‘We kunnen niets doen, behalve vluchten en sterven en daar heeft niemand wat aan. We hebben geen wapen.’
Dirk lachte bitter. ‘Dus we wachten tot Jaan en Garse ons komen redden, en dan... Onze hereniging was wel verschrikkelijk kort van duur, nietwaar?’
Ze boog zich zonder te antwoorden naar voren en liet haar hoofd rusten op haar onderarm, die boven op het instrumentenbord lag. Dirk wierp een blik op haar en staarde toen weer naar buiten. Hij had het nog steeds koud in zijn dunne kleren, maar dat leek op een of andere manier niet belangrijk.
Zo zaten ze stil in de manta.
Totdat Dirk zich ten slotte omkeerde en een hand op Gwens schouder legde. ‘Het wapen,’ zei hij, op een vreemd geanimeerde toon. ‘Jaan zei dat we een wapen hadden.’
‘De lasers op de luchtwagen,’ zei Gwen. ‘Maar...’
‘Nee,’ zei Dirk, plotseling grijnzend. ‘Nee, nee, néé!’
‘Wat zou hij anders bedoeld kunnen hebben?’
Als antwoord stak Dirk zijn arm uit en schakelde de opwaartse kracht van de luchtwagen in. De grijsmetalen banshee kwam tot leven en steeg een klein eindje van de grond. ‘De wagen,’ zei hij. ‘De wagen zelf.’
‘De Braiths buiten hebben wagens,’ antwoordde ze. Bewapende wagens.
‘Ja,’ zei Dirk. ‘Maar Jaan en ik hadden het niet over de Braiths buiten. We hadden het over de jachtgezelschappen binnen, die lui die over de omloop rondzwerven om mensen te doden!’
Het begrip daagde op haar gezicht als een stralende zon. Ze grijnsde. ‘Ja,’ zei ze woest, reikte naar haar instrumenten, de manta gromde en van ergens onder de kap waaierden brede kolommen wit licht uit om de duisternis vóór hen te verjagen.
Terwijl zij een halve meter boven de grond zweefde, klom Dirk over de vleugels, liep naar de gehavende deur en gebruikte zijn al even gehavende schouder om een tweede paneel opzij te duwen, breed genoeg om de luchtwagen doorgang te verlenen. Gwen stuurde de manta naar hem toe en hij klom er weer in.
Korte tijd later waren ze op de omloop en zweefden ze boven de boulevard, vlak bij de plaats waar de omgevallen wagen op luchtbanden lag. De felle lichtstralen van de koplampen gleden langs de stil gelegde rolbanen en de allang verlaten winkels en wezen recht vooruit, omlaag over de weg die alsmaar rond de grote toren van Uitdaging naar beneden liep totdat hij ten slotte de grond zou bereiken.
‘Besef je,’ vroeg Gwen voordat ze begonnen,’ dat wij op de klimmende baan zitten? Dalend verkeer moet aan de andere kant van de weg blijven.’ Ze wees.
‘Dit mag vast niet volgens de normen van ni-Emerel.’ Dirk lachte. ‘Maar ik denk niet dat de Stem het erg vindt.’
Gwen glimlachte flauwtjes terug en bediende de instrumenten,
en de manta schoot fel naar voren en vermeerderde vaart. Toen maakten ze lange tijd zelf veel wind, terwijl ze steeds sneller door de grijze schemering vlogen. Gwen zat bleek en met samengeperste lippen achter het bedieningspaneel, Dirk zat naast haar en las zonder een bepaalde bedoeling de nummers van de verdiepingen, terwijl de ene gang na de andere voorbijflitste.
Ze hoorden de Braiths lang voor ze hen zagen: weer dat gehuil, de wild bassende kreten, zo heel anders dan alle andere hondengeluiden die Dirk ooit had gehoord en die nog wilder klonken doordat ze in hun kielzog naar beide kanten door de omloop weerkaatsten. Meteen toen hij de honden hoorde, doofde Dirk de lichten van de luchtwagen.
Gwen keek hem vragend aan.
‘We maken niet veel lawaai,’ zei hij. ‘Ze zullen ons nooit boven het gehuil van de honden en hun eigen geschreeuw uit horen. Maar ze zouden het licht kunnen zien dat van achteren op hen afkomt. Nietwaar?’
