Выбрать главу

Tegen de tijd dat hij de 520e etage had bereikt, had Dirk kneuzingen op een stuk of zes plaatsen, daar waar hij tegen de ijzeren relingen was opgebotst, maar hij begon zich bijna prettig te voelen. Aan het einde van zijn zesde duizelingwekkende sprong door de diepe schacht trok hij zich haast met tegenzin op aan het balkon om weer naar de normale zwaartekracht terug te keren. Maar hij deed het toch. Gwen stond al op hem te wachten, haar sensorpak en velduitrusting op haar rug. Ze reikte hem de helpende hand en trok hem over de reling heen.

Ze stapten de brede gang rond de centrale schacht in, waar de inmiddels vertrouwde, blauwe schaduwen heersten. Lichtbollen schenen gedempt op kruispunten aan weerskanten, vanwaar lange rechte doorgangen vanuit het middelpunt van de stad uitwaaierden als spaken van een groot wiel. Op goed geluk kozen ze zo’n weg en begaven zich snel op weg naar de buitenrand. Het was een langere wandeling dan Dirk voor mogelijk had gehouden, langs talloze andere zijgangen (hij raakte bij veertig de tel kwijt), allemaal identiek, voorbij zwarte deuren waarvan alleen de nummers verschilden. Hij noch Gwen sprak een woord. Het prettige gevoel dat hij kortstondig had gehad, de vreugde van het vleugelloze vliegen, verliet hem even plotseling als het was gekomen, terwijl hij door de troebele schemering liep. Daarvoor in de plaats proefde hij een vleugje angst. Zijn oren werden begoocheld door waangeluiden die hem verontrustten: hondengehuil in de verte en de zachte voetstappen van achtervolgers. Zijn ogen veranderden de lampen verderop in vreemde en verschrikkelijke dingen en ontwaarden gestalten in de kobaltblauwe hoeken waar slechts schaduw heerste. Maar ze kwamen niets en niemand tegen; het waren maar trucjes die zijn brein met hem uithaalden.

Toch waren de Braiths hier geweest. Dicht bij de buitenrand van Uitdaging, waar de dwarsgang uitkwam op de buitenste omloop, vonden ze een van de op luchtbanden rijdende voertuigen die de Stem had gebruikt om gasten heen en weer te brengen. Het was leeg en lag op zijn kant, half op het blauwe tapijt en half op het gladde, koude plastic waarmee de hele vloer van de omloop bekleed was. Toen ze het bereikten, bleven ze staan en Gwen keek Dirk zwijgend en veelbetekenend aan. De wagens op luchtbanden, herinnerde Dirk zich even later, hadden geen bedieningspaneel voor de passagiers; de Stem bestuurde ze rechtstreeks. En hier lag er een op zijn kant, zonder kracht of beweging. Hij merkte ook nog iets anders op. Naast een van de achterwielen was de blauwe vloerbedekking vochtig en had een nare lucht.

‘Kom,’ fluisterde Gwen en ze begonnen de stille omloop af te lopen, in de hoop dat de Braiths die hier geweest waren buiten gehoorsafstand zouden zijn. De startbaan en hun wagen waren nu heel dichtbij; het zou een wrede ironie zijn als ze die niet zouden bereiken. Maar het kwam Dirk voor, dat hun stappen afschuwelijk luid over het onbeklede oppervlak van de boulevard klonken; het hele gebouw zou hen kunnen horen, zelfs Bretan Braith, kilometers beneden hen in de diepe kelders. Toen ze het voetgangerspad bereikten dat de strook onbeweeglijke rolbanen in het midden overbrugde, begonnen ze allebei te rennen. Hij wist niet zeker wie ermee begon, hij of Gwen. Het ene moment liepen ze nog vlak naast elkaar en probeerden ze zo snel mogelijk vooruit te komen en daarbij zo weinig mogelijk lawaai te maken, het volgende zetten ze het op een lopen.

Aan de andere kant van de omloop — kale gang, twee hoeken om — was een brede deur die niet gemakkelijk openging. Ten slotte gooide Dirk er zich met zijn gekneusde schouder tegenaan. Hij en de deur kreunden allebei uit protest, maar de deur gaf mee, en daar stonden ze dan op de startbaan van de 520e verdieping van Uitdaging.

De nacht was koud en donker. Ze konden Worlorns eeuwige wind horen huilen om de toren van Emerel, en in de lange, lage rechthoek die de hemel van de buitenwereld omlijstte, straalde een enkele heldere ster. Binnen was de startbaan bijna zwart.

