Выбрать главу

Op de achterbank leunde Arkin Ruark geestdriftig naar voren. ‘Maar het kan niet beter!’ riep hij uit. ‘Ja, luister naar mij, dit is prima. Gwen, Dirk, Jaan, mijn vriend, luister. Bretan zal ze allemaal voor ons doden, nietwaar? Een voor een, ja. Hij is de vijand van onze vijanden, beter kunnen we niet hopen, heus waar.’

‘Jouw Kimdissi-spreekwoord is in dit geval misleidend,’ zei Vikary. ‘De oorlog tussen Bretan Braith en de Larteyns maakt hem nog geen vriend van ons, behalve bij toeval. Bloed en ernstige grieven worden niet zo makkelijk vergeten, Arkin.’

‘Ja,’ beaamde Gwen. ‘Het was niet Lorimaar die hij ervan verdacht zich in Kryne Lamiya te verbergen, weet je. Hij heeft die stad in brand gestoken met de bedoeling ons te pakken te krijgen.’

‘Een gok,’ pruttelde Ruark, ‘een pure gok. Misschien had hij andere redenen, heel persoonlijke, wie weet? Misschien was hij gek, waanzinnig van verdriet, ja.’

‘Weet je wat, Arkin,’ zei Dirk. ‘We zetten jou ergens buiten af, en als Bretan dan langskomt, kun je het hem zelf vragen.’

De Kimdissi kromp in elkaar en keek hem bevreemd aan. ‘Nee,’ zei hij. ‘Nee, het is veiliger bij jullie te blijven, mijn vrienden, jullie zullen me beschermen.’

‘Wij zullen je beschermen,’ antwoordde Jaan Vikary. ‘Dat heb jij ons ook gedaan.’ Dirk en Gwen wisselden een blik.

Vikary bracht hun wagen plotseling in beweging. Ze stegen op en schoten weg van het dak, over de ochtendschemerige straten van Larteyn.

‘Waarheen...?’ vroeg Dirk.

‘Roseph is dood,’ zei Vikary. ‘Maar hij was niet de enige jager. We gaan een inventarisatie houden, vrienden, een inventarisatie.’

Het gebouw dat Roseph hoog-Braith Kelcek had gedeeld met zijn teyn, was niet ver van de woning van de IJzerjades en vlak bij de liften naar de ondergrondse. Het was een breed vierkant bouwwerk met een metalen koepel op het dak en een portiek dat op zwarte ijzeren pilaren rustte. Ze landden er dichtbij en benaderden het onopvallend.

Twee Braithhonden hadden vastgeketend gelegen aan de pilaren voor het huis. Ze waren allebei dood. Vikary bekeek ze. ‘Hun keel is doorgebrand met een jachtlaser, afgevuurd van enige afstand,’ rapporteerde hij. ‘Een zekere en geluidloze manier van doden.’

Hij bleef buiten de wacht houden, op zijn hoede, zijn lasergeweer in zijn hand. Ruark bleef dicht bij hem. Gwen en Dirk werden naar binnen gestuurd om het gebouw te doorzoeken.

Ze vonden een heleboel lege vertrekken en een kleine trofeeën-kamer met vier hoofden; drie ervan waren oud en uitgedroogd, met een strakke, leerachtige huid, de gezichtstrekken bijna dierlijk. Het vierde hoofd was volgens Gwen van een kwallenkind van Zwarte Wijn, zo te zien kortgeleden buitgemaakt. Dirk raakte achterdochtig de leren bekleding van sommige meubels aan, maar Gwen schudde haar hoofd.

Een andere kamer, vlakbij, was geheel gevuld met miniaturen: banshees en meutes wolven; soldaten, knokkend met mes en zwaard; mannen, in vreemde gevechten gewikkeld met groteske monsters. Alle scènes waren fraai uitgevoerd in ijzer, koper en brons. ‘Rosephs werk,’ zei Gwen kortaangebonden toen Dirk er onwillekeurig bij bleef staan en een figuurtje oppakte om nader te bekijken. Ze wenkte hem om door te lopen.

Rosephs teyn was aan het eten geweest. Ze troffen hem in de eetkamer aan. Zijn maal — een dikke hachee van vlees en groenten in een bloederige bouillon, met hompen zwart brood erbij -was koud en half opgegeten. Een tinnen kroes met bruin bier stond ernaast op de lange houten tafel. Het lichaam van de Kavalaar zat er bijna een meter vandaan, nog in zijn stoel; maar de stoel lag op de grond en er zat een donkere vlek op de muur erachter. De man had geen gezicht meer.

Gwen stond met gefronst voorhoofd op hem neer te kijken. Haar geweer hing losjes aan één arm met de loop naar beneden. Ze pakte het bier en nam er een slokje van, waarna ze de kroes aan Dirk gaf. Het was lauw en verschaald en schuimde allang niet meer.

