De zwijgende jager die op de grond zat, nam het woord. ‘Hij is niet meer. Hij heeft me gevraagd er een eind aan te maken. Ik heb zijn verzoek ingewilligd. Waarlijk, hij was zwaar gehavend. Hij was de tweede keth die ik vandaag heb zien sterven. De eerste was mijn teyn, Teraan Braith Nalarys.’ Terwijl hij sprak lieten zijn ogen Gwen niet los. Hij eindigde met een lange, ademloze zin in het Oud-Kavalaans.
‘Drie van ons zijn omgekomen,’ zei de oude man.
‘Wij zullen voor hen een ogenblik stil zijn,’ zei Pyr. Hij had nog steeds de stok met de hardhouten knop en het korte lemmet vast en terwijl hij sprak, tikte hij er rusteloos mee tegen zijn been, precies zoals hij dat in de tunnels had gedaan.
Ondanks de prop in haar mond probeerde Gwen te schreeuwen. Pyrs teyn, de slungelige Kavalaar met het wilde zwarte haar, kwam naar voren en rees dreigend boven haar uit.
Maar Dirk, die niet gekneveld was, had begrepen wat ze bedoelde. ‘Ik ben niet van plan mij stil te houden,’ schreeuwde hij. Dat probeerde hij althans. Zijn stem was nog niet helemaal aan schreeuwen toe. ‘Het waren moordenaars, alle drie. Ze verdienden het te sterven.’
Alle Braiths keken naar hem.
‘Doe een prop in zijn mond en maak een einde aan zijn geschreeuw,’ zei Pyr. Zijn teyn voerde die opdracht snel uit. Toen dat was gebeurd, sprak Pyr opnieuw. ‘Je zult nog gelegenheid genoeg krijgen om te schreeuwen, Dirk t’Larien, als je naakt door de bossen rent en je mijn honden achter je hoort blaffen.’
Bretans hoofd en schouder keerden zich moeizaam om. Licht blonk op het weefsel van zijn litteken. ‘Nee,’ zei hij. ‘Ik heb de oudste rechten.’
Pyr keek hem aan. ‘Ik heb deze drogman opgespoord. Ik heb hem gegrepen.’
Bretans gezicht vertrok. Chell, die nog steeds de reusachtige hond vasthield, de ketting om zijn stevige hand gewikkeld, legde zijn andere hand op Bretans schouder.
‘Dat boeit mij niet,’ zei een andere stem. De Braith die op de grond zat. Starend. Onbeweeglijk. ‘Maar wat doen we met de teef?’
De anderen richtten met tegenzin hun aandacht op dit nieuwe onderwerp. ‘Over haar valt niet te discussiëren, Myrik,’ antwoordde Lordnaar hoog-Braith. ‘Zij is van IJzerjade.’
De man trok abrupt zijn lippen op; een ogenblik lang vertrok zijn kalme gezicht heftig, als dat van een beest, een grimas van emotie. Toen was het voorbij. Zijn trekken namen hun bleke onbewogenheid weer aan, volledig beheerst. ‘Ik zal die vrouw doden,’ zei hij. ‘Teraan was mijn teyn. Ze heeft zijn geest prijsgegeven aan een zielloze wereld.’
‘Zij?’ Lorimaars stem klonk ongelovig. ‘Is dat waar?’
‘Ik heb het gezien,’ antwoordde de man op de grond die Myrik werd genoemd. ‘Ik heb op haar gevuurd toen ze op ons inreed en Teraan dodelijk verwondde. Het is waar, Lorimaar hoog-Braith.’ Dirk probeerde te gaan staan, maar de slungelige Kavalaar duwde hem weer hard op de grond en sloeg zijn hoofd tegen de metalen zijkant van de luchtwagen aan om zijn actie kracht bij te zetten.
Toen sprak de tengere grijsaard — de bejaarde man met de klauw die het kinderhoofd aan zijn gordel had hangen. ‘Neem haar dan als je persoonlijke prooi,’ zei hij met een stem even dun en scherp als het lemmet van zijn vilmes dat aan zijn riem hing. ‘De wijsheid van onze vestigingen is oud en beproefd, broeders. Ze is nu geen echte vrouw meer, als ze dat ooit geweest is, noch een lijfeigene, noch een eyn-keth. Wie is er om voor haar in te staan? Ze heeft de bescherming van haar hoogbonder in de steek gelaten om met een drogman te vluchten. Als ze ooit vlees van een man zijn vlees was, dan is ze dat nu niet meer. Jullie kennen de manier van doen van de drogmensen, de leugenaars, de weerwolven, de grote bedriegers. Toen hij alleen met haar in het donker was, heeft deze drogman, Dirk, haar vast en zeker gedood en haar vervangen door een demon als hijzelf, gevormd naar zijn beeld.’