Er gingen geen lichten aan toen ze naar binnen gingen. Maar de luchtwagen stond er nog, ineengedoken in het donker als een levend wezen, als de banshee waarop hij moest lijken, en er stond geen Braith bij om de wagen te bewaken.

Ze liepen erheen. Gwen ontdeed zich van haar sensorpak en velduitrusting en legde die op de achterbank waar de luchtschüi-vers ook nog lagen. Dirk stond naar haar te kijken en huiverde; Ruarks warme overjas was weg en de nachtlucht was heel koud.

Gwen probeerde een knop op het instrumentenpaneel en midden op de kap van de manta werd een donkere spleet zichtbaar. Metalen panelen zwaaiden naar achteren en omhoog en de ingewanden van Kavalaanse machine werden zichtbaar. Ze liep naar de voorkant van de wagen en schakelde een geel licht onder aan een van de helften van de kap aan. Langs het andere paneel, zag Dirk, zat een rij metalen gereedschappen in klemmen.

In de kleine gele lichtbundel bekeek Gwen de ingewikkelde machinerie. Dirk kwam naast haar staan.

Ten slotte schudde ze haar hoofd. ‘Nee,’ zei ze op vermoeide toon. ‘Die doet het niet meer.’

‘We kunnen energie aan het zwaartekrachtrooster onttrekken,’ stelde Dirk voor. ‘Je hebt het gereedschap.’ Hij wees.

‘Ik weet er niet genoeg van,’ zei ze. ‘Een beetje wel. Ik had gehoopt dat ik uit kon vlooien... snap je. Maar dat lukt niet. Het is meer dan alleen maar een kwestie van energie. De vleugellasers zijn zelfs niet aangesloten. We zouden evenveel plezier beleven aan een paar ornamenten.’ Ze keek Dirk aan. ‘Ik neem niet aan dat jij...?’

‘Nee,’ zei hij.

‘Ze knikte. ‘Dan hebben we dus geen wapen.’

Dirk stond stil en keek peinzend langs de manta naar de lege hemel van Worlorn. ‘We zouden hier vandaan kunnen vliegen.’

Gwen reikte naar de panelen van de kap, nam er een in elke hand, duwde ze naar beneden en weer dicht en de banshee zag er weer compleet en dreigend uit. Haar stem was toonloos. ‘Nee. Denk aan wat je gezegd hebt. De Braiths zullen buiten zijn. Hun wagens zijn bewapend. We zouden geen enkele kans hebben. Nee.’ Ze liep om Dirk heen en ging in de wagen zitten.

Na enkele ogenblikken volgde hij haar. Hij draaide zich om in zijn stoel, zodat hij de eenzame ster aan de koude nachthemel kon zien. Hij was er zich van bewust dat hij erg moe was en hij wist dat het niet alleen lichamelijk was. Sinds hij naar Uitdaging was gekomen, werd hij door gevoelens overspoeld als het strand door golven, de een na de ander, maar nu leek het plotseling of de zee verdwenen was. Er waren helemaal geen golven meer.

‘Ik denk dat jij daarstraks in de gang gelijk had,’ zei hij op nadenkende, beschouwelijke toon. Hij keek Gwen niet aan.

‘Gelijk?’ zei ze.

‘Dat ik zelfzuchtig ben. Dat ik... je weet wel... dat ik niet ridderlijk ben.’

‘Niet ridderlijk?’

‘Zoals Jaan. Ik ben misschien nooit echt ridderlijk geweest, maar op Avalon vond ik het prettig te denken dat ik het wel was. Ik geloofde in dingen. Nu kan ik me nauwelijks meer herinneren wat voor dingen dat waren. Behalve als het om jou gaat, Jenny. Jou herinner ik me wel. Dat was de reden... nou ja, je snapt het wel. De laatste zeven jaar heb ik dingen gedaan, niets vreselijks hoor, maar toch dingen die ik op Avalon waarschijnlijk niet gedaan had. Cynische dingen, egoïstische dingen. Maar tot nog toe had ik nooit andermans dood veroorzaakt.’

‘Kwel jezelf niet, Dirk,’ zei ze. Haar stem klonk ook vermoeid. ‘Dat is bepaald niet aantrekkelijk.’

‘Maar ik wil iets doen,’ zei Dirk. ‘Ik moet iets doen. Ik kan niet alleen maar... je weet wel. Je had gelijk.’