Выбрать главу

Dirk knikte.

‘Het is niet genoeg om mij op te roepen,’ zei Vikary. ‘Je moet zelf wat doen. Bretan Braith Lantry wil niets liever dan jou te pakken krijgen, jou en niemand anders. Misschien staat hij je zelfs toe om alsnog te duelleren. De anderen willen alleen maar op je jagen omdat je een drogmens bent, maar ook zij vinden je veel meer waard dan een andere prooi. Laat je zien, t’Larien en ze zullen achter jou aan gaan. Voor de Emereli die zich in je omgeving verborgen houden, zal die tijdwinst belangrijk zijn.’

‘Ik begrijp het,’ zei Dirk. ‘Je wilt dat Gwen en ik...’

Vikary kromp zichtbaar in elkaar. ‘Nee, Gwen niet.’

‘Ik dan. Je wilt dat ik de aandacht op mijzelf vestig? Zonder wapen?’

‘Je hebt een wapen,’ zei Vikary. ‘Je hebt het zelf gestolen, waarmee je je de vijandschap van IJzerjade op de hals gehaald hebt.

Of je het wilt gebruiken of niet is een beslissing die alleen jijzelf kunt nemen. Ik vertrouw er niet op dat je de juiste keus zult maken. Eens vertrouwde ik je wel. Nu zeg ik het je alleen maar. Dan nog iets, t’Larien. Wat je ook doet, of laat, er zal tussen jou en mij niets veranderen. Dit gesprek verandert niets aan de situatie. Je weet wat we moeten doen.’

‘Dat heb je al gezegd,’ antwoordde Dirk.

‘Ik zeg het nog eens. Om je eraan te herinneren.’ Vikary fronste zijn wenkbrauwen. ‘En nu ga ik weg. Het is een lange vlucht naar Uitdaging, een lange, koude vlucht.’

Het scherm doofde voordat Dirk een antwoord kon bedenken.

Gwen stond vlak buiten de deur te wachten, tegen de beklede muur geleund, haar handen voor haar gezicht. Ze richtte zich op toen Dirk naar buiten kwam. ‘Komen ze hierheen?’ vroeg ze.

‘Ja.’

‘Het spijt me dat... ik wegliep. Ik kon hem niet onder ogen komen.’

‘Het doet er niet toe.’

‘Jawel.’

‘Nee,’ zei hij scherp. Zijn maag verkrampte. In zijn verbeelding hoorde hij gegil in de verte. ‘Het doet er niet toe. Je had me al eerder duidelijk gemaakt hoe je je voelt.’

‘O ja?’ Ze lachte. ‘Als jij weet hoe ik me voel, dan weet je meer dan ik, Dirk.’

‘Gwen, ik weet niet... Nee, luister, het doet er niet toe. Je had gelijk. We moeten... Jaan zei dat we een wapen hebben.’

Ze keek verbaasd. ‘Zei hij dat? Denkt hij dat ik mijn injectiegeweer heb meegenomen? Of zoiets?’

‘Nee, dat geloof ik niet. Hij zei alleen maar dat wij een wapen hebben, dat we het van IJzerjade gestolen hebben en dat we ons daarmee hun vijandschap op de hals hebben gehaald.’

Ze sloot haar ogen. ‘Wat?’ zei ze. ‘Ja natuurlijk.’ Ze deed haar ogen weer open.’ De luchtwagen. Die is bewapend met laserkanonnen. Dat zal hij wel bedoeld hebben. Maar ze zijn niet geladen. Ik denk niet eens dat we ze kunnen aansluiten. Het is de luchtwagen die ik meestal gebruikte, en Garse...’

‘Ik begrijp het. Maar denk je dat we de lasers operationeel kunnen maken? Zodat ze werken?’

‘Misschien. Ik weet het niet. Maar wat zou Jaan anders bedoeld kunnen hebben?’

‘De Braiths kunnen de wagen natuurlijk gevonden hebben,’ zei Dirk. Zijn stem was koel en onbewogen. ‘Maar we zullen het risico moeten nemen. Ons verstoppen gaat niet, ze zullen ons vinden. Misschien is Bretan nu al onderweg, als mijn gesprek met Larteyn ergens beneden is geregistreerd. Nee, we gaan terug naar de luchtwagen. Ze verwachten vast niet dat we daarheen gaan als ze weten dat we langs de omloop naar beneden gingen.’

‘De luchtwagen bevindt zich tweeënvijftig verdiepingen boven ons,’ rekende Gwen uit. ‘Hoe komen we daar? Als Bretan net zo veel controle heeft over de energietoevoer als wij vermoeden, zal hij de liften uitgeschakeld hebben. Hij heeft de rolbanden ook stopgezet.’

‘Hij wist dat wij de rolbanden gebruikten,’ zei Dirk. ‘Of op zijn minst dat we op de omloop waren. Dat hebben die lui die achter ons aan zaten hem verteld. Ze moeten met elkaar in contact staan, Gwen, de Braiths. Dat moet wel, want de rolbanden stopten allemaal tegelijk. Maar dat maakt het juist makkelijk.’

