Gwen knielde vlug en ging de inhoud van haar tas na. Ze haalde alle kleren eruit, want die waren nu alleen maar hinderlijk, maar haar velduitrusting en haar sensorpak hield ze bij zich. Dirk sloeg de zware jas om die Ruark hem gegeven had en liet al het andere achter. Ze liepen naar de buitenste omloop; Gwen wilde het liefst zo ver mogelijk bij hun compartiment vandaan gaan, en geen van beiden wilden ze het gebruik van de liften riskeren.
De lichten boven de brede boulevard rond het gebouw brandden helder en wit en de rolbanen zoemden eentonig; de kurken-trekkervormige weg beschikte kennelijk over een onafhankelijke krachtbron. ‘Naar boven of naar beneden?’ vroeg Dirk.
Gwen leek het niet te horen; ze luisterde naar iets anders. ‘Stil,’ zei ze. Haar mond vertrok zenuwachtig.
Toen hoorde Dirk boven het gestage gezoem van de rolbanen uit het andere geluid, zwak, maar onmiskenbaar.
Gehuil.
Het kwam uit de gang achter hen, daar was Dirk zeker van. Het kwam als een kille wind uit de warme, blauwe stilte en het leek veel langer in de lucht te blijven hangen dan te verwachten was. Meteen daarna werd het gevolgd door een gedempt geblaf in de verte.
Er volgde een korte stilte. Gwen en Dirk keken elkaar aan en stonden doodstil te luisteren. Het gehuil herhaalde zich, luider en duidelijker, en deze keer echode het een beetje. Het was een gierend gehuil van razernij, aanhoudend en doordringend.
‘Honden van Braith,’ zei Gwen op een toon die veel kalmer klonk dan normaal zou zijn geweest.
Dirk herinnerde zich het beest dat hij was tegengekomen toen hij door de straten van Larteyn liep — een hond zo groot als een paard, die had gegromd toen hij dichterbij kwam, het beest met de kale rattenkop en de kleine rode oogjes. Benauwd keek hij de gang achter hen in, maar er bewoog niets in de kobaltblauwe schaduwen.
Toch werden de geluiden duidelijker en kwamen ze dichterbij.
‘Naar beneden,’ zei Gwen, ‘en vlug.’
Dirk had geen aanmoediging nodig. Ze renden over de brede, stille boulevard naar de middelste strook van de omloop en stapten op de eerste en traagste van de neergaande rolbanden. Vandaar sprongen ze van de ene rolband op de andere, tot ze de snelste band naar beneden hadden bereikt. Gwen haalde haar velduitrusting tevoorschijn, maakte het pakket open en rommelde in de inhoud, terwijl Dirk met een hand op haar schouder naast haar naar de voorbijglijdende nummers van de verdiepingen stond te kijken; zwarte schildwachten, aangebracht boven de grijszwarte, gapende muilen die naar de binnengangen van Uitdaging leidden. De nummers kwamen met regelmatige tussenpozen langs en werden steeds lager.
Ze waren de 490e etage net voorbij, toen Gwen overeind kwam met een spuitbus van blauwzwart metaal ter grootte van een vuist in haar hand. ‘Doe je kleren uit,’ zei ze.
‘Wat?’
‘Doe je kleren uit,’ herhaalde ze. Toen Dirk haar alleen maar aanstaarde, schudde ze ongeduldig haar hoofd en tikte hem met de punt van de bus op zijn borst. ‘Een geurdoder,’ legde ze hem uit. ‘Arkin en ik gebruiken die in de wildernis. We besproeien ons ermee voor we eropuit trekken. Je lichaamsgeur wordt er ongeveer vier uur lang door geneutraliseerd. Hopelijk zal het de honden van ons spoor afbrengen.’
Dirk knikte en begon zich uit te kleden. Toen hij naakt was, liet Gwen hem met zijn benen zo ver mogelijk uit elkaar staan, zijn armen boven zijn hoofd. Ze drukte op het uiteinde van de metalen spuit en er kwam een dunne, grijze nevel vrij, waarvan de aanraking zacht tintelde op zijn blote huid. Hij voelde zich koud en dwaas en heel kwetsbaar terwijl ze hem van voor en achter en van top tot teen behandelde. Ze knielde en besproeide ook zijn kleren, van binnen en van buiten, alles, behalve de zware jas die Arkin hem gegeven had. Die legde ze zorgvuldig opzij. Toen ze klaar was, kleedde Dirk zich weer aan — zijn kleren waren droog en stoffig van het askleurige poeder — terwijl Gwen zich op haar beurt uitkleedde en zich door hem liet besproeien.
