Выбрать главу

Ze lachte flauwtjes. ‘Ah,’ zei ze. ‘De duelleercode van de Kavalaren biedt verschillende mogelijkheden voor luchtgevechten. Luchtwagens worden vaak als wapen gekozen. Ze zijn stevig gebouwd. Deze wagen is erop berekend om zo lang mogelijk weerstand te bieden aan laservuur. De bepantsering... Moet ik nog verdergaan?’

‘Nee.’ Hij was even stil. ‘Gwen.’

‘Ja?’

‘Dood nu verder maar niemand meer.’

Ze keek hem aan. ‘Ze jagen op de Emereli,’ zei ze, ‘en op alle anderen die zo ongelukkig zijn geweest om nog in Uitdaging te blijven. Ze zouden ons ook graag afmaken.’

‘Maar toch,’ zei hij. ‘We kunnen ze ophouden, tijd winnen voor de anderen. Jaan zal nu spoedig hier zijn. Er hoeft niemand gedood te worden.’

Ze zuchtte, haar handen bewogen en de luchtwagen verminderde vaart. ‘Dirk,’ begon ze. Toen zag ze iets en bracht de wagen bijna tot stilstand zodat ze zweefden en langzaam vooruitgleden. ‘Hier,’ zei ze. ‘Kijk.’ Ze wees.

Er was zo weinig licht dat de dingen niet goed te zien waren, maar toen ze dichterbij kwamen zag Dirk een soort karkas, of wat er nog van over was. Het lag midden op de weg, bewegingloos en bloederig. Eromheen lagen hompen vlees. Gestold, donker bloed kleefde aan het plastic.

‘Dat moet het slachtoffer zijn dat we daarstraks hoorden,’ legde Gwen op conversatietoon uit. ‘Drogmensenjagers eten hun prooi niet op, weet je. In één adem zeggen ze dat deze schepsels geen mensen zijn, alleen maar een soort halfbewuste dieren, en dat geloven ze nog ook, maar tegelijkertijd is de stank van kannibalisme zelfs hun te sterk, dus daar wagen ze zich niet aan. Zelfs in de allervroegste tijden, gedurende de donkere eeuwen op Hoog Kavalaan, aten de jagers van de vestigingen het vlees van de drogmensen die ze te pakken kregen, nooit op. Dat lieten ze achter voor de goden, voor de aasvlinders, voor de zandtorren. Nadat ze hun honden een stuk hadden laten proeven natuurlijk, als beloning. Maar de jdgers nemen wel trofeeën mee. Het hoofd. Zie je die romp daar? Wijs me het hoofd maar aan.’

Dirk was misselijk.

‘Ze nemen ook de huid mee,’ ging Gwen verder. ‘Ze hebben vilmessen bij zich. Of tenminste tot voor kort. Want zoals je weet is het jagen op drogmensen al generaties lang afgeschaft op Hoog Kavalaan. Zelfs de hoogbondsraad van Braith heeft zich ertegen uitgesproken. De overgebleven jagers doden hun prooi clandestien. Ze moeten hun trofeeën verbergen, uitgezonderd misschien voor elkaar. Maar hier, nou ja, laten we zeggen dat Jaan verwacht dat de Braiths zo lang mogelijk op Worlorn zullen blijven. Hij heeft me verteld dat ze het erover hebben dat ze Braith af willen zweren. Dat ze hun betheyns uit de vestigingen op hun thuiswereld hierheen willen halen, om zo een nieuw verbond te vormen, een verzameling die alle oude gebruiken in ere wil herstellen, alle uitgeroeide en uitstervende rotgewoonten. Voor een tijdje, een jaar of twee, of misschien tien, zolang het Toberiaanse stratoschild nog warmte kan binnenhalen. Lorimaar hoog-Larteyn en zijn soortgenoten, en niemand die ze tegenhoudt.’

‘Dat zou krankzinnig zijn!’

‘Misschien. Maar dat zal ze er niet van weerhouden. Als Jaantony en Garse morgen zouden vertrekken, zou het gebeurd zijn. De aanwezigheid van IJzerjade houdt hen tegen. Ze vrezen dat als zijzelf en de andere traditionele Braiths zich hier in grote aantallen zouden vestigen, het progressieve deel van IJzerjade daar evenveel mensen achteraan zou sturen. Dan zou er voor hen niets te jagen vallen en hunzelf en hun kinderen zou een kort, hard leven op een stervende wereld te wachten staan, zonder het genot waar ze zo naar hunkeren, de vreugde van de grote jacht. Nee.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Maar zelfs nu zijn er in Larteyn kamers met trofeeën. Alleen Lorimaar al heeft vijf hoofden buitgemaakt en er wordt gezegd dat hij twee jasjes van ‘drogmanhuid’ bezit. Hij draagt ze niet. Jaan zou hem vermoorden.’