‘Inderdaad,’ zei ze alleen maar. Haar aandacht was op de luchtwagen gericht. Dirk sloeg haar gade in het bleke, grijze licht dat hun nog restte. Haar ogen waren weer als jade, hard en glanzend, even koud en vijandig als die van Gar se Janacek soms konden zijn. Eindelijk had ze haar wapen en de Kavalaanse jagers bevonden zich ergens voor haar uit. Dicht bij verdieping 497 passeerden ze een gedeelte dat bezaaid lag met stukken afgescheurde stof die fladderden en wapperden in de luchtstroom achter hun afdalende wagen. Eén stuk dat in het midden van de boulevard lag en wat groter was dan de rest, bewoog maar weinig. De restanten van een bruine patchwork overjas, aan flarden gescheurd.
Voor hen uit werd het gehuil sterker en luider.
Even gleed er een glimlach over Gwens lippen. Dirk zag het en verbaasde zich en dacht aan zijn zachtaardige Jenny van Avalon.
Toen zagen ze de gestalten, kleine, zwarte gedaanten op de beschaduwde omloop, gedaanten die al spoedig aanzwollen tot mannen en honden, toen de manta dichter op hen af schoot. Vijf grote honden liepen los over de boulevard, vlak achter een zesde, die groter was dan de andere en hard aan twee zware zwarte kettingen rukte. Twee mannen hielden de kettingen vast en struikelden bijna achter de meute aan, zo hard werden ze door de enorme, voorste hond meegesleurd.
Ze werden groter. Ze werden heel snel groter.
De honden hoorden de luchtwagen het eerst aankomen. De leider vocht om hun kant op te draaien en een van de kettingen vloog uit de handen van de jager. Drie van de loslopende honden draaiden zich grommend om en de vierde schoot met grote sprongen de omloop weer op, de nu snel afdalende wagen tegemoet. De mannen leken een ogenblik in de war. Een van hen was verstrikt geraakt in de ketting die hij vasthield, toen de voorste hond de andere kant op begon te lopen. De ander, met lege handen, stak zijn hand uit naar iets op zijn heup.
Gwen deed de lichten aan. In het halfduister waren de ogen van de manta verblindend.
De luchtwagen ramde op hen in.
Dirk werd door indrukken overspoeld. Een aanhoudend gehuil ging plotseling over in een kreet van pijn; een schok deed de manta sidderen. Wrede rode ogen die afschuwelijk dichtbij oplichtten, een rattenkop met gele tanden, vol nat kwijl. Weer een botsing, opnieuw schudde de wagen, en er knapte iets. Nog meer, schokken, misselijkmakende vlezige geluiden, een, twee, drie. Een schreeuw, een heel menselijke kreet; toen tekende zich in de lichtbundels een man af. Het leek een uur te duren voor ze hem bereikten. Het was een lange vierkante man, niet iemand die Dirk kende, gekleed in een stevige broek en een jas van kameleonstof die van kleur leek te veranderen toen ze naderden. Hij hield zijn handen voor zijn ogen en omklemde met één hand een nu nutteloze duelleerlaser, en Dirk zag een stukje glanzend metaal onder een van zijn mouwen uit gluren. Hij had wit haar dat tot op zijn schouders viel.
Toen, na een eeuwigheid van bevroren beweging, was hij weg. De manta schokte opnieuw. Dirk schokte mee.
Voor hen uit lag een grijze leegte, de lange bochtige boulevard.
Achter hen — Dirk wierp een blik achterom — maakte een hond die lawaaiig twee kettingen voortsleepte, jacht op hen. Maar hij werd steeds kleiner en kleiner. De kille plastic straat lag met donkere gedaanten bezaaid. Hij was nauwelijks begonnen met tellen, of ze waren er al voorbij. Er schoot een korte lichtflits over hun hoofd, maar ze werden op geen stukken na geraakt.
Kort daarop waren hij en Gwen weer alleen en was er geen ander geluid te horen dan het ruisende gefluister van hun afdaling. Gwens gezicht stond heel ernstig. Haar handen waren rustig en vast. De zijne niet. ‘Ik denk dat we hem gedood hebben,’ zei hij.
‘Ja,’ antwoordde ze. ‘Dat is zo. En ook een paar van de honden.’ Even zei ze niets. Toen vervolgde ze: ‘Als ik me goed herinner heette hij Teraan Braith en nog wat.’
Ze waren beiden stil. Gwen schakelde de koplampen weer uit. ‘Wat doe je?’ vroeg Dirk.
‘Vóór ons zijn er nog meer,’ zei ze. ‘Weet je nog, die schreeuw die we hoorden?’
‘Ja.’ Hij dacht even na. ‘Kan de wagen nog meer botsingen doorstaan?’