, als iemand die gebeten is op afleiding en niet aan onplezierige onderwerpen wil denken. Hij vroeg zich af of het vrees voor hun eigen veiligheid was die hij in haar stem hoorde, of dat ze zich zorgen maakte over Jaan Vikary.
‘Ik begrijp het,’ antwoordde de Stem. ‘Laat mij dan uw gids zijn, laat mij u de wonderen van Uitdaging tonen, de glorie van ni-Emerel, herboren op het afgelegen Worlorn.’ Toen begon de Stem hen aanwijzingen te geven en ze liepen naar de dichtstbijzijnde liften, weg uit het rijk van de eindeloos rechte kobaltkleurige gangen, naar gedeelten met meer afwisseling en kleur.
Ze gingen omhoog naar de Olympus, een pluchen lounge, helemaal bovenin de stad, en stonden tot aan hun enkels in een zwart tapijt uit het enige, reusachtige raam van heel Uitdaging te kijken. Een kilometer onder hen dreven reeksen donkere wolken voorbij, voortgestuwd door een harde wind die ze niet konden voelen. De dag was dof en grauw; het Helleoog brandde en gloeide als altijd, maar zijn gele metgezellen waren verborgen achter een grijs waas dat de lucht besmeurde. Vanaf hun toren konden ze de verre bergen en het fletse donkergroen van de Meent zien, ver beneden hen. Een robotkelner bood hun een gekoeld drankje aan.
Ze wandelden naar de centrale schacht, een afgronddiepe cilinder die van boven tot onder door de hele torenstad liep. Staande op het hoogste balkon hielden ze eikaars hand vast en keken samen omlaag langs andere balkons die in eindeloze rijen wegzonken in flauw verlichte diepten. Toen openden ze de smeedijzeren deur en sprongen; hand in hand zweefden ze naar beneden in de zachte greep van de warme, opwaartse luchtstroom. De centrale schacht had een recreatieve functie; in stand gehouden door een spoortje zwaartekracht dat nauwelijks meer zwaartekracht te noemen was — in ieder geval minder dan een duizendste procent van wat op Emerel normaal was.
Ze slenterden buitenom door een brede, hellende tunnel die als een spiraal om de buitenkant van de stad draaide, als de draad van een grote schroef, zodat een ambitieuze toerist vanaf de begane grond tot aan de hoogste top van het gebouw kon wandelen. Restaurants, musea en winkeltjes flankeerden de route; daartussenin liepen verlaten verkeerswegen, zowel voor de luchtbandwagens als voor snellere voertuigen. Een twaalftal lopende banden — zes op, zes neer — vormden de middenstrook van de licht hellende boulevard. Toen hun voeten vermoeid raakten, gingen ze op zo’n band staan, daarna op een die sneller ging, en vandaar op een nog snellere. Terwijl de omgeving voorbijgleed, wees de Stem hun op allerlei interessante bijzonderheden, maar geen daarvan kon hen in grote mate bekoren.
Ze zwommen naakt in de Emerel-oceaan, een zoete namaakzee die het grootste gedeelte van de 231e en 232e verdieping in beslag nam. Het water was groenig, zo helder als kristal en zo schoon dat ze de draaiende, kronkelende algenslierten op de bodem konden zien, twee verdiepingen lager. De zee glinsterde onder lichtpanelen die de illusie van stralende zonneschijn gaven. Kleine aasvisjes dartelden rond in de lagergelegen diepten van de oceaan; aan de oppervlakte dobberden en dansten drijvende planten, als paddestoelen op een bed van groen vilt.
Ze daalden op straalski’s de hellingbaan af, een steile, adembenemende vlucht over plastic met een lage wrijvingscoëfficiënt, die hen van de honderdste verdieping naar de begane grond bracht. Dirk viel twee keer maar veerde als vanzelf weer op.
Ze bekeken een vrije-valsportzaal.
Ze wierpen een blik in verduisterde zalen, gebouwd voor duizenden toeschouwers en zagen ervan af de opgenomen holovoor-stellingen te gaan zien die de Stem hen aanbood.
Ze aten een hapje op een terras in een ooit drukbezocht winkelcentrum, maar zonder dat het hun erg smaakte.