‘Lorimaar en Saanel?’ vroeg Gwen toen ze weer buiten stonden onder de ijzeren pilaren.

‘Ik betwijfel of ze al terug zijn uit het bos,’ zei Vikary. ‘Misschien zit Bretan ergens in Larteyn op hen te wachten. Hij heeft Roseph en Chaalyn gisteren ongetwijfeld zien binnenvliegen. Misschien ligt hij ergens dichtbij op de loer in de hoop zijn vijanden stuk voor stuk af te maken als ze naar de stad terugkomen. Maar ik denk toch van niet.’

‘Waarom niet?’ vroeg Dirk.

‘Zoals je weet, t’Larien, zijn wij in de ochtendschemering aangekomen, en in een onbewapende wagen. Hij viel ons niet aan. Of hij sliep, of hij is niet meer in de buurt.’

‘Waar denk je dat hij is?’

‘In de wildernis, bezig jacht te maken op onze jagers,’ zei Vikary. ‘Er zijn nog maar twee Larteyns in leven die hij tegenover zich kan vinden, maar dat kan Bretan Braith niet weten. Volgens zijn laatste informatie waren Pyr en Arris en zelfs de oude Raymaar Eénhand allemaal nog in leven en moest hij rekening met ze houden. Ik denk dat hij weggevlogen is om een verrassingsoverval op ze te plegen, misschien uit angst dat ze anders groepsgewijs naar de stad teruggaan, ontdekken dat hun kethi afgeslacht zijn en op die manier gewaarschuwd zijn voor wat hij van plan is.’

‘Dan moeten wij vluchten vóór hij terugkomt, jawel,’ zei Ruark. ‘Ons ergens in veiligheid brengen, weg van deze Kavalaanse waanzin. Naar Twaalfde Droom, bijvoorbeeld. Of Moscel, of Uitdaging, of waarheen dan ook. Binnenkort komt er een schip, dan zullen we veilig zijn. Wat vinden jullie?’

‘Ik vind van niet,’ antwoordde Dirk. ‘Bretan zou ons opsporen. Denk aan de bijna bovennatuurlijke manier waarop hij Gwen en mij in Uitdaging wist te vinden.’ Hij keek Ruark veelbetekenend aan. Het moest gezegd worden dat de Kimdissi bewonderenswaardig uitgestreken bleef kijken.

‘We blijven in Larteyn,’ zei Vikary gedecideerd. ‘Bretan Braith Lantry is maar alleen. Wij zijn met zijn vieren en drie van ons zijn gewapend. Als we bij elkaar blijven, zijn we veilig. We zullen de wacht houden. Dan zijn we voorbereid.’

Gwen knikte en haakte haar arm door die van Jaan. ‘Daar ben ik het mee eens,’ zei ze. ‘Misschien dat Bretan Lorimaar niet eens overleeft.’

‘Nee,’ zei de Kavalaar tegen haar. ‘Nee, Gwen. Ik denk dat je je vergist. Bretan Braith zal Lorimaar overleven. Daar ben ik zeker van.’

Op Vikary’s aandringen onderzochten ze de grote ondergrondse garage, voor ze de omgeving van Rosephs woning verlieten. Zijn gok wierp resultaat af. Omdat hun eigen luchtwagen in Uitdaging was gestolen en vervolgens vernield, hadden Roseph en zijn teyn Pyrs voertuig geleend om terug te vliegen van de jacht in de wildernis; het stond daar beneden geparkeerd. Jaan eigende zich de wagen toe. Al was het dan niet Janaceks massieve olijfgroene oorlogsreliek, deze wagen stelde toch heel wat meer voor dan Ruarks kleine vervoermiddel.

Daarna zochten ze een onderkomen. Langs de stadsmuren van Larteyn, uitziend over de steile, loodrechte rots die fronsend neerzag op de verafgelegen Meent, stond een serie wachttorens met van schietgaten voorziene uitkijkposten bovenin en daaronder woonvertrekken, binnen de muren zelf. De torens, elk bekroond met een grote stenen waterspuwer, stonden er alleen voor de sier, fraai vertoon om deze Festivalstad een echt Kavalaans aanzien te geven. Maar ze waren gemakkelijk te verdedigen en boden een prachtig uitzicht over de stad. Gwen koos er op goed geluk een uit en daar trokken ze in; ze bezochten hun vroegere appartement nog één keer om persoonlijke eigendommen, eten en de aantekeningen van het bijna vergeten (in ieder geval door Dirk) ecologische onderzoek op te halen dat Gwen en Ruark in de wildernis van Worlorn hadden verricht.