‘De noodvoorzieningen zijn nu ingeschakeld,’ zei de Stem. ‘Er zijn ordebewaarders onderweg om u terug te brengen naar uw eigen kamer. Dit is voor uw eigen bescherming. Ik herhaal, ordebewaarders zijn onderweg om u terug te brengen naar uw eigen kamer. De normen van ni-Emerel verbieden...’ De woorden werden plotseling onduidelijk, de diepe stem werd hoog, begon te piepen en ging over in een knerpend gejammer dat heel even pijn deed aan hun oren. Het eindigde in een abrupte, huiveringwekkende stilte.
De lichten gingen uit.
Dirk bleef een ogenblik staan, en deed toen een paar stappen vooruit in de totale duisternis en botste tegen Gwen op. ‘Wat gebeurt er?’ zei hij. ‘Sorry.’
‘Stil,’ fluisterde Gwen. Ze begon de seconden te tellen. Na dertien seconden gingen de lichtbollen op de kruispunten van de gangen weer aan. Maar het blauwe schijnsel was een vage, spookachtige glans, nauwelijks genoeg om bij te kunnen zien.
‘Kom mee,’ zei Gwen. Ze kwam weer in beweging, nu wat langzamer, haar tred voorzichtig in het sombere blauwe licht. De liftkokers waren niet ver meer.
Toen de muren hen weer toespraken was de stem de Stem niet meer.
‘Dit is een grote stad,’ zei hij, ‘maar toch niet groot genoeg om jou te verbergen, t’Larien. Ik wacht op je in de diepste Emereli-kelder, tweeënvijftig verdiepingen onder de grond. De stad is nu van mij. Kom naar me toe of alle energie om je heen valt uit, en in het donker zal ik met mijn teyn komen om jacht op je te maken.’
Dirk herkende de spreker. Hij kon zich ook nauwelijks vergissen. Op Worlorn, of waar dan ook, zou het moeilijk zijn een tweede stem te vinden die zo verwrongen en raspend klonk als die van Bretan Braith Lantry.
8
Ze stonden als verlamd in de schemerige gang. Gwen was een vaag, blauw silhouet, haar ogen zwarte gaten. Haar mondhoek vertrok zenuwachtig, wat Dirk op een afschuwelijke manier herinnerde aan Bretan en zijn tic. ‘Ze hebben ons gevonden,’ zei ze.
‘Ja,’ antwoordde Dirk. Ze fluisterden allebei, uit angst dat Bretan Braith — net als de afgezette Stem van Uitdaging — hen zou horen als ze hardop praatten. Dirk was zich er acuut van bewust dat ze door luidsprekers omringd waren, en ook door oren, en misschien ogen — allemaal onzichtbaar achter de beklede wanden.
‘Hoe?’ zei Gwen. ‘Dat kan niet. Dat is onmogelijk.’
‘Toch hebben ze ons gevonden. Het moet dus mogelijk zijn. Maar wat doen we nu? Zal ik naar ze toegaan? Wat is er eigenlijk op de tweeënvijftigste verdieping onder de grond?’
Gwen fronste haar voorhoofd. ‘Ik heb geen idee. Uitdaging was mijn stad niet. Het enige wat ik weet is dat de ondergrondse verdiepingen niet bewoond waren.’
‘Machines,’ veronderstelde Dirk. ‘Stroom, life-support.’
‘Computers,’ voegde Gwen er op een zachte, holle fluistertoon aan toe.
Dirk zette de bagage die hij droeg neer. Het leek belachelijk zich op dit ogenblik vast te klampen aan kleren en bezittingen. ‘Ze hebben de Stem vernield,’ zei hij.
‘Misschien. Als die vernield kan worden. Ik dacht dat het een heel netwerk van computers was, verspreid over de stad. Ik weet het niet. Misschien was het maar één grote installatie.’
‘In ieder geval hebben ze het centrale brein in handen, het zenuwcentrum of wat dan ook. Geen vriendelijke raadgevingen meer van de muren. En waarschijnlijk kan Bretan Braith ons nu op dit moment zien.’
‘Nee,’ zei Gwen.
‘Waarom niet? De Stem kon dat wel.’