‘Wat moet er met die jas?’ zei hij, terwijl ze haar kleren weer aantrok. Ze had alles bespoten — haar sensorpak, haar velduitrusting, haar jade-en-zilveren armband — alles, behalve Arkins bruine jas. Dirk duwde ertegen met de neus van zijn laars.
Gwen pakte hem op en gooide hem over de leuning op de snel bewegende strook van een opgaande rolband. Ze keken hoe de jas steeds verder van hen werd weggevoerd en uit het zicht verdween. ‘Je hebt hem niet nodig,’ zei Gwen toen de jas weg was. ‘En wie weet worden de honden erdoor op een dwaalspoor gebracht. Ze zullen ons beslist tot de omloop gevolgd zijn.’
Dirk keek bedenkelijk. ‘Kan zijn,’ zei hij met een blik op de binnenwand. Verdieping 472 gleed voorbij. ‘Ik denk dat we eraf moeten,’ zei hij plotseling. ‘Weg van de omloop. ’
Gwen keek hem vragend aan.
‘Je zei het zelf al,’ zei hij. ‘Degene die achter ons aan zit, zal op zijn minst tot aan de rolbanden komen. Als ze al op weg naar beneden zijn, zal mijn jas hen niet echt voor de gek houden. Ze zullen hem langs zien schieten en lachen.’
Ze glimlachte. ‘Da’s waar. Maar het was het proberen waard.’
‘Dus ga er maar van uit dat ze achter ons aan komen...’
‘Toch hebben we intussen een aardige voorsprong,’ viel ze hem in de rede. ‘Ze krijgen een meute honden nooit op een rolband, wat inhoudt dat ze te voet zijn.’
‘Ja, en? De omloop is hoe dan ook niet veilig, Gwen. Kijk. Dat daarboven kan Bretan niet zijn, want die zit beneden onder de grond. En Chell is het waarschijnlijk ook niet, hè?’
‘Nee. Een Kavalaar jaagt met zijn teyn. Ze gaan nooit uit elkaar.’
‘Dat dacht ik al. Dus er is één koppel dat spelletjes speelt met de energietoevoer beneden ons, en een ander koppel dat ons achtervolgt. Hoeveel anderen zitten er nog achter ons aan? Weet jij dat?’
‘Nee.’
‘In elk geval een paar, zou ik zeggen, en zelfs als dat niet zo is, kunnen we maar beter het ergste aannemen en daarvan uitgaan. Als er nog meer Braiths door de stad zwerven, en als die in contact staan met de jagers achter ons, dan zullen degenen die boven ons zijn tegen de anderen zeggen dat ze de omloop moeten afsluiten.’
Haar ogen vernauwden zich. ‘Misschien niet. Jagende paren werken zelden samen. Ieder paar wil zelf de prooi doden. Verdomme, ik wou dat ik een wapen had!’
Dirk negeerde haar laatste opmerking. ‘We moeten geen enkel risico nemen,’ zei hij. Op hetzelfde moment begonnen de felle lichten boven hen te flikkeren en vervaagden plotseling tot een flauw, grijs restschijnsel, en tegelijkertijd begon de rolband onder hun voeten te schokken en langzamer te gaan. Gwen struikelde. Dirk ving haar op en hield haar in zijn armen. Eerst stopte de langzaamste rolband, daarna die ernaast en ten slotte de neergaande waar zij op stonden.
Gwen keek huiverend naar hem op en Dirk drukte haar dichter tegen zich aan in een wanhopige poging uit de warme aanwezigheid van haar lichaam het broodnodige zelfvertrouwen te putten.
Onder hen — Dirk zou kunnen zweren dat het geluid van beneden kwam, uit de richting waarin de rolbaan hen had gevoerd -klonk een korte, schrille kreet, niet eens zo ver weg.
Gwen maakte zich los uit zijn omarming. Ze spraken geen woord. Over de schemerige, lege wegen stapten ze van band naar band, naar de doorgang die hen van de gevaarlijke omloop wegvoerde, de zijgangen weer in. Hij keek naar de nummers toen ze van de grijze in de blauwe schemering terechtkwamen: verdieping 468. Toen de vloerbedekking hun voetstappen weer dempte, zetten ze het op een lopen, zo snel mogelijk de eerste lange gang door, toen een hoek om en nog een, nu eens linksaf en dan weer rechtsaf, op goed geluk hun weg zoekend. Ze renden tot ze buiten adem waren, stonden toen stil en lieten zich onder het licht van een flauw gloeiende blauwe bol op de vloerbedekking zakken.
‘Wat was dat?’ zei hij ten slotte toen hij weer wat op adem was gekomen.