Gwen hijgde nog en snakte naar adem als gevolg van het harde rennen. Ze waren een heel eind gekomen. Ze had moeite haar adem weer onder controle te krijgen. In het blauwe licht trokken stille tranen natte sporen over haar gezicht stille tranen. ‘Wat denk je dat het was?’ zei ze na een poosje op scherpe toon. ‘Dat was de schreeuw van een drogman.’
Dirk deed zijn mond open en proefde zout. Toen voelde hij hoe nat zijn eigen wangen waren en vroeg zich af hoe lang hij al huilde. ‘Er zijn dus meer Braiths,’ zei hij.
‘Onder ons,’ zei ze, ‘en ze hebben een slachtoffer gevonden. Verdomme, verdomme, verdomme\ Wij hebben ze hierheen geleid, het is ónze schuld. Hoe hebben we zo stom kunnen zijn? Jaan was aldoor al bang dat ze in de steden zouden gaan jagen.’
‘Ze zijn gisteren al begonnen,’ zei Dirk, ‘met de kwallenkinderen van Zwarte Wijn. Het was alleen maar een kwestie van tijd voordat ze hier ook kwamen. Neem niet alle...’
Ze draaide zich naar hem toe, haar gezicht strak van boosheid, haar wangen nat van de tranen. ‘Wat?’ snauwde ze. ‘Jij denkt dat wij hier niet verantwoordelijk voor zijn? Wie dan wel? Bretan Braith volgde jou, Dirk. Waarom zijn we hier naartoe gegaan? We hadden naar Twaalfde Droom kunnen gaan, naar Moscel, naar Esvoch. Lege steden. Daar zou niemand iets overkomen zijn. Nu zullen de Emereli... Hoeveel bewoners waren er volgens de Stem ook alweer over?’
‘Ik weet het niet meer. Vierhonderd, geloof ik. Iets in die orde van grootte.’ Hij probeerde zijn arm om haar heen te slaan en haar naar zich toe te trekken, maar ze schudde hem af en keek hem woedend aan.
‘Het is onze schuld,’ zei ze. ‘Wij moeten iets doen.’
‘Het enige wat we kunnen doen, is proberen in leven te blijven,’ zei hij. ‘Ze zitten ook achter óns aan, vergeet dat niet. Wij kunnen ons niet ook nog eens druk maken om anderen.’ Gwen staarde hem aan, haar gezicht hard van — ja, van wat? Was het verachting, vroeg Dirk zich af. Hij schrok van die uitdrukking.
‘Ik kan mijn oren niet geloven,’ zei ze. ‘Kun je dan aan niemand anders denken dan aan jezelf? Verdorie, Dirk, onze geur is nog steeds geneutraliseerd. De Emereli’s zijn volstrekt hulpeloos, zonder wapens, onbeschermd. Ze zijn drogmensen, jachtwild, niets anders. Wij moeten iets doen!’
‘Wat? Zelfmoord plegen? Is dat iets? Vanmorgen wilde je niet dat ik met Bretan ging duelleren en nu...’
‘Ja! Nu moeten we wel. Op Avalon zou je niet zo gepraat hebben,’ zei ze, haar stem verheffend tot ze bijna schreeuwde. ‘Toen was je anders. Jaan zou niet...’
Ze hield op, plotseling beseffend wat ze zei en wendde haar blik af. Toen begon ze te snikken. Dirk zat heel stil.
‘Dus dat is het,’ zei hij na een poosje. Zijn stem was rustig. ‘Jaan zou niet aan zichzelf denken, nietwaar? Jaan zou voor held spelen.’
Gwen keek hem weer aan. ‘Dat zou hij doen, dat weet je.’
Hij knikte. ‘Inderdaad. Misschien zou ik dat eens ook gedaan hebben. Misschien heb je gelijk. Misschien ben ik veranderd. Ik weet helemaal niets meer.’ Hij voelde zich ziek, verdrietig en verslagen en schaamde zich diep. Zijn gedachten gingen heen en weer en tolden door zijn hoofd. Ze hadden allebei gelijk, dacht hij steeds maar. Ze hadden inderdaad de Braiths naar Uitdaging gehaald, waar honderden onschuldige slachtoffers waren. Dat was hun schuld; Gwen had gelijk. En toch had hij ook gelijk; ze konden nu niets doen, niets. Dat was dan misschien zelfzuchtig, maar wel de waarheid.
Gwen huilde hardop. Hij boog zich nogmaals naar haar toe en deze keer liet ze hem begaan, terwijl hij probeerde haar met zijn handen te troosten. Maar de hele tijd dat hij haar lange zwarte haar streelde en tegen zijn eigen tranen vocht, wist hij dat het niets hielp, dat het niets veranderde. De Braiths waren aan het jagen, aan het doden — en hij kon hen niet tegenhouden. Hij kon zichzelf nauwelijks redden. Tenslotte was hij de oude Dirk, de Dirk van Avalon niet meer. En de vrouw in zijn armen was Jenny niet. Ze waren allebei niet meer dan een prooi.