Ze dreef de luchtwagen opnieuw vooruit en ze begonnen weer snelheid te maken. ‘Nou,’ zei ze, ‘wil je nog steeds dat ik uitwijk als we straks nog eens iemand tegenkomen? Nu je weet hoe ze zijn?’

Hij gaf geen antwoord.

Kort daarop begon het lawaai voor hen uit opnieuw: langgerekt gehuil en geblaf dat door de verder lege omloop galmde. Ze kwamen langs een ander omvergegooid voertuig. De ronde, zachte banden waren leeggelopen en gescheurd en Gwen moest uitwijken om erlangs te komen. Een ogenblik later zagen ze een levenloos gevaarte van zwart metaal dat hun weg omlaag blokkeerde, een massieve robot met vier stijve armen die in groteske houding boven zijn hoofd uitstaken. Het bovenste deel van de romp was een donkere cilinder, voorzien van glazen ogen; de basis had de afmetingen van een luchtwagen, maar dan op een soort voeten. ‘Een ordebewaarder,’ zei Gwen toen ze langs het stille, mechanische lijk gleden. Dirk zag dat de handen van alle vier de armen er af waren gesneden en dat het lichaam bezaaid was met smeltgaten van laserpistolen.

‘Zou die met ze gevochten hebben?’ vroeg hij.

‘Waarschijnlijk,’ antwoordde ze. ‘Dat betekent dat de Stem nog steeds leeft en sommige functies nog onder controle heeft. Misschien is dat de reden waarom we verder niets van Bretan Braith hebben gehoord. Het zou kunnen zijn dat ze daar beneden problemen hebben. De Stem zou als vanzelfsprekend zijn ordebewaarders verzamelen om de levensfuncties van de stad te beschermen.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Maar het doet er nauwelijks toe. De Emereli geloven niet in geweld. De ordebewaarders zijn instrumenten die controle uitoefenen. Ze vuren wel slaappijlen af en ik denk dat ze traangas kunnen spuiten vanuit die roosters in hun onderkant. Maar de Braiths zullen het altijd winnen.’

Achter hen was de robot alweer verdwenen en weer was de omloop verlaten. De geluiden voor hen werden heel luid.

Deze keer zei Dirk niets toen Gwen op hen in reed en haar lichten aandeed, terwijl de kreten en de botsingen elkaar opvolgden. Ze raakte allebei de Braith-jagers, hoewel ze naderhand opmerkte er niet zeker van te zijn of de tweede wel dood was. De klap was van hem afgeschampt en had hem opzij gesmeten, tegen een van zijn eigen honden aan.

En Dirk kon helemaal niets meer uitbrengen, want toen de man tollend vanaf hun rechtervleugel bonsde, verloor hij zijn greep op het voorwerp dat hij vasthield. Het vloog door de lucht, sloeg tegen het raam van een winkel en liet een bloedig spoor achter op het glas voordat het op de grond viel. De man had het ding bij het haar vastgehouden, zag Dirk.

De weg draaide als een kurkentrekker rond de toren van Uitdaging, steeds lager en lager. Het duurde langer dan Dirk zich had kunnen voorstellen om van verdieping 388 — waar ze het tweede koppel Braiths hadden verrast — naar de laagste verdieping te komen. Een lange vlucht in een grijze stilte.

Ze kwamen niemand meer tegen, geen Kavalaren en geen Emereli.

Op de honderdtwintigste verdieping versperde een eenzame ordebewaarder hun de weg. Hij richtte zijn glazen ogen op hen en beval hen te stoppen op een toon — nog steeds gelijkmatig en vriendelijk — die nog steeds die van de Stem van Uitdaging was. Maar Gwen verminderde geen vaart, en toen ze naderde, schoof de bewaker opzij zonder pijlen af te schieten of traangas te spuiten. Maar zijn galmende bevelen volgden hen over de omloop.

Op verdieping zevenenvijftig begonnen de gedempte lichten boven hen te flikkeren en gingen uit. Een ogenblik lang vlogen ze in volkomen duisternis. Toen schakelde Gwen de koplampen aan en minderde haar vaart enigszins. Geen van beiden zeiden ze iets, maar Dirk dacht aan Bretan Braith en vroeg zich een ogenblik af of de lichten waren uitgevallen of uitgeschakeld. Het laatste, vermoedde hij: een overlevende daarboven had eindelijk contact gelegd met zijn vestigingsbroeders beneden.

Op de begane grond eindigde de omloop in een grote promenade en een verkeersplein. Ze konden er maar weinig van zien; alleen daar waar ze door de lichtstralen van hun koplampen werden geraakt, sprongen de vormen naar voren uit de zee van pik-