‘Ja, misschien, hoewel ik denk dat het sensorsysteem van de Stem niet per se visuele sensoren hoefde te bevatten. Ik bedoel dat er geen ogen nodig waren. De Stem had andere zintuigen, dingen die mensen niet hebben. Dat is het hem niet. De Stem was een supercomputer, erop berekend om miljarden bits aan informatie tegelijkertijd te verwerken. Dat kan Bretan niet. Dat kan geen enkel mens. Bovendien was de input niet bedoeld om begrijpelijk te zijn voor hem, jou of mij. Alleen voor de Stem. Zelfs als Bretan ergens staat waar hij toegang heeft tot alle gegevens waarover de Stem beschikte, zullen die voor hem grotendeels onbegrijpelijke wartaal zijn, of zo vlug langsstromen dat hij er niets aan heeft. Mogelijk zou een ervaren cyberneticus er nog iets van kunnen maken, hoewel ik daaraan twijfel. Bretan Braith in elk geval niet. Of hij moet een geheim weten dat wij niet kennen.’
‘Hij wist hoe hij ons kon vinden,’ zei Dirk. ‘En hij wist waar het brein van Uitdaging zich bevond en hoe hij kortsluiting kon veroorzaken.’
‘Ik begrijp niet hoe hij ons gevonden heeft,’ antwoordde Gwen, ‘maar het was niet zo moeilijk om bij de Stem te komen. De laagste verdieping onder de grond, Dirk! Dat moet gewoon een gok van hem zijn geweest. Kavalaren bouwen hun vestigingen diep in de rotsen en het laagste niveau is altijd het veiligst, het zekerste. Daar brengen ze de vrouwen en andere schatten van hun vestiging onder.’
Dirk keek peinzend. ‘Wacht eens even. Hij kan niet precies weten waar wij zijn. Waarom probeert hij anders ons naar beneden te krijgen, waarom dreigt hij om jacht op ons te maken?’
Gwen knikte.
‘Maar als hij in een computercentrum is,’ zo ging Dirk verder, ‘moeten we toch wel voorzichtig zijn. Dan zou hij ons kunnen vinden.’
‘Sommige computers moeten nog werken,’ zei Gwen terwijl ze even naar het vage blauwe licht een paar meter verderop keek. ‘De stad leeft nog min of meer.’
‘Kan hij de Stem vragen waar wij zijn, als hij hem weer in werking stelt?’
‘Misschien, maar zou die het hem vertellen? Ik denk van niet. Wij zijn legale bewoners, ongewapend. Hij is een gevaarlijke indringer die alle normen van ni-Emerel schendt.’
‘Hij? Je bedoelt ze. Chell is bij hem. Misschien nog anderen.’
‘Een hele troep indringers dus.’
‘Maar er kunnen er niet meer zijn dan — ja, hoeveel? Twintig? Minder? Hoe hebben die een stad van deze omvang kunnen overnemen?’
‘Ni-Emerel is een volstrekt geweldloze wereld, Dirk. En dit is een Festivalwereld. Ik betwijfel of Uitdaging veel verdedigingssystemen had. De ordebewaarders...’
Dirk keek plotseling om zich heen. ‘Ja, ordebewaarders. De Stem had het daarover. Hij zou er een naar ons toesturen.’ Hij verwachtte bijna iets groots en dreigends te zien aanrollen vanuit een zijgang. Maar er was niets te zien. Schaduwen, kobaltblauwe lichtbollen en blauwe stilte.
‘We kunnen hier niet blijven staan,’ zei Gwen. Ze was opgehouden met fluisteren. Hij ook. Ze realiseerden zich allebei dat als Bretan Braith en zijn mannen elk woord wat ze zeiden konden horen, ze zeker nog op tien andere manieren te vinden zouden zijn. En als dat zo was, hadden ze geen enkele kans. Fluisteren was dus nergens voor nodig. ‘De luchtwagen is maar twee verdiepingen hier vandaan,’ zei ze.
‘De Braiths zijn misschien ook maar twee verdiepingen van ons vandaan,’ was Dirks commentaar. ‘Maar ook al zou dat niet het geval zijn, dan moeten we de luchtwagen vermijden. Ze moeten weten dat we er een gebruikt hebben en ze zullen verwachten dat we ons daarheen haasten. Misschien heeft Bretan daarom wel die kleine toespraak gehouden, om ons naar buiten te lokken, waar we een gemakkelijke prooi zouden zijn. Misschien staan zijn vestigingsbroeders daar klaar om ons neer te schieten.’ Nadenkend hield hij even op. ‘Maar hier kunnen we in elk geval ook niet blijven.’
‘Niet in de buurt van ons eigen compartiment,’ zei ze. ‘De Stem wist waar we waren en misschien is Bretan Braith in staat om daar achter te komen. Maar we moeten wel binnen de stad blijven; daar heb je gelijk in.’
‘Dan moeten we ons verstoppen,’ zei Dirk. ‘Waar?’
Gwen haalde haar schouders op. ‘Hier, daar, overal. Het is een grote stad, zoals Bretan Braith al opmerkte.’