Maar plotseling kreeg hij een inval. ‘Ja,’ zei hij hardop.
Gwen keek hem aan. Dirk kwam wat onzeker overeind en trok haar mee omhoog.
‘Wat is er, Dirk?’ vroeg ze.
‘We kunnen toch iets doen,’ zei hij en hij nam haar mee naar de deur van het dichtstbijzijnde compartiment. Die ging gemakkelijk open. Dirk liep naar het beeldscherm bij het bed. De lichten in de kamer waren allemaal uit; de enige verlichting werd gevormd door de lange rechthoek van gedempt blauw die door de open deur viel. Gwen stond in de deuropening, onzeker, een somber, donker silhouet.
Dirk schakelde het scherm in, vol hoop (dat was alles wat hij had), en het lichtte op onder zijn handen. Hij haalde wat gemakkelijker adem en keerde zich naar Gwen toe.
‘Wat ga je doen?’ vroeg ze hem.
‘Zeg me wat jullie nummer thuis is,’ antwoordde hij.
Ze begreep het, knikte langzaam en gaf hem de nummers. Hij tikte ze een voor een in en wachtte. Het trillende oproepsignaal verlichtte de kamer. Toen het verdween, werden de lichtpatronen herschapen tot de krachtige trekken van Jaan Vikary’s gezicht.
Geen van hen zei een woord. Gwen kwam naar voren en ging achter Dirk staan, een hand op zijn schouder. Vikary keek hen zwijgend aan en Dirk vreesde een ogenblik lang dat hij de verbinding zou verbreken en hen aan hun lot over zou laten.
Hij deed het niet. Hij zei tegen Dirk: ‘Je was een vestigingsbroeder. Ik vertrouwde je.’ Toen verplaatste zijn blik zich naar Gwen. ‘En van jou hield ik.’
‘Jaan,’ zei ze, vlug en zacht, op zo’n zachte fluistertoon dat Dirk zich afvroeg of Vikary haar kon verstaan. Toen zweeg ze, draaide zich om en liep haastig de kamer uit.
Nog steeds verbrak Vikary de verbinding niet. ‘Je bent in Uitdaging, zie ik. Waarom roep je me op, t’Larien? Weet je wel wat wij moeten doen, mijn teyn en ik?’
‘Ik weet het,’ zei Dirk. ‘Ik aanvaard het risico. Ik moet het je vertellen. De Braiths hebben ons gevonden. Hoe, dat weet ik niet. We hadden nooit gedacht dat ze ons op het spoor zouden komen. Maar ze zijn hier. Bretan Braith Lantry heeft de stadscomputer onklaar gemaakt en het lijkt erop dat hij ook veel van de resterende energie onder controle heeft. De anderen — hebben meutes meegebracht om te jagen. Ze zijn in de gangen.’
‘Ik begrijp het,’ zei Vikary. Emotie — ondoorgrondelijk en vreemd — gleed over zijn gezicht. ‘De bewoners?’
Dirk knikte. ‘Kom je?’
Vikary glimlachte heel flauwtjes en zonder enige vreugde. ‘Jij vraagt mij om hulp, Dirk t’Larien?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik zal de spot er niet mee drijven, jij bent niet degene die het vraagt, niet voor jezelf. Ik begrijp het. Voor de anderen, de Emereli, ja, voor hen zullen Garse en ik komen. Wij zullen onze bakens meebrengen en degenen die we kunnen vinden voordat de jagers hen te pakken krijgen, zullen we korariel van IJzerjade maken. Maar het zal tijd kosten, te veel misschien. Er zullen er heel wat sterven. Gisteren, in de Stad van de Sterrenloze Poel, stierf er plotseling een wezen dat Moeder genoemd wordt. De kwallenkinderen — weet je iets van de kwallenkinderen van Zwarte Wijn, t’Larien?’
‘Ja, genoeg.’
‘Ze schoten uit hun Moeder tevoorschijn om een andere te zoeken, maar konden er geen vinden. In de tientallen jaren die ze in hun enorme gastvrouw doorbrachten, hebben anderen van hun wereld het schepsel gevangen en uit de Wereld van de Zwarte Wijnoceaan naar Worlorn gebracht, en het daar ten slotte achtergelaten. De kwallenkinderen en de andere Zwartewijners, die niet tot de cultus behoren, dragen elkaar weinig liefde toe. Dus kwamen ze naar buiten gestrompeld, met zo’n honderd of meer. Ze zwermden uit over hun stad en brachten er plotseling leven in, maar zonder er enig idee van te hebben waar ze waren, of waarom. De meesten van hen waren oud, erg oud. In paniek begonnen ze hun dode stad tot leven te wekken. Zo werden ze door Roseph hoog-Braith gevonden. Ik heb gedaan wat ik kon en heb sommigen beschermd. Maar veel anderen zijn door de Braiths gevonden, want het kostte veel tijd. In Uitdaging zal het net zo gaan. Degenen die de gangen in gaan en op de vlucht slaan, zullen worden opgejaagd en afgeslacht, lang voor mijn teyn en ik kunnen helpen. Begrijp je?’