Chell mompelde instemmend en zei iets plechtigs in het Oud-Kavalaans. De andere Braiths leken minder zeker. Lorimaar wisselde fronsende blikken met zijn teyn, de breedgeschouderde dikke man. Bretans weerzinwekkende gezicht keek neutraal, de ene helft een masker van littekenweefsel, de andere helft pure onschuld. Pyr keek dreigend en bleef rusteloos met zijn stok tikken.
Het was Roseph die antwoordde. ‘Toen ik scheidsrechter zou zijn in het doodsvierkant, heb ik geoordeeld dat Gwen Delvano een mens is,’ zei hij voorzichtig.
‘Dat is waar,’ antwoordde Pyr.
‘Misschien was ze toen menselijk,’ zei de oude man. ‘Nu heeft ze bloed geproefd en met een drogman geslapen. Wie zal haar nu nog een mens noemen?’
De honden begonnen te janken.
De vier die door Myrik aan de luchtwagen waren vastgebonden begonnen met de kakofonie en die werd overgenomen door het span dat in Lorimaars logge voertuig zat. Chells reusachtige hond grauwde en trok aan zijn ketting tot de oude Braith er een boze ruk aan gaf; toen ging het beest zitten en jankte met de andere honden mee.
De meeste jagers staarden in de stille duisternis buiten de kleine lichtcirkel. (Myrik, roerloos en met een star gezicht, was de enige uitzondering — zijn ogen lieten Gwen Delvano’s gezicht geen ogenblik los.) Meer dan een van hen raakte het wapen op zijn heup aan.
Aan de rand van de cirkel, achter de luchtwagens en hun lichtschijnsel, stonden de twee IJzerjades naast elkaar in de schaduw.
Dirks pijn — zijn hoofd bonsde — leek plotseling niet belangrijk meer. Zijn lichaam beefde en schokte. Hij keek naar Gwen; ze keek op, naar ben. Vooral naar Jaan.
Hij trad in het licht en Dirk zag dat hij Gwen bijna net zo gefixeerd aanstaarde als de man die Myrik heette. Het leek of hij maar langzaam bewoog, als een gedaante in een wazige droom, een slaapwandelaar. Garse Janacek liep levendig en soepel naast hem.
Vikary droeg een gevlekt pak van kameleonstof dat tot heel donkergrijs en diep zwart verschoot toen hij in de kring van zijn vijanden stapte. Tegen de tijd dat de honden stil waren, leek hij geheel in het grijs gekleed te zijn. De mouwen van zijn shirt eindigden net boven zijn ellebogen; ijzer-en-gloeisteen omsloot zijn rechteronderarm, jade-en-zilver zijn linker-. Een eindeloos durende seconde maakte hij de indruk, ontzagwekkend groot te zijn. Chell en Lorimaar waren een kop groter, maar op de een of andere manier leek Vikary kortstondig te domineren. Hij liep hen met een vloeiende beweging voorbij, een schrijdende geest — wat deed hij zelfs nu nog onwerkelijk aan — die de Braiths negeerde alsof ze niet bestonden. Voor Gwen en Dirk bleef hij staan.
Maar het was allemaal schijn. Het lawaai nam af, de Braiths begonnen te spreken en Jaan Vikary was weer een gewoon mens, groter dan velen, maar kleiner dan anderen.
‘Jullie zijn indringers, IJzerjades,’ zei Lorimaar op harde, boze toon. ‘Jullie zijn hier niet uitgenodigd, jullie hebben het recht niet om hier te zijn.’
‘Drogmensen,’ schold Chell. ‘Valse Kavalaren.’
Bretan Braith maakte zijn eigenaardige geluid.
‘Ik schenk je je betheyn. Jaantony hoog-IJzerjade,’ zei Pyr op vastberaden toon, maar zijn stok bewoog zenuwachtig. ‘Straf haar zoals je wilt — zoals je hoort te doen. De drogman is van mij, om op te jagen.’
Garse Janacek was op een paar meter afstand blijven staan. Zijn blikken gingen van de ene spreker naar de andere en tweemaal scheen hij op het punt te staan iets te zeggen. Maar Jaan Vikary negeerde hen allemaal. ‘Haal de proppen uit hun mond,’ zei hij, wijzend op de gevangenen.
Pyrs slungelige teyn boog zich over Dirk en Gwen heen, zijn gezicht naar de IJzerjade toegekeerd. Hij weifelde een ogenblik lang, maar verwijderde toen de proppen.
‘Dank je,’ zei Dirk.
Gwen schudde haar hoofd om de losse haren uit haar ogen te krijgen en krabbelde onvast overeind, haar armen nog steeds op haar rug gebonden. ‘Jaan,’ zei ze met onzekere stem, ‘heb je het gehoord?’