‘Makkelijk? Hoe bedoel je?’

‘Voor ons, om de aandacht op onszelf te vestigen,’ zei hij. ‘Om ervoor te zorgen dat ze aan onze kant komen en daarmee die verdomde Emereli redden. Jaan wil dat we dat doen. En was dat niet ook wat jij wilde?’ Zijn stem klonk scherp.

Gwen werd enigszins bleek. ‘Nou,’ zei ze. ‘Ja.’

‘Dan krijg je je zin. Dat gaan we doen.’

Ze keek peinzend. De liften dan maar? Als ze nog werken?’

‘We kunnen niet op de liften vertrouwen,’ zei Dirk. ‘Zelfs al werken ze nog. Bretan zou ze tot stilstand kunnen brengen als wij erin zitten.’

‘Ik weet niet of er trappen zijn,’ zei ze. ‘En zonder de Stem vinden we ze nooit, als ze al bestaan. We zouden via de omloop naar boven kunnen lopen, maar...’

‘We weten dat er minstens twee paar Braiths op de omloop jagen. En waarschijnlijk nog meer. Nee.’

‘Wat dan?’

‘Wat blijft er over?’ Hij fronste zijn voorhoofd. ‘De centrale schacht. ’

Dirk leunde over de smeedijzeren reling, keek omhoog en daarna naar beneden en werd er duizelig van. De centrale schacht leek naar allebei de kanten toe eindeloos door te lopen. Hij was van top tot bodem maar twee kilometer, wist hij, maar het geheel wekte de indruk van een vrijwel oneindige afstand. De opstijgende warme lucht die voor de opwaartse druk onder de vederlichte vlotten zorgde, vulde de galmende schacht met een grijswitte mist, terwijl de balkons eromheen op iedere verdieping hetzelfde waren, wat de illusie gaf van een eindeloze herhaling.

Gwen had iets uit haar sensorpak gehaald, een instrument van zilverblank metaal, niet groter dan een hand. Ze stond naast Dirk achter de balustrade en liet het losjes in de schacht vallen. Ze keken het samen na terwijl het al rondtollend wegzweefde en daarbij het licht ving en terugkaatste. Het zeilde tot halverwege de diameter van de grote cilinder voor het begon te vallen — langzaam, rustig, half gedragen door de opwaartse lucht, een metalen stofdeeltje dat danste in het kunstmatige zonlicht. Het duurde een eeuwigheid voor het in de grijze afgrond onder hen verdween. ‘Nou,’ zei Gwen toen het uit het gezicht verdwenen was, ‘het zwaartekrachtrooster werkt nog.’

‘Ja, Bretan kent de stad niet. Niet goed genoeg.’ Dirk keek weer op. ‘Ik geloof dat we het er maar op moeten wagen. Wie gaat er het eerst?’

‘Na jou,’ zei ze.

Dirk opende de balkondeur en liep terug tot bij de wand. Ongeduldig streek hij een lok haar uit zijn ogen, haalde zijn schouders op en rende naar voren. Toen zijn laars de rand raakte, zette hij zich zo hard mogelijk af.

Zijn sprong voerde hem voorwaarts en omhoog. Eén panisch moment leek het net of hij viel en Dirks maag kromp samen, maar toen keek hij en zag en voelde, en het leek helemaal niet op vallen, het was vliegen, zweven. Hij lachte hardop, plotseling lichtzinnig, bracht zijn armen naar voren en zwaaide ze met krachtige slagen naar achteren. Hij zwom steeds hoger en sneller. Reeksen lege balkons gingen voorbij: één verdieping, twee, vijf. Vroeg of laat zou hij aan de val beginnen, een langzame, draaiende afdaling in de grijs omsluierde verte, maar hij zou nauwelijks de tijd hebben om diep te vallen. De andere kant van de centrale schacht was nog maar dertig meter ver weg, een gemakkelijke sprong tegen de paperclipvormige kettingen van de gereduceerde zwaartekracht in de schacht Ten slotte kwam de gebogen wand dichterbij en botste hij tegen een balustrade van zwart ijzer aan. Hij tolde rond en tuimelde op een absurde manier naar boven, totdat hij de spijl van een balkon bereikte, vlak boven datgene wat hij zojuist had geraakt. Hij kon zich eenvoudig optrekken. Hij was de centrale schacht recht overgestoken en elf etages hoger beland. Lachend en merkwaardig blij zat hij kracht te verzamelen voor een tweede sprong, terwijl hij intussen toekeek hoe Gwen achter hem aan kwam. Ze vloog als een gracieuze, onmogelijke vogel. Haar zwarte haar glansde achter haar hoofd terwijl ze zweefde. Ze kwam bovendien twee etages hoger terecht dan hij.